← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2022:9433

RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 9881115 \ CV EXPL 22-2289 Vonnis van de kantonrechter van 30 november 2022 in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ESSITY OPERATIONS GENNEP B.V., gevestigd te Heijen, eisende partij, gemachtigde mr. M.B.J. Thijssen, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] LOGISTIEK B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde partij, gemachtigde mr. T.C. Boer. Partijen worden Essity en [gedaagde] genoemd. 1De procedure 1.1. De informatie in dit vonnis is ontleend aan de volgende processtukken: 1. De dagvaarding 2. De conclusie van antwoord 3. Aanvullende producties van [gedaagde] 4. Aanvullende producties van Essity 5. De schriftelijke aantekeningen en de door beide partijen overgelegde spreekaantekeningen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling op 31 oktober 2022 1.2. Verwijzing naar bijlagen vindt plaats door vermelding van het nummer van het processtuk gevolgd door het nummer van de bijlage. 2De voorgeschiedenis 2.1. Essity is onderdeel van een internationale Zweedse onderneming die verzorgingsproducten maakt (onder andere Tempo zakdoekjes). In Nederland heeft Essity drie vestigingen. In Gennep staat sedert circa 1970 een fabriek waarin incontinentie luiers en onderleggers worden gemaakt. Er werken ongeveer 230 mensen. De handling van deze producten (opslag en uitlevering) wordt krachtens een Warehouse Agreement van 13 juli 2000 (bijlage 1,6) verzorgd door [gedaagde] . Die overeenkomst wordt door partijen aangeduid als een F(inishing) G(ood) contract. [gedaagde] is een familiebedrijf, geleid door twee broers [gedaagde] , dat zich toelegt op de logistieke dienstverlening ten behoeve van vele ondernemingen, met inmiddels 230.000 vierkante meter opslag. 2.2. Ter uitvoering van de aan Essity te leveren dienstverlening, sloot [gedaagde] op 7 september 2000 met de heer [verhuurder] een huurovereenkomst voor het gebruik van diens naast Essity gelegen terrein aan de [adres] te [plaats] met de toenmalige kadastrale aanduiding [sectieletter] [sectienummer] ter grootte van ongeveer 21.000 vierkante meter (bijlage 1,4). [verhuurder] was een plaatselijke aannemer die ook in onroerend goed investeerde. Onderdeel daarvan maakte uit dat [verhuurder] een loods op het terrein zou realiseren, van waaruit de handling zou plaatsvinden. De lopende banden en andere voorzieningen waarmee de afgewerkte goederen rechtstreeks van de fabriek naar de loods werden getransporteerd, werden door [gedaagde] gekocht en zouden na 10 jaar eigendom worden van Essity. Omdat de overeenkomst voorzag in een cost based systeem, werden alle door [gedaagde] gemaakte kosten door Essity gedragen met daarbovenop een toeslag. 2.3. In 2012 kreeg [gedaagde] de gelegenheid om naast bovengenoemd terrein een kleiner stuk grond (circa 4.000 vierkante meter) van [verhuurder] bij te huren. Dit leidde zowel tot een huurovereenkomst van 29 maart 2012 (bijlage 1,8) als (tussen Essity en [gedaagde] ) een R(

  1. aw)M(aterial) Warehousing Agreement van dezelfde datum (bijlage 1,9). Om de looptijd van de eerste huurovereenkomst uit 2000 (verbonden aan het F(inishd) G(oods)-contract) gelijk te trekken met deze tweede (het RM-contract) werd aan dat FG-contract, ook op 29 maart 2012, een allonge toegevoegd (bijlage 1,10). 