RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Burgerlijk recht Zaaknummer 10307933 CV XPL 23-344 Vonnis van de kantonrechter van 8 maart 2023 in het kort geding van 1 [eiseres sub 1]
- [eiser sub 2], wonend in [woonplaats 1] , aan de [adres 1] , eisende partij, gemachtigde mr. R.C. Breuls tegen [gedaagde] , wonend in [woonplaats 2] aan de [adres 2] , gedaadge partij, gemachtigde mr. L.N. Hermans. Partijen worden hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: het exploot van dagvaarding d.d. 13 februari 2023 de mondelinge behandeling ter zitting van 6 maart
- 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- [gedaagde] huurt sinds 1 juli 2022 van [eisers] de woning (appartement) in [woonplaats 2] aan de [adres 2] (verder te noemen: het gehuurde) tegen een bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs van € 860,00 (waarvan € 110,00 als voorschot op de overeengekomen servicekosten). 2.
- [gedaagde] heeft de huur vanaf oktober 2022 geheel onbetaald gelaten. 3De vordering 3.
- Op grond van een betalingsachterstand vordert [eisers] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad -:
- de veroordeling van [gedaagde] om het gehuurde binnen drie dagen na betekening van dit vonnis met al het hare en de haren te verlaten en te ontruimen en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eisers] te stellen;
- de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van: a. € 3.440,00 ten titel van huurachterstand, te vermeerderen met € 860,00 per ingegane maand dat [gedaagde] na 1 februari 2023 niet aan de veroordeling onder
- voldoet; b. de wettelijke rente over het onder a. gevorderde; c. een vergoeding van buitengerechtelijke kosten ad € 516,00; een en ander onder verwijzing van [gedaagde] in de proceskosten. 3.
- Ter zitting heeft [gedaagde] te kennen gegeven dat zij het gehuurde reeds drie weken geleden heeft verlaten en dat het gehuurde thans leeg is. Daarnaast heeft zij verklaard dat sprake is (geweest) van onder meer een defecte verwarming, heeft zij gewag gemaakt van meerdere schendingen van haar privacy door [eisers] en heeft zij verklaard dat de elektriciteit en water in het gehuurde afgesloten zijn (geweest). 4De beoordeling 4.
- Het gestelde spoedeisende belang is op zichzelf niet betwist en wordt aannemelijk geacht. 4.
- Om een voorziening te kunnen treffen als gevorderd, dient met een redelijke mate van zekerheid aangenomen te kunnen worden dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat deze - of een vergelijkbare - vordering zal slagen. Bij deze beoordeling kan dus slechts een voorlopig oordeel worden gegeven en die beoordeling moet geschieden op basis van hetgeen in deze korte procedure naar voren is gebracht en aannemelijk is gemaakt. 4.
- De door [eisers] gestelde huurachterstand sec is door [gedaagde] onbetwist gelaten en staat daarmee in deze procedure tussen partijen vast. Op grond daarvan, in samenhang met de verklaring van [gedaagde] ter zitting, inhoudend dat zij het gehuurde reeds drie weken geleden heeft verlaten, is de gevorderde ontruiming in kort geding zonder meer toewijsbaar. 4.
- De veroordeling tot betaling van de onbetaalde huur tot aan de dag van ontruiming (door [eisers] ten onrechte ook als ‘schadevergoeding’ aangemerkt) is eveneens toewijsbaar, inclusief de daarover gevorderde wettelijke rente vanaf de respectieve datums van verzuim tot aan de dag van voldoening. Het eerst ter zitting aangevoerde verweer van [gedaagde] is door [eisers] betwist en is door [gedaagde] op geen enkele wijze nader onderbouwd, zodat daaraan voorbijgegaan dient te worden. 4.
- Ten slotte dient de toewijsbaarheid van de gevorderde veroordeling tot betaling van een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten te worden beoordeeld. Daarvoor zou dan voldaan dienen te zijn aan alle vereisten als genoemd in art. 6:96 lid 6 BW. Gesteld noch gebleken is dat een aanmaning conform laatstgenoemd artikellid is verstuurd. De gevorderde vergoeding zal derhalve worden afgewezen. 4.
- [gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot de datum van dit vonnis begroot op € 1.167,67, bestaande uit € 793,00 aan salaris gemachtigde, € 244,00 aan griffierecht en € 130,67 aan explootkosten.
- De beslissing De kantonrechter 5.
- veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde binnen drie dagen na betekening van dit vonnis met al het hare en de haren te verlaten en te ontruimen en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eisers] te stellen; 5.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] € 3.440,00 te betalen alsmede € 860,00 per ingegane maand dat [gedaagde] na 1 februari 2023 niet aan de veroordeling onder 5.
- voldoet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve datums van verzuim van de huurbetalingen tot aan de dag van voldoening; 5.
- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot de datum van dit vonnis begroot op € 1.167,67; 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en is in het openbaar uitgesproken. RK
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.