RECHTBANK LIMBURG Familie en jeugd Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rekestnummer: C/03/310221 / FA RK 22-3818 Beschikking d.d. 20 maart 2023 betreffende de echtscheiding en nevenverzoeken in de zaak van: [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , [adres 1] , hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. P.J.C. Bolton, gevestigd te Heerlen, tegen [de man] , wonende te [woonplaats] , [adres 2] , hierna te noemen: de man. advocaat: mr. I.G. Aarts, gevestigd te Heerlen. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 11 oktober 2022; - de referteverklaring van de man, ingekomen op 22 november
- 1.
- Vervolgens is de uitspraakdatum bepaald op heden. 2De beoordeling 2.
- Partijen zijn met elkaar gehuwd op 22 juli 2022 te Brunssum. Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. 2.
- Scheiding 2.2.
- De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft zich ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd. 2.2.
- Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen. 2.
- Woning 2.3.
- De vrouw heeft het huurrecht van de woning, gelegen aan de [adres 1] te [woonplaats] , verzocht. 2.3.
- De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot het huurrecht van voornoemde woning als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen. 2.
- Verdeling 2.4.
- De vrouw heeft verzocht de verdeling te bevelen van de tussen de partijen bestaande gemeenschap, ten overstaan van een notaris en met benoeming van een onzijdig persoon. De vrouw heeft daarbij aangegeven dat mochten partijen uit de verdeling van de ontbonden gemeenschap, zie hierna, waaronder de schuldenproblematiek niet uitkomen tijdens deze procedure zij het bevel verdeling wenst zodat partijen bij de boedelnotaris tot de afwikkeling van de ontbonden gemeenschap kunnen overgaan. Met inachtneming hiervan zal de beslissing op dit verzoek worden aangehouden in afwachting van het verdere verloop van de procedure hetgeen hierna wordt toegelicht. 2.
- Overige 2.5.
- De vrouw heeft verzocht een 100% draagplicht voor de man voor zijn vóór het huwelijk ontstane schulden en de nadien ontstane schulden als beschreven onder punt 2 (naar de rechtbank begrijp: te bepalen). Met verwijzing naar hetgeen onder genoemd punt 2 van het verzoekschrift is gesteld, zien die schulden samengevat op de volgende posten: de huwelijksreceptie; CJIB (boetes); KvK; incasso; kosten buurtbraderie “De Sterkste Man”. De rechtbank zal de beslissing op dit verzoek aanhouden voor de duur van twee maanden (pro forma), in afwachting van een met inachtneming van het navolgende door de vrouw in te dienen schriftelijke reactie. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. 2.5.
- De vrouw en de man zijn gehuwd op 22 juli
- Zij hebben daarbij geen huwelijkse voorwaarden gemaakt. Dat betekent dat als stelsel van huwelijksgoederenrecht de sinds 1 januari 2018 in werking getreden wettelijke beperkte gemeenschap geldt. Vanaf de datum van het huwelijk is er, naast een privévermogen van elk van beide echtgenoten, derhalve een gemeenschappelijk vermogen. 2.5.
- In artikel 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald welke baten en welk lasten de gemeenschap omvat. Op grond van lid 7 van artikel 1:94 BW omvat de gemeenschap wat haar lasten (hierna te noemen: gemeenschapsschulden) betreft, alle vóór het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die reeds vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder der echtgenoten, met uitzondering van de onder sub a tot en met sub c vermelde schulden. Krachtens artikel 1:99, lid 1, aanhef en sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW), wordt de gemeenschap in geval van beëindiging van het huwelijk door echtscheiding van rechtswege ontbonden op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding. Op grond van het bepaalde in artikel 1:100 BW (voor zover hier van belang) hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij een met het oog op de aanstaande ontbinding van de gemeenschap gesloten overeenkomst. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de gemeenschapsschulden te voldoen, worden deze gedragen door beide echtgenoten ieder voor een gelijk deel, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schulden, een andere draagplicht voortvloeit. 2.5.
- Het op 10 oktober 2022 gedateerde verzoekschrift van de vrouw tot (onder meer) echtscheiding, is op 11 oktober 2022 ter griffie ontvangen. Laatstgenoemde datum (11 oktober 2022) heeft daarmee als datum van indiening van het verzoekschrift te gelden. Volledigheidshalve wijst de rechtbank er nog op dat het verzoekschrift op 13 oktober 2022 is ingeschreven in het huwelijksgoederenregister. 2.5.
- Zoals hiervoor onder 2.2.
- vermeld, zal het verzoek tot echtscheiding worden toegewezen. In samenhang gezien met het voorgaande betekent dit dat de huwelijksgemeenschap van de vrouw en de man heeft bestaan in de periode van 22 juli 2022 tot 11 oktober
- 2.5.