2.4. Vanaf 2018 werden tussen Essity en [gedaagde] onderhandelingen gevoerd over een nieuw FG en RM contract. Hoewel de tekst daarvan al in mei 2018 gereed was, werden deze pas in juni 2021 door partijen ondertekend (bijlagen 1,16 en 1,17). Een van de voorwaarden in de onderhandelingen die leidden tot die contracten, was dat de huurprijs (per vierkante meter) tussen [gedaagde] en [verhuurder] omlaag zou gaan (welke verlaging door het cost based systeem ten gunste van Essity zou komen). [gedaagde] trad daartoe in onderhandeling met [verhuurder] (bijlage 1,12). Per mail van 18 mei 2018 werd een concept voor een algeheel nieuwe huurovereenkomst (vervangende dus zowel het FG- als het RM-contract) aan [verhuurder] als bijlage meegestuurd (bijlage 1,13). Per mail van 22 oktober 2018 verzocht [gedaagde] aan [verhuurder] om de aangepaste versie (waarin alleen Essity niet langer als medeondertekenaar werd vermeld) te ondertekenen, omdat diezelfde week met Essity verder werd onderhandeld (bijlage 1,14). [verhuurder] heeft die overeenkomst ondertekend alsmede elke bladzijde van een paraaf voorzien, waarna [gedaagde] hetzelfde heeft gedaan (bijlage 2,1). 2.5. Bij koopovereenkomst van 30 juli 2021 (bijlage 1,7) en leveringsakte van 31 augustus 2021 (bijlage 1,3) heeft [verhuurder] de aan [gedaagde] verhuurde objecten voor 17.500.000 euro aan GHP BV verkocht. GHP BV was onderdeel van het concern waar Essity ook toe behoorde. Bij akte van 28 februari 2022 is deze grond met opstallen prijs neutraal doorverkocht en -geleverd aan Essity (bijlage 1,1) 2.6. Bij exploot en per email van 28 maart 2022 aan [gedaagde] heeft Essity de huurovereenkomst(
  2. en)per 28 februari 2023 (voor wat betreft de huurovereenkomst uit 2000) en per 4 juli 2023 (voor wat betreft de huurovereenkomst uit 2012) opgezegd. [gedaagde] heeft daarmee niet ingestemd. Zij beroept zich op art. 3 van de in 2018 met [verhuurder] gesloten huurovereenkomst, waarin de bevoegdheid tot opzegging alleen aan de huurder is toegekend (bijlage 2,1). 3Het geschil 3.1. Essity betwist dat er in oktober 2018 (de huurovereenkomst bevat geen dagtekening) een huurovereenkomst tussen haar rechtsvoorganger [verhuurder] en [gedaagde] tot stand is gekomen. Zij geeft daartoe de volgende argumenten: [verhuurder] tekende het document alleen op verzoek van [gedaagde] en zonder inhoudelijke beoordeling, om [gedaagde] zekerheid te geven dat de huurovereenkomst zou doorlopen, maar niet als contract. Dat blijkt met name doordat [verhuurder] geen dagtekening bij zijn handtekening heeft geplaatst (verklaring [verhuurder] bijlage 1,19 en verklaring advocaten Essity over gesprek met [verhuurder] bijlage 3,24). [verhuurder] heeft de opmerking (in de mail van 22 oktober 2021, bijlage 1,14) dat er niets gewijzigd was, opgevat als dat er niets gewijzigd was ten opzichte van de huurovereenkomsten uit 2000 en 2012. [gedaagde] heeft na ontvangst van het door [verhuurder] ondertekende document geen door haarzelf ook ondertekend exemplaar aan [verhuurder] teruggezonden. [verhuurder] zou er nooit mee hebben ingestemd dat de huurovereenkomst jegens hem als verhuurder onopzegbaar was. Een dergelijke voorwaarde zou juist een verhoging van de huurprijs rechtvaardigen in plaats van een reductie. De verlaging van de huurprijs vanaf mei 2021 was mondeling overeengekomen en had niks te maken met de nieuwe huurovereenkomst die daarna nog zou worden gesloten. Dat [verhuurder] oprecht meende dat er in 2018 geen nieuwe huurovereenkomst was gesloten, blijkt wel uit het feit dat [verhuurder] in het kader van het due dilligence onderzoek bij de verkoop van de door [gedaagde] gehuurde objecten aan GHP BV (bijlage 1,7) de huurovereenkomst van 2012 en de allonge uit 2012 bijvoegt en geen gewag maakt van een huurovereenkomst uit 2018. Dat ook [gedaagde] tot aan de opzegging van de huurovereenkomsten niet uitging van een huurovereenkomst uit 2018, blijkt uit het feit dat zij deze nooit aan Essity heeft verstrekt, er nooit eerder over heeft gesproken en de FG- en RM-contracten 2018, waarvan de huurovereenkomst 2012 en de allonge 2012 onderdeel van uitmaken, in juni 2021 zonder opmerking of commentaar niet alleen ondertekent, maar bladzijde na bladzijde (dus ook van de huurovereenkomst en allonge) parafeert (bijlagen 1,16 en 1,17). 