vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer: C/03/314208 / KG ZA 23-40 Vonnis in kort geding van 23 februari 2023 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats 1] , eiseres, advocaat mr. L.N. Hermans te Kerkrade (toevoeging aangevraagd), tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde, advocaat mr. J.G. van Ek te Heerlen. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 7 februari 2023 met de producties 1 t/m 3 en twee ongenummerde bijlagen, de conclusie van antwoord van 8 februari 2023, de mondelinge behandeling in kort geding. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Gedaagde is eigenaar van de woning aan de [adres] te [woonplaats 1] (hierna: “de woning”). Het recht van eigendom is ingeschreven in het Kadaster op 30 december 2020. Eiseres verblijft in de woning sedert 2015. Eiseres huurde de woning vanaf 2015 van de rechtsvoorganger van gedaagde en, nadat gedaagde eigenaar werd van de woning, van gedaagde. 2.2. Gedaagde heeft eiseres bij dagvaarding van 26 september 2022 in rechte betrokken en in een procedure bij de kantonrechter van deze rechtbank (zaaknr. 10126972 CV / EXPL 22-4280) - kort gezegd - ontbinding van de huurovereenkomst met eiseres, ontruiming van de woning door eiseres en betaling van de huurachterstand en een gebruikersvergoeding door eiseres gevorderd. Eiseres heeft bij conclusie van antwoord en op de mondelinge behandeling van 20 januari 2023 verweer gevoerd. 2.3. De kantonrechter heeft op 23 januari 2023, bij vonnis met zaaknummer 10126972 CV / EXPL 22-4280 en dagtekening 23 januari 2022 (productie 1, dagvaarding) (hierna: “het vonnis van de kantonrechter”), als volgt beslist: 5.1. ontbindt de bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde, staande en gelegen te [woonplaats 1] aan de [adres] , 5.2. veroordeelt gedaagde partij, om binnen twee weken na betekening van dit vonnis het gehuurde met personen en zaken te ontruimen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van eisende partij te stellen, 5.3. veroordeelt gedaagde partij voorts om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de somma van € 6.050,00, 5.4. veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een vergoeding gelijk aan de huurprijs van € 550,00 voor elke ingegane maand met ingang van 1 oktober 2022 tot en met de maand waarin gedaagde partij het gehuurde heeft ontruimd, 5.5. veroordeelt gedaagde partij voorts in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 993,42, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien gedaagde partij deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald. 5.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.7. wijst het meer of anders gevorderde af. 2.4. De gemachtigde van eiseres heeft bij de kantonrechter op 6 februari 2023 een verzoek ex artikel 31 Rv (herstel kennelijke schrijffout) ingediend (bijlage, dagvaarding). In het verzoek is te lezen dat in plaats van de datum 25 januari 2023, 25 januari 2022 als vonnisdatum in het vonnis van de kantonrechter staat vermeld. Ook de gemachtigde van gedaagde heeft herstel van die kennelijke verschrijving gevraagd. 3Het geschil 3.1.1. Eiseres stelt dat, indien gedaagde tot de executie van het vonnis van de kantonrechter overgaat, zij met haar twee kinderen (een jongen van 8 en meisje van 11 jaar) op straat komt te staan, zonder dat zij op korte termijn over een nieuwe huurwoning kan beschikken. Er ontstaat in dat geval een noodsituatie voor haar en haar kinderen. De kinderen kunnen niet meer naar hun school en zullen hun sociale contacten verliezen. Voor eiseres dreigt verlies van baan, verlies van haar aanvullende uitkering - bij gebreke van een vast woonadres - en verlies van haar kinderen. Aldus eiseres op de mondelinge behandeling in kort geding. Dit terwijl naar de stelling van eiseres het vonnis van de kantonrechter onjuistheden bevat en in hoger beroep geen stand zal houden. Eiseres stelt dat zij dan ook een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de door haar gevorderde voorziening. Zij wil in de woning aan de [adres] blijven wonen en betaalt sinds oktober 2022 ook weer maandelijks de huur, aldus eiseres op de mondelinge behandeling in kort geding. 3.1.2. Eiseres stelt dat zij in hoger beroep zal gaan van het vonnis van de kantonrechter en dat het Gerechtshof in hoger beroep de beslissing van de kantonrechter zal vernietigen gelet op (de hierna onder rechtsoverweging 4.5 opgesomde) kennelijke misslagen van de kantonrechter. Gedaagde maakt misbruik van zijn recht tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter, indien hij zonder de uitkomst van het hoger beroep af te wachten overgaat tot de executie van dat vonnis. 