vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rolnummer: C/03/273488 / HA ZA 20-61 Vonnis van 2 februari 2022 in de zaak van ten tijde van dagvaarden [naam onderbewindgestelde 1] , wonende te [woonplaats] , en met ingang van 11 juni 2021 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] ., in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [naam onderbewindgestelde 1], gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres, advocaat mr. J.A. Koster te Maastricht, tegen ten tijde van dagvaarden 1. [gedaagde sub 1], wonende te Wolfheze, 2. [gedaagde sub 1], in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [naam onderbewindgestelde 2], wonende te Wolfheze, bij exploot van 26 januari 2021 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 2] , in hoedanigheid van (opvolgend) bewindvoerder over de goederen van [naam onderbewindgestelde 2], gevestigd te Ede, gedaagden sub 1 en 2, advocaat mr. T.W.E. Fredrix te Maastricht, ten tijde van dagvaarden en voortgezet 3. [gedaagde sub 3], zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of elders , gedaagde sub 3, niet verschenen. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 20 december 2019 met 25 producties (hierna: “de dagvaarding”); het openbaar exploot jegens gedaagde sub 3 (hierna: “ [gedaagde sub 3] ”) in de Staatscourant van 27 december 2019 (Staatscourant 2019 nr. 71669); het bij rolbeslissing van 25 maart 2020 tegen [gedaagde sub 3] verleende verstek; de conclusie van antwoord van gedaagde sub 1 (hierna: “ [gedaagde sub 1] ”) en gedaagde sub 2 (hierna: “de bewindvoerder”) 6 mei 2020 met 10 producties; de rolbeslissing uitlaten voortprocederen van 20 mei 2020; de akte uitlaten voortprocederen verschenen partijen van 29 mei 2020 en 2 juni 2020; de rolbeslissing van 24 juni 2020, waarbij een mondelinge behandeling is gelast; de brief van mr. Koster 5 januari 2021 met aanvullende bijlagen 1 t/m 3 zijdens [naam onderbewindgestelde 1] ; het exploot oproeping opvolgend bewindvoerder (hierna: “ [gedaagde sub 2] ”) van 26 januari 2021; het B16 formulier van 2 februari 2021, waarbij mr. Fredrix zich stelt als advocaat voor [gedaagde sub 2] ; de rolbeslissing van 24 februari 2021, waarbij een nieuwe datum mondelinge behandeling is bepaald; de aanvullende producties 11 t/m 13 van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ; het B16 formulier zijdens eiseres (hierna: “ [naam onderbewindgestelde 1] ”) van 18 maart 2021 met verzoek uitstel mondelinge behandeling; de rolbeslissing van 7 april 2021, waarbij een nieuwe datum mondelinge behandeling is bepaald; de brief van mr. Koster van 6 oktober 2021 met een afschrift van de beschikking onderbewindstelling en benoeming van een bewindvoerder over de goederen van [naam onderbewindgestelde 1] van 11 juni 2021; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 oktober 2021; de spreekaantekeningen van mrs. Koster en Fredrix; het B4 formulier met uitstelverzoek van de verschenen partijen van 9 en 23 november 2021; de akte uitlating namens verschenen partijen van 8 december 2021; de rolbeslissing pro forma zitting van 21 december 2021; het proces-verbaal mondelinge behandeling van 22 december 2021, met aangehecht de vaststellingsovereenkomst tussen de partijen [naam onderbewindgestelde 1] , [eiseres] ., [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , alsmede met aangehecht de verklaring van [naam onderbewindgestelde 1] ; de akte uitlaten mr. Koster tevens doorhaling procedure jegens gedaagden sub 1 en 2 van 12 januari 2022. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald met betrekking tot de vorderingen jegens [gedaagde sub 3] als vermeld in het petitum van de dagvaarding onder 2 tot en met 6. Die nummering van de vorderingen jegens [gedaagde sub 3] zal hierna ook worden aangehouden. 2De vorderingen jegens [gedaagde sub 3] 2.1. [naam onderbewindgestelde 1] vordert - samengevat en voor zover van belang - dat de rechtbank, bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 2. indien en voor zover de rechtbank vaststelt dat de rechtshandelingen, waarbij er betalingen door [naam] aan [gedaagde sub 3] zijn voldaan, in opdracht van [naam onderbewindgestelde 1] , althans voor dier rekening zijn verricht, de rechtshandelingen zijdens [naam onderbewindgestelde 1] die tot de betalingen door [naam] aan [gedaagde sub 3] hebben geleid nietig verklaart althans vernietigt; 3. [gedaagde sub 3] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen tien dagen na dit vonnis aan [naam onderbewindgestelde 1] een bedrag van € 85.240,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te betalen wegens onverschuldigde betaling, althans schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van 13 november 2017; 4. [gedaagde sub 3] veroordeelt tot afgifte van de roerende zaken die eigendom van [naam onderbewindgestelde 1] zijn, als genoemd in productie 25, binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag of deel daarvan, indien [gedaagde sub 3] aan de uitvoering van dit vonnis geen gevolg geeft, tot een maximum van € 250.000,00, met machtiging aan eiseres om zo nodig ter effectuering van haar rechten de hup in te roepen van de sterke arm; 5. [gedaagde sub 3] veroordeelt in de buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente; 6. [gedaagde sub 3] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente, alsmede de nakosten. 2.2. [naam onderbewindgestelde 1] grondt haar vorderingen jegens [gedaagde sub 3] op onverschuldigde betaling ex artikel 6:203 BW, althans onrechtvaardigde verrijking ex artikel 6:212 BW, althans een tekortkoming in de nakoming, althans onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW. Voorts stelt [naam onderbewindgestelde 1] dat de rechtshandelingen (de onderscheidenlijke betalingen aan [gedaagde sub 3] ) vernietigbaar zijn op grond van wilsontbreken, althans misbruik van omstandigheden, althans bedrog. Ten slotte grondt [naam onderbewindgestelde 1] haar vorderingen met betrekking tot de inboedelgoederen jegens [gedaagde sub 3] op artikel 7:605 BW. 3De beoordeling 3.1. Ingevolge artikel 140 lid 3 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geldt dat, indien in een zaak sprake is van meerdere gedaagden, van wie tenminste één in het geding is verschenen, tussen alle partijen één vonnis wordt gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd. De regeling van artikel 140 Rv strekt ertoe dat in gevallen waarin een vordering tegen meer gedaagden wordt ingesteld, tussen de eiser(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.