3.2. Voor zover die huurovereenkomst toch als gesloten moet worden beschouwd, is Essity van mening dat de daarin opgenomen opschortende voorwaarde dat er tussen [gedaagde] en Essity een (nieuw) FG- en RM-contract zou worden gesloten, niet is vervuld. 3.3. Los hiervan is Essity van mening dat het de bedoeling van partijen was om de huurovereenkomsten gelijk te laten lopen met de handling contracten en dat het duidelijk was dat als die handling contracten zouden eindigen, de huurovereenkomsten ook beëindigd zouden worden. Dit is af te leiden uit het feit dat de loods uitsluitend gebouwd was ten behoeve van de dienstverlening aan Essity, de hele inrichting ervan afgestemd was op die dienstverlening en ook eigendom werd van Essity én een recht van overpad uitsluitend gold voor de duur van die dienstverlening. 3.4. Essity vordert primair verklaringen voor recht dat [gedaagde] huurt op basis van de huurovereenkomsten van 2000 (met allonge 2012) en 2012 en dat Essity die overeenkomsten rechtsgeldig heeft opgezegd alsmede dat de huurovereenkomst uit 2018 niet geldt of niet meer geldt vanwege het niet (tijdig) in vervulling gaan van de opschortende voorwaarde. Subsidiair vordert Essity, voor het geval uitgegaan moet worden van de huurovereenkomst uit 2018, om voor recht te verklaren dat deze rechtsgeldig is opgezegd tegen 28 februari 2023, althans tegen een door de kantonrechter (na conversie) te bepalen datum. 3.5. [gedaagde] voert verweer. Daarop zal hierna, voor zover dat voor de beoordeling nodig is, worden ingegaan. 4Beoordeling Inleiding 4.1. Alvorens dieper op de zaak in te gaan, wil toch opgemerkt zijn dat de bij de overeenkomsten betrokken partijen grote ondernemers zijn. Zelfs [verhuurder] , die kennelijk een als zodanig duidelijk herkenbaar huurcontract ondertekent en elke bladzijde ervan parafeert en daarna stelt dat hij dit niet met de bedoeling deed om daarmee in te stemmen, is een doorgewinterde ondernemer die als aannemer kennelijk vaker in onroerend goed had gehandeld en ook door zijn zoon werd bijgestaan. Hiermee in overeenstemming is dat alle rechtsbetrekkingen tussen partijen steeds vervat werden in door alle betrokkenen ondertekende en geparafeerde overeenkomsten. Dit rechtvaardigt om bij de uitleg van die overeenkomsten aanmerkelijke waarde toe te kennen aan de bewoordingen ervan en daarvan alleen af te wijken als duidelijk blijkt dat de wilsovereenstemming van partijen van die bewoordingen afwijkt en partijen daarnaar ook gehandeld hebben. Enkele relevante contractsbepalingen 4.2. Ten behoeve van de leesbaarheid van de beoordeling zullen enkele contractsbepalingen worden geciteerd: Art. 3 van de huurovereenkomst 2000 (bijlage 1,4): 3.1 Deze huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van 10 jaren. De ingangsdatum van de onderhavige huurovereenkomst is die van de oplevering van het gehuurde door verhuurder aan huurder. (…) 3.2 Na het verstrijken van de in 3.1 genoemde huurperiode wordt deze huurovereenkomst, tenzij door de huurder opzegging overeenkomstig 3.4 heeft plaatsgevonden, voortgezet voor een aansluitende periode van 10 jaren. 3.3 Indien voortzetting van de huurovereenkomst heeft plaatsgevonden overeenkomstig 3.2 is huurder (bij uitsluiting) gerechtigd de huurovereenkomst tussentijds op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van één jaar 3.4 Opzegging dient te geschieden bij deurwaardersexploit of per aangetekend schrijven. 