3.1.3. Eiseres vordert gelet op het bovenstaande samengevat - bij vonnis in kort geding, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair gedaagde te verbieden om het vonnis van deze rechtbank met zaaknummer 10126972 CV / EXPL 22-4280, gewezen op 25 januari 2023, ten uitvoer te doen leggen, subsidiair gedaagde te bevelen de executie van dat vonnis, met name wat betreft de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het pand te [woonplaats 1] aan de [adres] voorlopig te staken en gestaakt te houden totdat het Gerechtshof uitspraak doet in hoger beroep, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom, méér subsidiair de termijn voor ontruiming op te schorten, kosten rechtens. 3.2.1. Gedaagde betwist dat eiseres een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de vorderingen. Door de kennelijke schrijffout in het vonnis van de kantonrechter (zie rov. 2.5) is dat vonnis immers nog niet door de deurwaarder aan eiseres betekend en is nog geen ontruiming door de deurwaarder aangezegd. Eiseres dient gelet hierop, bij gebreke van een voldoende spoedeisend belang, niet ontvankelijk in haar vorderingen te worden verklaard. Gedaagde voert voorts aan dat, ook doordat eiseres de gestelde noodtoestand niet heeft onderbouwd en ook niet nader op de mondelinge behandeling in kort geding heeft toegelicht, niet gebleken is van een spoedeisend belang. 3.2.2. Gedaagde voert verder - samengevat - aan dat de beslissing van de kantonrechter in de zaak met zaaknummer 10126972 CV / EXPL 22-4280 rechtens juist is. Na verbetering van de kennelijke schrijffout in het vonnis van de kantonrechter zal gedaagde dan ook overgaan tot de executie ervan. Temeer nu, zoals gedaagde op de mondelinge behandeling in kort geding - samengevat - aanvoert, eiseres de door de kantonrechter vastgestelde huurachterstand niet (deels) heeft voldaan en zij daarover evenmin contact met gedaagde heeft opgenomen, terwijl gedaagde (over de verschuldigde huurperiode) wel de hypotheeklasten van de woning heeft moeten voldoen. Er moet dan ook een einddatum zijn waarop eiseres de woning ontruimd, aldus gedaagde op de mondelinge behandeling in kort geding. 3.3. Op de stellingen en weren van partijen wordt hierna, voor zover nog van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling Spoedeisend belang 4.1. Eiseres heeft haar spoedeisend belang voldoende aannemelijk gemaakt. Gedaagde is de procedure in de zaak 10126972 CV / EXPL 22-4280 bij de kantonrechter gestart met onder andere als doel een veroordeling tot ontruiming van de door eiseres gehuurde woning te verkrijgen. Gelet op de mededelingen van gedaagde op de mondelinge behandeling in kort geding (rov. 3.2.1) mag ook aangenomen worden dat gedaagde ontruiming op korte termijn zal willen afdwingen. Het enkele feit dat het vonnis nu nog niet is betekend en dus de ontruiming ook nog niet tegen een concrete datum is aangezegd, maakt dat niet anders. Toetsingskader 4.2. De partij ten laste van wie de tenuitvoerlegging van een uitgesproken veroordeling dreigt of wordt aangevangen kan een executiegeschil aanhangig maken bij de voorzieningenrechter en daarbij vorderen dat de tenuitvoerlegging wordt verboden of geschorst (art. 438 lid 2 Rv). De ruimte voor een executiegeschil is beperkt. Het executiegeschil mag niet worden gebruikt om het inhoudelijk debat ten aanzien van de hoofdzaak te heropenen. Daarvoor dienen, als het vonnis nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, de gewone rechtsmiddelen. 4.3. Uit onder andere HR 20-12-2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, NJ 2020/425 en HR 24-04-2020, ECLI:NL:HR:2020:806, NJ 2020/426 volgt dat ten aanzien van de gevallen waarin wordt gevorderd de executie van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak op te schorten terwijl de te executeren uitspraak nog niet onherroepelijk is, het volgende geldt: a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen of bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen - ongeacht of deze vaststellingen en oordelen zijn gegeven in een tussenuitspraak of in een einduitspraak, in de overwegingen of in het dictum van de uitspraak - en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.