vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rolnummer: C/03/293355 / HA ZA 21-314 Vonnis van 16 november 2022 (in de hoofdzaak) in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats 1] , eiser, thans zonder advocaat (mr. Z.C.E. Houben heeft zich op 2 februari 2022 onttrokken), tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde, advocaat mr. V.C.C. Luijten. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.
- Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 24 augustus 2022, de akte overlegging producties van [gedaagde] met producties 17 tot en met
- 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.
- [gedaagde] is bij tussenvonnis van 24 augustus 2022 (hierna: het tussenvonnis) in de gelegenheid gesteld om nadere bewijsstukken in het geding te brengen, die van belang zijn voor de vaststelling van de legitieme portie van [eiser] (zie r.o. 4.14, 4.20 en 4.21 van het tussenvonnis). 2.
- [gedaagde] heeft bij akte van 21 september 2022 de volgende bewijsstukken in het geding gebracht: bewijs saldo bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] (betaalrekening) op 8 juli 2019 (productie 17), bewijs saldo bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] (betaalrekening) op 8 juli 2019 (productie 18), bewijs saldo hypotheekschuld op 8 juli 2019 (productie 19). R.o. 4.
- van het tussenvonnis van 24 augustus 2022: [rekeningnummer 2] (bonusrekening) 2.
- De rechtbank stelt vast dat de door [gedaagde] bij akte overgelegde productie 18 identiek is aan de reeds bij conclusie van antwoord in de hoofdzaak overgelegde productie 14, die ziet op betaalrekening [rekeningnummer 2] . De waarde van die betaalrekening, en het aandeel daarin van erflater, is door de rechtbank op basis van productie 14 reeds vastgesteld in r.o. 4.
- van het tussenvonnis. Het ging in r.o. 4.
- van het tussenvonnis, waarin [gedaagde] in de gelegenheid werd gesteld om een bewijsstuk van het saldo van de rekening met nummer [rekeningnummer 2] in het geding te brengen, om de bonusrekening en niet om de betaalrekening. De rechtbank ziet, gelet op het feit dat er geen aanwijzingen zijn dat de waarde die voormelde bonusrekening vertegenwoordigt op 8 juli 2019 in grote mate zou afwijken van hetgeen staat vermeld in de als productie 13 bij conclusie van antwoord ingebrachte aangifte inkomstenbelasting 2019, aanleiding om van de daarin vermelde waarde uit te gaan bij het bepalen van het saldo op 8 juli
- Deze waarde bedroeg immers zowel op 1 januari 2019 als op 31 december 2019 € 1,- (positief). De waarde van de bonusrekening met nummer [rekeningnummer 2] zal daarom per 8 juli 2019 eveneens op € 1,- worden vastgesteld. Het aandeel van erflater bedraagt de helft van dit bedrag, oftewel € 0,
- Met dit bedrag zal hierna bij het berekenen van de legitieme portie, onder het kopje “De waarde van de goederen van de nalatenschap” rekening worden gehouden. R.o. 4.
- van het tussenvonnis van 24 augustus 2022: [rekeningnummer 1] 2.
- Blijkens het als productie 17 bij akte door [gedaagde] overgelegde bankafschrift bedraagt het saldo van de betaalrekening met nummer [rekeningnummer 1] op 8 juli 2019 € 423,56 (negatief). Het aandeel van erflater in de schuld aan de bank bedroeg derhalve de helft van dit bedrag, oftewel € 211,
- Met dit bedrag zal hierna bij het berekenen van de legitieme portie, onder het kopje “De in aanmerking te nemen schulden van de nalatenschap” rekening worden gehouden. R.o. 4.
- van het tussenvonnis van 24 augustus 2022: de hypotheekschuld 2.
- Blijkens de als productie 19 door [gedaagde] overgelegde brief van BLG Wonen bedraagt de waarde van leningdeel 1 per 8 juli 2019 € 63.661,61 en de waarde van leningdeel 2 € 14.032,
- Tezamen dus € 77.694,
- Het aandeel van erflater in de schuld aan BLG Wonen bedroeg derhalve op 8 juli 2019 de helft van dit bedrag, oftewel € 38.847,
- Met dit bedrag zal hierna bij het berekenen van de legitieme portie, onder het kopje “De in aanmerking te nemen schulden van de nalatenschap” rekening worden gehouden. De berekening van de legitieme portie 2.
- De totale legitimaire massa dient, gelet op hetgeen in het tussenvonnis reeds is overwogen, alsmede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, als volgt te worden vastgesteld. De waarde van de goederen van de nalatenschap De woning + de berging € 64.500,00 (r.o. 4.
- tussenvonnis) Bonusrekening [rekeningnummer 2] € 0,50 (r.o. 2.
- dit vonnis) Inboedel nihil € 0,00 (r.o. 4.
- tussenvonnis) Totaal € 64.500,50 De in aanmerking te nemen schulden van de nalatenschap Kosten uitvaart € 5.097,15 (r.o. 4.
- tussenvonnis) [rekeningnummer 2] (betaalrekening) € 208,49 (r.o. 4.
- tussenvonnis) [rekeningnummer 1] € 211,78 (r.o. 2.
- dit vonnis) De hypotheekschuld € 38.847,14 (r.o. 2.
- dit vonnis) Totaal € 44.364,56 Saldering van hetgeen hiervoor is weergegeven, levert een bedrag op van € 20.135,94 aan legitimaire massa. 2.
- De legitieme portie van [eiser] bedraagt dus: ¼ x € 20.135,94 = € 5.033,99 (r.o. 4.6 tussenvonnis). De rechtbank zal de legitieme portie van [eiser] daarom vaststellen op dit bedrag. 2.
- De rechtbank zal voorts voor recht verklaren dat deze legitieme portie opeisbaar wordt bij het overlijden van LijnzaatSnoek. 2.
- De proceskosten zullen vanwege de familierelatie tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3De beslissing De rechtbank 3.
- bepaalt dat de legitieme portie van [eiser] € 5.033,99 bedraagt, 3.
- verklaart voor recht dat de legitieme portie van [eiser] opeisbaar wordt bij het overlijden van [gedaagde] , 3.
- compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken. type: CB