3.5 In afwijking van het bepaalde in artikel 7 van de algemene bepalingen is verhuurder alleen gerechtigd over te gaan tot tussentijdse beëindiging van deze huurovereenkomst ingeval huurder substantieel te kort schiet in de nakoming van een of meer verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst (…) Art. 1 en 2 van de alonge van 29 maart 2012 (bijlage 1,10) 1. Verhuurder en Huurder verlengen de termijn van de hiervoor genoemde huurovereenkomst voor dezelfde periode die wordt overeengekomen tussen Huurder enerzijds en (…: de rechtsvoorganger van Essity, Rb)anderzijds met betrekking tot het Finished Goods Warehousing contract. De termijn waartegen de huurovereenkomst thans door Huurder voor het eerst kan worden opgezegd is 01-05-2017. Bij ingang van de contactperiode van het Raw Material Warehouse zal de dan bepaalde einddatum van het Raw Material Warehousing Contract ook gelden voor het Finished Goods Warehousing Contract en zal door middel van een schrijven vanuit (Essity, Rb) als zodanig worden bevestigd 2. De overige voorwaarden en condities met betrekking tot de onderhavige huurovereenkomst blijven ongewijzigd. Artikel 3 van de huurovereenkomst 2012 (bijlage 1,8): 3.1 deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van vijf jaar en zestien weken, ingaande op de datum van oplevering door Verhuurder aan Huurder. (…) 3.2 Na het verstrijken van de in 3.1 genoemde huurperiode wordt deze huurovereenkomst voortgezet voor aansluitende perioden van telkens een jaar. 3.3 Beëindiging van deze overeenkomst vindt plaats door opzegging tegen het einde van een huurperiode waarbij de Verhuurder een termijn in acht dient te nemen van en dertien maanden en de Huurder een termijn in acht dient te nemen van en elf maanden. Artikel 3 van de huurovereenkomst 2018 (bijlage 2,1): 3.1 De huurovereenkomst gaat in op 1 mei 2018 (hierna ‘ingangsdatum’) en is aangegaan voor een periode van 5 jaar en loopt tot en met 30 april 2023. 3.2 Na het verstrijken van de in artikel 3.1 genoemde periode wordt deze huurovereenkomst behoudens beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging door huurder in overeenstemming met artikele 3.3 en 3.4 voortgezet voor aansluitende perioden van telkens een jaar. 3.3 Beëindiging van deze huurovereenkomst vindt plaats door opzegging door Huurder aan Verhuurder tegen het einde van de lopende huurperiode of, ingeval van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd tegen ieder tijdstip, met inachtneming van een termijn van 11 maanden. 3.4 Opzegging dient te geschieden bij deurwaardersexploot of aangetekend schrijven. De huurovereenkomst 2000 4.3. In deze procedure is sterk de nadruk gelegd op de totstandkoming en rechtsgeldigheid van de huurovereenkomst van 2018. Daarin staat namelijk tussen partijen buiten kijf dat deze door de verhuurder niet kan worden opgezegd. De veronderstelling van Essity en [verhuurder] is dat dit op basis van de huurovereenkomsten van 2000 en 2012 wel kon. Voor wat betreft de huurovereenkomst uit 2012 zijn partijen het erover eens dat dit inderdaad mogelijk was. In art. 3.3 van dat contract (hierboven geciteerd) is namelijk opgenomen dat beëindiging van die huurovereenkomst plaats vindt door opzegging tegen het einde van een huurperiode, waarbij de verhuurder een termijn van 13 maanden in acht moet nemen en huurder een van elf maanden. 4.4. Voor de huurovereenkomst uit 2000 is dit anders. Daarin is in art. 3 opgenomen dat de huurovereenkomst voor 10 jaar wordt aangegaan (art. 3.1) en ‘tenzij door de huurder opzegging (…) heeft plaatsgevonden’ kan worden ‘voortgezet voor een aansluitende periode van 10 jaar’ (art.3.2). In art. 3.3 is dan opgenomen dat als die huurovereenkomst is voortgezet, de ‘huurder (bij uitsluiting) gerechtigd is de huurovereenkomst tussentijds op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van één jaar’. Essity heeft opgemerkt dat [verhuurder] uit deze tekst afleidde dat het tussentijds opzeggen met een