RECHTBANK LIMBURG Bestuursrecht zaaknummer: ROE 23/311 uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 februari 2023 in de zaak tussen [Naam 1], verzoeker, en [naam 2], verzoekster, uit [plaatsnaam], samen ook verzoekers (gemachtigde: mr. E.G.W. Hendriks), en de burgemeester van de gemeente Brunssum (gemachtigde: mr. S. Vissers). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen het besluit van de burgemeester van 16 januari 2023 waarbij aan verzoekers op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een last onder bestuursdwang is opgelegd in de vorm van sluiting van het pand aan het adres [straatnaam] [huisnr.], kadastraal bekend als perceel [*], te [plaatsnaam] (het pand) voor zes maanden. 1.1. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben vervolgens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 1.2. De burgemeester heeft bericht dat zal worden gewacht met de sluiting totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist. 1.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van de burgemeester. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Waar gaat deze zaak over? 3. Het gaat in deze zaak om sluiting van een bedrijfswoning op het [bedrijventerrein *]. Tevens is op dit adres het bedrijf van verzoeker gevestigd, [bedrijfsnaam] (een eenmanszaak). Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet maakt het mogelijk om – kort gezegd – een woning en/of een lokaal te sluiten indien vanuit die woning en/of het lokaal hard- of softdrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. 3.1. Uit de (aanvullende) rapportages van de politie van 18 augustus 2022 en van 21 december 2022 blijkt – kort weergegeven en voor zover relevant – het volgende. De dochter van verzoekers, [naam 3] ([naam 3]), wordt sinds juli 2021 in verband gebracht met bezit/handel van verdovende middelen. In dat verband is zij al meerdere keren aangehouden. Naar aanleiding van anonieme meldingen is het beeld bij de politie ontstaan dat [naam 3] vanuit het pand op bestelling verdovende middelen verhandelde. De politie stelde op 28 juli 2022 vast dat [naam 3] zich als bijrijdster van een witte Volkswagen polo vanaf het pand verplaatste naar de parkeerplaats aan de Duikerweg te Schinveld. Geconstateerd werd dat [naam 3] een overdracht van verdovende middelen uitvoerde, waarna zij op heterdaad werd aangehouden. Vlak voor haar aanhouding heeft [naam 3], naar bleek naar haar moeder (verzoekster), een bericht verstuurd via haar mobiele telefoon met de tekst: “Woute; Eeeey, Reageer; Fix t; Aub.” De politie verrichtte vervolgens een doorzoeking in het pand. In de kelder van het pand werd in een kluis een contant geldbedrag van € 40.005,00 aangetroffen. In de slaapkamer van verzoekers werd een bedrag van € 500,00 aangetroffen. In de kelder werd ook een tafel aangetroffen, voorzien van twee lades, waarop/in overal hennepresten lagen. Verder stond er een sealapparaat waarop hennepresten werden aangetroffen. Daarnaast werd in een bedrijfsvoertuig op naam van verzoeker onder meer (en na getest te zijn) het volgende aangetroffen: een sealbag pillen (MDMA) 21,6 gram, een sealbag met 191,5 gram hasj en een sealbag met 418,8 gram hennep. Uit de door de politie in beslag genomen videobeelden komt verder naar voren dat, nadat [naam 3] het whatsapp bericht heeft verstuurd aan haar moeder, verzoekers druk heen en weer beginnen te lopen met diverse tassen en dozen vanuit het pand in de richting van de voertuigen aan de achterzijde. Verzoeker loopt met een gele tas en doorzichtige doos naar zijn bedrijfsbus, waarin daarna de verdovende middelen worden aangetroffen. Gelet op deze gang van zaken vindt de politie het aannemelijk dat de verdovende middelen zich in het pand bevonden en verplaatst zijn naar de bedrijfsauto van verzoeker. 3.2. Verder heeft de politie in een metalen tuinhuis op het erf 4x10 liter, 7x5 liter en 19x2 liter deels gevulde gasflessen aangetroffen, die kunnen worden gelinkt aan lachgas. Gelet op de totale hoeveelheid (103 liter) merkt de burgemeester dit, mede gelet op de aangetroffen hoeveelheid drugs, aan als een gevaarlijke en onwenselijke situatie. 