RECHTbANK Limburg Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/866020-20 OWV Tegenspraak Uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 22 maart 2023 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1984, wonende te [adres] , hierna te noemen: [verdachte] . [verdachte] wordt bijgestaan door mr. J.P. Plasman, advocaat, kantoorhoudende te Amsterdam. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 8 maart
- [verdachte] en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met - gevoegde - parketnummers 03/720987-18 en 03/866020-
- Op 22 maart 2023 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gedaan. 2De vordering van de officier van justitie De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag geschat op € 54.626,-. Volgens de officier van justitie zou [verdachte] dit voordeel hebben verkregen uit de baten van de feiten waarvoor [verdachte] is veroordeeld, alsmede uit de baten van andere strafbare feiten. Er zouden voldoende aanwijzingen bestaan dat deze andere feiten door [verdachte] zijn begaan. 3De beoordeling 3.1 Het standpunt van de officier van justitie Ter terechtzitting van 8 maart 2023 heeft de officier van justitie gevraagd de vordering te schatten op een hoger bedrag, te weten € 66.549,-. Dit bedrag is opgebouwd uit het in de vordering genoemde en onderbouwde bedrag, vermeerderd met de € 740,- die [verdachte] bij zijn aanhouding bij zich droeg, en een geschatte inkoopprijs van € 11.183,- van de cocaïne die hij in de periode van 11 juni 2017 tot en met 11 juni 2018 heeft verkocht. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ten aanzien van deze ontnemingsvordering geen verweer gevoerd, met uitzondering van een post van € 300,- in verband met een boete. Deze post is volgens de raadsman onvoldoende onderbouwd en kan daarom niet in de berekening worden betrokken. 3.3 Het oordeel van de rechtbank 3.3.1 Inleiding Bij vonnis van 22 maart 2023 in de strafzaak met parketnummers 03/720987-18 en 03/866020-20 is [verdachte] onder meer veroordeeld wegens het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de periode van 11 juni 2017 tot en met 11 juni 2018, en het witwassen van € 54.326,-, gepleegd in de periode van 1 januari 2015 tot en met 11 juni
- De officier van justitie heeft onder parketnummer 03/866020-20 de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn. Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden en/of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [verdachte] zijn begaan. 3.3.2 Het bewijs In de hoofdzaak is bewezen verklaard dat [verdachte] gedurende een jaar heeft gehandeld in cocaïne. Ook is bewezen verklaard dat hij over een periode van ongeveer 3,5 jaar inkomsten uit die handel en andere strafbare feiten heeft witgewassen. Bij de beoordeling van het witwasfeit heeft de rechtbank de volgende kasopstelling tot uitgangspunt genomen: Eenvoudige kasopstelling: Beginsaldo op 1 januari 2015: € 0,
- Contante opnames: € 3.010,- Contante stortingen: - € 8.370,- Eindsaldo kas op 11 juni 2018: € 0,00 Beschikbaar voor verbruiksgoederen: - € 5.360,-. Nibud uitgaven contant: € 5.965,- Contante uitgaven voertuigen: € 28.185,- Contante huuruitgaven: € 9.250,- Contante inkoop verdovende middelen aangetroffen op 11 juni 2018: € 5.566,- Totale contante uitgaven: € 48.966,-. Het beschikbare contante geld minus de bekende contante uitgaven resulteert in een bedrag van (- € 5.360,- - € 48.966,- =) - € 54.326,-. In de berekening van de rechtbank zijn de in het rapport opgenomen € 300,- die betrekking hebben op een boete die door [verdachte] zou zijn betaald, buiten beschouwing gelaten. De raadsman heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht aangevoerd dat deze post in het rapport onvoldoende is onderbouwd. Er is derhalve, uitgaand van deze berekening, een tekort ontstaan in de kasopstelling van € 54.326,-. dat als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat bij de berekening van het wederrechtelijk voordeel ook de volgende bedragen, die bij de kasopstelling nog niet zijn betrokken, in aanmerking kunnen worden genomen: Aangetroffen in de fouillering van [verdachte] : - € 740,- Contante inkoop verdovende middelen periode handel: € 11.183,- Dit resulteert in de schatting van wat [verdachte] aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten op (€ 54.326 + € 740,- + € 11.183 =) € 66.249,-. 3.3.3 De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank zal het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststellen op € 66.249,-. 3.3.4 De op te leggen betalingsverplichting De rechtbank zal aan [verdachte] de verplichting opleggen tot betaling van € 66.249,- aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. 4Het wettelijke voorschrift De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 5De beslissing De rechtbank: stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 66.249,- (zegge: zesenzestigduizendtweehonderdnegenenveertig euro); legt [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 66.249,- (zegge: zesenzestigduizendtweehonderdnegenenveertig euro); bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.A.M. Philippart, voorzitter, mr. M.E.M.W. Nuijts en mr. K.G. Witteman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Berkers en J.G.A.M. Spijkers, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 maart
- Buiten staat Mr. K.G. Witteman is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2018014543 en PL2300-2018087481, gesloten d.d. 24 juli 2018, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 733, alsmede de niet genummerde bescheiden.