opzegtermijn van één jaar betrekking had op de verlengingstermijn van 10 jaar en dat daarna de huurovereenkomst door beide partijen opzegbaar was. 4.5. De kantonrechter is van oordeel dat deze uitleg niet aan de tekst van genoemd art. 3 ontleend kan worden. Een tussentijdse opzegging met een opzegtermijn van één jaar is niet te rijmen met het verlengen van de huurtermijn met 10 jaar. Veel logischer is het dat de huurder binnen die eerste én verlengde 10 jaar niet tussentijds kan opzeggen. Vervolgens is een logische uitleg van art. 3.3 dat ná die verlengde 10 jaar huurder elk moment kan opzeggen, mits met een opzegtermijn van één jaar. Als inderdaad de bedoeling was geweest om te bepalen dat in die 2e 10 jaar alleen de huurder tussentijds met een opzegtermijn van één jaar kon opzeggen, en daarna ook de verhuurder (zonder opzegtermijn?), had niet alleen art. 3.2 en 3.3 anders geformuleerd moeten worden, maar mag worden aangenomen, gelet op het belang daarvan voor huurder én verhuurder, dat die aan verhuurder toekomende bevoegdheid uitdrukkelijk zou zijn opgenomen. Hoewel de besproken tekst over de beëindiging van het contract niet glashelder is, is er in elk geval ook niet zonneklaar uit af te leiden dat verhuurder na 20 jaar op kon zeggen. De allonge 2012 4.6. De allonge uit 2012 brengt geen wijziging aan in de eenzijdige opzegmogelijkheid van huurder. De veronderstelling dat door deze allonge de opzegbevoegdheid van de verhuurder met betrekking tot het FG-huurobject gelijkgetrokken werd met die van het RM-huurobject, blijkt niet uit die allonge zelf. Sterker nog: er staat uitdrukkelijk in de allonge dat ‘de termijn waartegen de huurovereenkomst thans door Huurder voor het eerst kan worden opgezegd is 01-05-2017’ (onderstreping kantonrechter). In de allonge wordt dus alleen de termijn aangepast, en verder niks. De formulering in de allonge versterkt de uitleg van de overeenkomst uit 2000 dat na de verlengde termijn (van aanvankelijk 10 jaar en in de alonge aangepast naar 5 jaar en 16 weken) alleen de huurder (met inachtneming van een opzegtermijn van een jaar) kan opzeggen. 4.7. [gedaagde] heeft opgemerkt dat zij bij de huur van bedrijfsterreinen heel vaak eenzijdig opzegmogelijkheden opneemt voor haar als huurder. Zij wijst erop dat in onderhavig geval dit mede in het belang van Essity was. Essity had er namelijk (totdat zij zelf eigenaar en verhuurder werd) alle belang bij dat de verhuurder de overeenkomst met [gedaagde] niet zelf kon opzeggen omdat dit de uitvoering van de dienstverleningscontracten in gevaar zou brengen. Met betrekking tot het huurobject uit 2012 heeft [gedaagde] opgemerkt dat dit slechts een kleiner stuk grond betrof en zij minder behoefte voelde om haar aanspraak daarop na ommekomst van de huurtermijn te verzekeren. Zelfs in het kader van het onderhavige dispuut was [gedaagde] bereid om (los van haar gestelde aanspraak op basis van de huurovereenkomst van 2018) dat huurobject en de bijbehorende dienstverlening aan Essity te laten. De huurovereenkomst 2018 4.8. Hierboven is vrij uitvoerig ingegaan op het gebrek aan opzegbaarheid van de huurovereenkomst 2000 door [verhuurder] als verhuurder. Het belang daarvan is dat zelfs los van de gestelde nieuwe overeenkomst in 2018, er slechts over een beperkt deel van het gehuurde (het RM-terrein) opzegbevoegdheid was door de verhuurder. Daarmee kan worden vastgesteld dat de huurovereenkomst 2018 geen trendbreuk vormde met de eerder gesloten overeenkomst 2000 inclusief allonge 2012. De opmerking van [verhuurder] dat hij nooit zou hebben ingestemd met een niet door hem opzegbare overeenkomst (verweer sub d), is daarmee in strijd, nu ook in de huurovereenkomst van 2000 die opzegbevoegdheid aan zijn zijde ontbrak. 