3.3. Bij brief van 25 augustus 2022 heeft de burgemeester verzoekers, als gebruikers en eigenaar (verzoekster) van het pand, in kennis gesteld van het voornemen het pand voor twaalf maanden te sluiten. Verzoekers hebben op 31 augustus 2022 een zienswijze ingediend. Ook daarna is nog per mail gecorrespondeerd over het sluitingsvoornemen. 4. Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester besloten het pand – in afwijking van het voornemen – voor zes maanden te sluiten. Wat vragen verzoekers de voorzieningenrechter? 5. Verzoekers vragen een voorlopige voorziening die inhoudt dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat het pand niet wordt gesloten in afwachting van de beslissing van de burgemeester op het bezwaar. Zij betwisten de bevoegdheid en de noodzaak tot sluiting van het pand, waarin zij wonen met hun zoon en waar ook het bedrijf van verzoeker is gevestigd. Van handel vanuit het pand is volgens hen geen sprake. Verzoekers weten enkel dat er een onderzoek naar hun dochter gaande is, maar wisten zelf niet van de aanwezigheid van de aangetroffen middelen. Ook blijkt nergens uit dat hun dochter vanuit de woning zou handelen in verdovende middelen. Aan de whatsapp-berichten wordt volgens verzoekers een verkeerde conclusie verbonden. Over de in de kelder aangetroffen hennepresten merken verzoekers op dat deze resten niet (positief) zijn getest op hennep. Overigens is dat dan voor eigen gebruik: hun dochter mocht in de kelder op afgesproken momenten hennep roken. Voorts betreft het aangetroffen apparaatje, in tegenstelling tot wat uit het dossier naar voren komt, een sigarettenvuller/hulzenstopper. Daarnaast wordt het aangetroffen geld ten onrechte in verband gebracht met de verdovende middelen. Het geldbedrag van € 40.500,- in de kluis betreft het kasgeld van de onderneming van verzoeker. Het bedrag van € 500,- in de slaapkamer van verzoekers is het huishoudgeld van verzoekster. Over de gasflessen betogen verzoekers dat deze leeg waren en dat de totale inhoud binnen de gestelde norm van 125 liter valt, zodat van een gevaarlijke situatie geen sprake is geweest. Van de aanwezigheid van een handelshoeveelheid soft- en / of harddrugs in het pand of op het perceel van verzoekers is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat de in de bedrijfsauto aangetroffen middelen aan verzoekers toebehoren. Verzoekers betwisten dat de drugs vlak voor de doorzoeking vanuit het pand in de bedrijfsauto geplaatst zijn. Verzoeker heeft enkel verpakkingen (zakken en dozen met afval) die hij op de openbare weg in de nabijheid van zijn perceel heeft aangetroffen in het voertuig gedeponeerd om deze af te voeren als grof vuil: hij wist niet wat de inhoud van de aangetroffen verpakkingen was. Over de door de politie in beslag genomen videobeelden stellen verzoekers dat zij hiermee niet bekend zijn en waarschijnlijk, zonder hun toestemming, afkomstig zijn van een camera van de buren gericht op het pand. Verzoekers zijn daardoor in hun privacy geschaad. Zij vinden dat deze beelden onrechtmatig zijn verkregen en dus niet gebruikt mogen worden. Verzoekers betogen verder dat sprake is van strijd met het beginsel van proportionaliteit en subsidiariteit. De sluiting van het pand zou volgens hen kunnen leiden tot een faillissement van het bedrijf van verzoeker. Daarnaast zou verzoekster wellicht haar baan kunnen kwijtraken. Verder zou de sluiting betekenen dat verzoekster de koopovereenkomst van het pand niet meer kan ontbinden dan wel het pand niet meer zou kunnen verkopen. Ook is er een inwonende zoon die studeert aan het MBO. Hij vindt het verschrikkelijk om zijn huis en kamer te moeten verlaten terwijl hij hier buiten staat. Verzoekers vinden het van belang dat hij zijn studie in alle rust kan afronden. Een sluiting van het pand zal voor hen dan ook desastreuze gevolgen hebben en een alternatieve maatregel is niet in overweging genomen. Verzoekers zijn van mening dat hen geen verwijt kan gemaakt worden, omdat zij niet verantwoordelijk zijn voor de daden van hun dochter. Zij woont overigens inmiddels niet meer in het pand. De burgemeester is van de problematiek met hun dochter op de hoogte omdat verzoekers in het verleden meermaals hulp gezocht hebben bij verschillende instanties, waaronder de gemeente. Verzoekers vinden dat zij door de gemeente worden afgestraft, omdat de hulpverlening destijds niet is geslaagd. Wat moet de voorzieningenrechter beoordelen? 6. In artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, de rechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan de formele vereisten is voldaan, nu verzoekers bezwaar hebben gemaakt tegen het besluit tot sluiting en de bestuursrechter bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat het spoedeisend belang bij dit verzoek voldoende is aangetoond: verzoekers moeten immers op korte termijn het pand voor zes maanden verlaten door de sluiting. Wat vindt de voorzieningenrechter? Beoordelingskader 8. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd een last onder bestuursdwang op te leggen als in een woning een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) of II (softdrugs) wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. 9. Ter uitvoering van deze bevoegdheid heeft verweerder de ‘Beleidsregels wet Damocles en wet Victoria Brunssum 2020’ vastgesteld (het Damoclesbeleid). Op basis van het Damoclesbeleid kan de burgemeester overgaan tot sluiting van de woning en/of bijbehorend erf, indien sprake is van de aanwezigheid van een handelshoeveelheid soft- en/of harddrugs. Daarnaast kunnen andere omstandigheden een rol spelen bij de ernst van de situatie. Op grond van artikel 5 van het Damoclesbeleid wordt de duur van de sluiting bij een eerste constatering van een overtreding als volgt bepaald: bij harddrugs wordt een lokaal voor de periode van twaalf maanden gesloten en een woning voor de duur van zes maanden, en bij softdrugs bedraagt de sluitingsduur voor een lokaal zes maanden en voor een woning drie maanden. 10. Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt de burgemeester overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) al vaker heeft overwogen moet de burgemeester daarbij alle omstandigheden van het geval betrekken, ongeacht of die in de beleidsregel zijn verdisconteerd. Daarbij moet worden bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. De voorzieningenrechter neemt daarbij in de eerste plaats de overzichtsuitspraak van de Afdeling in acht. Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting van het pand over te gaan? 11. De hoogste bestuursrechter in dit soort zaken heeft al vaker overwogen dat een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram en een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram of vijf hennepplanten als hoeveelheid voor eigen gebruik kan worden aangemerkt. Bij een grotere hoeveelheid drugs dan dat mag worden aangenomen dat het niet (alleen) voor eigen gebruik is, maar deels of geheel voor verkoop, aflevering of verstrekking aan derden. Het ligt in dat geval op de weg van een betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. Deze lijn heeft de Afdeling in de uitspraak van 22 juni 2022 nog bevestigd. 12. Vast staat dat in de bedrijfsauto van verzoeker onder andere een sealbag pillen (MDMA) van 21,6 gram, een sealbag met 191,5 gram hasj, een sealbag met 418,8 gram hennep en verpakkingsmateriaal voor de handel in verdovende middelen zijn aangetroffen. Tevens staat vast dat [naam 3] (de dochter) ten tijde van het aantreffen van de verdovende middelen nog op het adres van verzoekers stond ingeschreven en in het pand woonde. Uit de aanvullende bestuurlijke rapportage (van 21 december 2022) komt verder naar voren dat het sterke vermoeden bestond dat [naam 3] nog actief was in de handel van verdovende middelen en dat er een aantal anonieme meldingen zijn binnengekomen bij de wijkagent van Brunssum-Noord waaruit het beeld naar voren kwam dat [naam 3] vanuit het pand op bestelling verdovende middelen verhandelde. Vervolgens heeft de politie op 28 juli 2022 waargenomen dat [naam 3] zich als bijrijdster in een witte Volkswagen Polo vanuit het pand verplaatste naar een parkeerplaats in Schinveld. De politie heeft vervolgens geconstateerd dat [naam 3] een overdracht van verdovende middelen uitvoerde en vlak voor haar aanhouding whatsapp-berichten naar verzoekster stuurde. Naar aanleiding hiervan heeft de politie het pand doorzocht waarbij in de kelder onder meer een sealapparaat werd aangetroffen en op een tafel, op de grond daaromheen en in de lades van de tafel hennepresten werden aangetroffen. 