4.9. Voor wat betreft de vraag of een huurovereenkomst 2018 daadwerkelijk tot stand is gekomen, ziet de kantonrechter geen reden om daaraan te twijfelen. De in oktober 2018 door [verhuurder] ondertekende en van parafen voorziene versie was al in mei 2018 aan hem toegezonden. Het niet-aanbrengen daarop van een dagtekening is onvoldoende bewijs om aan te nemen dat hij de inhoud van het aangeboden concept niet (onvoorwaardelijk) wilde aanvaarden. In de tekst noch in een begeleidend schrijven heeft [verhuurder] enig voorbehoud verbonden aan zijn instemming. Temeer omdat dit contract in lijn lag met het eerdere contract 2000, hoefde [gedaagde] niet te verwachten dat er iets schortte aan de instemming van [verhuurder] . 4.10. Voor zover [verhuurder] zou hebben gedwaald over de inhoud en strekking van de door hem ondertekende overeenkomst en Essity hier een beroep op doet, zou een dwaling niet verschoonbaar zijn. Als ervaren ondernemer mag [verhuurder] geacht worden voorstellen tot contracten te lezen en zich ervan bewust te zijn dat als hij elke bladzijde parafeert en het laatste blad ondertekent, dat als een aanvaarding wordt opgevat. Als [verhuurder] uit de mail van 22 oktober 2018 afleidt dat de aan hem gevraagde handtekening alleen maar voor de vorm was, kan de kantonrechter dit er niet in lezen. In die mail wordt namelijk gesproken over ‘het definitieve huurcontract’. Daarin zou alleen gewijzigd zijn (ten opzichte van het hem in mei 2018 verzonden document) dat Essity niet wilde mee tekenen. Het verzoek dit te tekenen kan niet anders worden opgevat dan de wens om dit contract als blijk van instemming formeel te bekrachtigen. 4.11. Nu Essity geen andere feiten of omstandigheden noemt waarop [verhuurder] zijn veronderstelling van een niet reële ondertekening / aanvaarding baseert, ziet de kantonrechter geen aanleiding om Essity tot bewijslevering daarover toe te laten. De opschortende voorwaarde 4.12. Essity stelt dat de in art. 11.5 van de huurovereenkomst 2018 opgenomen opschortende voorwaarde niet is vervuld. In dat artikellid is opgenomen dat de ‘onderhavige overeenkomst wordt aangegaan onder de opschortende voorwaarde van totstandkoming van een (nieuwe) overeenkomst van logistieke dienstverlening tussen huurder en Essity’. Essity ziet de ondertekening van de RM- en FG-contracten in juni 2021 (bijlagen 1,16 en 1,17) niet als zodanig. [gedaagde] betwist dit en wijst erop dat de tekst van die ondertekende overeenkomsten al medio 2018 tussen partijen vaststond en er daarna niet veel aan is gewijzigd. Dit verklaart voor [gedaagde] ook dat daarin nog verwezen wordt naar de huurovereenkomsten van 2000 en 2012. 4.13. De kantonrechter ziet niet in waarom de in juni 2021 getekende contracten niet als de in de huurovereenkomst genoemde ‘(nieuwe) overeenkomst van logistieke dienstverlening’ kunnen worden aangemerkt. Voor het vervullen van die voorwaarde is niet bepalend of het intreden daarvan aan de wederpartij is medegedeeld. De bedoeling van partijen 4.14. Essity lijkt er tot slot een beroep op te doen dat partijen steeds de bedoeling hadden om de huurovereenkomsten te koppelen aan de door [gedaagde] aan Essity te leveren dienstverlening. Het is niet duidelijk welke gevolgtrekking Essity hieraan verbindt. De kantonrechter merkt er het volgende over op. 4.15. [gedaagde] heeft er met juistheid op gewezen dat aan Essity diverse wegen openstonden om haar belang bij beschikbaarheid van het naast haar gelegen terrein zeker te stellen. [gedaagde] heeft genoemd dat Essity het terrein van aanvang af zelf had kunnen huren en aan haar had kunnen onderhuren. Een andere mogelijkheid zou bijvoorbeeld zijn geweest om in de RM- en FG-contracten of in een afzonderlijke overeenkomst te bedingen dat [gedaagde] haar huurrecht aan Essity zou overdragen of prijs zou geven op het moment dat de samenwerking tussen [gedaagde] en Essity werd beëindigd. De kantonrechter noemt deze laatste mogelijkheid om aan te geven dat Essity, zelfs als ze buiten de huurrelatie zelf wilde blijven, mogelijkheden had om haar belang op dit punt veilig te stellen. 