13. Uit de door de politie verkregen camerabeelden (waarvan enkele stills in het dossier zitten) blijkt volgens de politie voorts dat verzoekers vrijwel direct na de berichten druk heen en weer beginnen te lopen vanuit het pand met diverse tassen en dozen naar de voertuigen aan de achterzijde nadat [naam 3] (vlak voordat ze op heterdaad werd aangehouden) whatsapp-berichten naar verzoekster stuurde met de tekst ‘Woute; Eeey; Reageer; Fix t: Aub’. Uit de stills van de camerabeelden blijkt dat verzoeker buiten loopt met een gele tas op een doorzichtige doos en met een doos met een zwarte zak, die vervolgens in de bedrijfsauto blijken te staan en waarin de verdovende middelen worden aangetroffen. 14. Gelet op deze feiten en gang van zaken vindt de voorzieningenrechter het net als de burgemeester aannemelijk dat verzoekers de in de bedrijfsauto aangetroffen verdovende middelen vanuit het pand verplaatst hebben naar de bedrijfsauto. De voorzieningenrechter heeft in dat verband overigens geen reden te twijfelen aan de constatering van de politie dat op en rondom de tafel hennepresten zijn aangetroffen en dat er een sealapparaat (met daarop hennepresten) stond dat kan worden gebruikt om sealzakjes te vullen met verdovende middelen. Die constatering sluit bovendien aan bij wat in de bedrijfsauto is aangetroffen, namelijk verpakkingsmateriaal (gevulde en ongevulde sealzakjes) en hennep. De verder niet onderbouwde stellingen van verzoekers dat hun dochter in de kelder wel eens hennep rookte en dat het geen sealapparaat was, leiden niet tot een ander oordeel hierover. 15. Dat de politie de camerabeelden niet mag gebruiken omdat deze onrechtmatig zouden zijn verkregen, deelt de voorzieningenrechter niet. Voor zover in dit geval al sprake zou zijn van bewijs dat in strafrechtelijke zin onrechtmatig is verkregen, betekent dit niet dat het gebruik van dat bewijs in een bestuursrechtelijke procedure niet zou zijn toegestaan. Er bestaat geen rechtsregel die ieder gebruik verbiedt van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs. In het bestuursrecht is zodanig bewijs slechts dan niet toegestaan, indien het is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Dit is de voorzieningenrechter niet gebleken. In dat verband overweegt de voorzieningenrechter dat de camerabeelden kennelijk zijn gemaakt door een camera die bij de loods op het perceel van de achterburen is bevestigd. De burgemeester heeft ter zitting toegelicht dat de politie aan de achterburen heeft gevraagd of zij de beelden mocht hebben en die toestemming heeft de politie gekregen. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de camerabeelden niet op een zodanige manier zijn verkregen dat deze niet als bewijs kunnen worden gebruikt in deze bestuursrechtelijke procedure over de sluiting van het pand. Dat verzoekers zich in hun privacy aangetast voelen en geen goede verstandhouding hebben met de achterburen, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook dat het niet ongebruikelijk is dat op een bedrijventerrein camera’s worden bevestigd (ter beveiliging) en dat de beelden in dit geval gaan over verzoeker die buiten loopt naar zijn bedrijfsauto die op het perceel van de loods van de achterburen staat. 16. De voorzieningenrechter vindt het verder niet aannemelijk dat verzoeker (zoals hij heeft verklaard) deze spullen langs de weg (vlak bij het pand) heeft aangetroffen en deze spullen, waarvan hij overigens niet wist wat erin zat, naar het grof vuil wilde brengen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat op de stills van de camerabeelden duidelijk te zien is dat verzoeker buiten loopt met de gele tas op de doorzichtige doos en een doos met een zwarte zak, waarin later de verdovende middelen en het verpakkingsmateriaal aangetroffen zijn. Daarbij wijst de voorzieningenrechter ook op wat hiervoor is overwogen over het verplaatsen van die spullen van het pand naar de bedrijfsauto. Verder blijkt uit de (foto’s bij
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.