4.16. Aanvankelijk lijkt het erop dat de belangrijkste reden voor [gedaagde] om van [verhuurder] te huren, was om de dienstverlening voor Essity uit te voeren. De huurtermijnen werden in de eerste contracten gelijk getrokken met de duur van de dienstverleningscontracten, ogenschijnlijk in belang van [gedaagde] om te voorkomen dat als de dienstverlening voor Essity zou eindigen, zij niet langer met de loods(
  3. en)opgescheept zou zitten. Deze benadering is kennelijk rond 2018 gewijzigd in die zin dat [gedaagde] deze loodsen nu zo waardevol vindt dat ze die ook wel zonder contracten met Essity kan inzetten. Tevens kan vastgesteld worden dat Essity door de ontstane rechtsrelatie afhankelijk is geworden van [gedaagde] doordat zij alleen tegen hele hoge kosten (een verhuizing of handling op grotere afstand) van [gedaagde] als dienstverlener ‘verlost’ kan worden. 4.17. Het vorenstaande mag juist zijn, maar is de consequentie van de wijze waarop partijen hun rechtsverhouding hebben ingericht. Het wegvallen van een oorspronkelijke bedoeling aan een gesloten overeenkomst is geen zelfstandige grondslag tot beëindiging van die overeenkomst. De vorderingen 4.18. De gevorderde verklaringen voor recht dat er aan [gedaagde] verhuurd wordt op basis van de huurovereenkomsten van 2000 en 2012 en dat Essity die huurovereenkomsten rechtsgeldig heeft opgezegd (primair a-d), worden afgewezen nu die overeenkomsten zijn vervangen door die van 2018. Ook de gevorderde verklaring voor recht dat de huurovereenkomst uit 2018 tussen Essity en [gedaagde] niet geldt doordat de opschortende voorwaarde niet is ingegaan (primair sub e), wordt afgewezen om reden als hierboven onder dat onderwerp is vermeld. De gevorderde verklaring voor recht dat Essity de huurovereenkomst 2018 rechtsgeldig heeft opgezegd (subsidiair sub
  4. f)wordt ook afgewezen, nu die opzegging niet in het contract is voorzien en ook niet anderszins is te rechtvaardigen. Daarmee worden de vorderingen van Essity integraal afgewezen. 4.19. Essity zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden tot de door [gedaagde] gevorderde proceskosten en nakosten van [gedaagde] alsmede de wettelijke rente daarover bij niet voldoening. De proceskosten bestaan uit het salaris gemachtigde. Het standaardtarief per proceshandeling voor vorderingen van onbepaalde waarde is variabel (75-997 euro) en zal in deze zaak gelet op de complexiteit worden vastgesteld op 900 euro. Omdat het aantal proceshandelingen op 2 is te stellen (conclusie van antwoord en mondelinge behandeling), zal de proceskostenvergoeding worden bepaald op 1.800 euro. De mogelijke nakosten worden overeenkomstig de richtlijnen daarvoor bepaald op 124 euro. 5Beslissing De kantonrechter 5.1. wijst af het gevorderde, 5.2. veroordeelt Essity tot betaling aan [gedaagde] van € 1.800,00 aan proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na dit vonnis tot aan de dag van voldoening, 5.3. veroordeelt Essity onder de voorwaarde dat deze niet binnen twee weken na aanschrijving door [gedaagde] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op: - € 124,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag der voldoening, - te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag der voldoening, 5.4. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proces- en nakosten uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. Dethmers en in het openbaar uitgesproken. type: HD

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.