- Op grond van de beschikbare informatie kan door de rechtbank niet worden beoordeeld of de door de vrouw vermelde schulden gemeenschapsschulden zijn of privéschulden (van de man). Zo kan niet worden vastgesteld of de door de vrouw genoemde posten: 1) (deels) zijn ontstaan of verband houden met feiten, gelegen buiten de periode van 22 juli 2022 tot 11 oktober 2022; en/of 2) betrekking hebben op voorhuwelijkse aan beide echtgenoten toebehorende goederen; en/of 3) schulden betreffen van de stichting “Stichting Voorlichtingstraject The Unicorn”, van de vereniging “Krachtsport Vereniging Fungames Limburg”, en/of van de man. Dat de man zich refereert ten aanzien van de door de vrouw verzochte, van de hoofdregel van gelijke verdeling afwijkende draagplicht die geldt voor de gemeenschapsschulden, biedt de voor de kwalificatie van de genoemde schuldenposten nodige informatie niet. Een en ander maakt dat de rechtbank zich vooralsnog onvoldoende geïnformeerd acht om het onder punt 3 van het petitum door de vrouw verzochte te kunnen beoordelen. Alvorens met inachtneming van het bepaalde in artikel 1:100 BW te kunnen komen tot een beoordeling van de verzochte afwijking van de hoofdregel dat beide echtgenoten ieder voor een gelijk deel draagplichtig zijn ten aanzien van gemeenschapsschulden, zal immers eerst vastgesteld moeten kunnen worden welke schulden aangemerkt dienen te worden als gemeenschapsschulden. Dat daarbij in voorkomend geval ook duidelijkheid verschaft dient te worden met betrekking tot de vraag of de goederen van de gemeenschap toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, ligt naar het oordeel van de rechtbank, gezien het in artikel 1:100 BW bepaalde, voor de hand. 2.5.
- Gezien het vorenstaande zal de rechtbank de vrouw de gelegenheid bieden om, gelet op het voorgaande desgewenst, binnen vier weken na dagtekening van deze beschikking, bij akte de hiervoor bedoelde nodige informatie te verschaffen, dan wel aan te geven dat zij haar verzoek (al dan niet ten aanzien van één of meerdere onder punt 2 in “het lichaam van” het verzoekschrift vermelde posten) intrekt. Als de vrouw haar verzoek ten aanzien van enige schuldenpost handhaaft en nader toelicht als hiervoor bedoeld, vraagt de rechtbank haar tevens aan te geven of zij te dien aanzien prijs stelt op een mondelinge behandeling van hetgeen partijen dan nog verdeeld houdt of dat de rechtbank haar verzoek zonder zitting kan beslissen 2.5.
- Voor het geval de vrouw haar verzoek ten aanzien van enige schuldenpost handhaaft en nader toelicht als hiervoor bedoeld, zal de rechtbank de man op voorhand in de gelegenheid stellen binnen vier weken na het indienen van de akte van de vrouw daarop bij antwoordakte te reageren. De man dient daar in voorkomend geval eveneens bij aan te geven of hij prijs stelt op een mondelinge behandeling van hetgeen partijen dan nog verdeeld houdt of dat de rechtbank zonder zitting kan beslissen. 2.5.
- In het licht van het voorgaande wijst de rechtbank partijen nog op het volgende. a. a) Voor zover het er volgens partijen al voor moet worden gehouden dat de door de vrouw benoemde schuldenposten aangemerkt moeten worden als gemeenschapsschulden, kunnen zij bij overeenkomst (echtscheidingsconvenant) afwijken van de hoofdregel van draagplicht voor gelijke delen. Mede gelet op de referte van de man, geeft de rechtbank partijen deze mogelijkheid in overweging. Voor het, gezien de eerdere referte onverwachte, geval de man de voor een eventuele overeenkomst nodige informatie (over de schulden die de vrouw in deze procedure centraal heeft gesteld en die door handelen van de man zijn ontstaan) niet zou verschaffen, wijst de rechtbank erop dat partijen er in elk geval bij de alsdan vermoedelijke voorzetting van de gerechtelijke procedure verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). b) Voor zover al aannemelijk wordt gemaakt dat de door de vrouw benoemde schuldenposten aangemerkt moeten worden als gemeenschapsschulden, leert de jurisprudentie van de Hoge Raad dat er bijzondere feiten en omstandigheden moeten worden gesteld en aannemelijk moeten worden, om af te wijken van een draagplicht bij helfte (o.a. HR 7 december 1990, NJ 1991/593 [ECLI:NL:HR:1990:ZC0071] en HR 30 maart 2012, NJ 2012/407 [ECLI:NL:HR:2012:BV1749]). De vrouw wordt uitgenodigd om aan deze stelplicht handen en voeten te geven zodat de rechtbank haar verzoek ten gronde kan beoordelen. Tot slot wijst de rechtbank partijen erop dat zij in het kader van het verzochte bevel verdeling de afwikkeling van de ontbonden gemeenschap en de daarvan deel uitmakende gemeenschapsschulden ook met de boedelnotaris kunnen bespreken en al dan niet onder zijn leiding in een echtscheidingsconvenant kunnen vastleggen zodat partijen duidelijkheid hebben over de vraag welke schulden gemeenschapsschulden zijn en welke privé schulden van de man of de vrouw. Voor die privé schulden (die niet in de ontbonden gemeenschap zitten) is uitsluitend degene die de schuld heeft gemaakt/veroorzaakt verantwoordelijk en heeft de andere echtgenoot géén draagplicht. Gelet hierop kan het verzoek van de vrouw onder III voor zover luidend “een 100% draagplicht voor de man voor zijn vóór het huwelijk ontstane schulden” niet worden toegewezen: de man is uit hoofde van de wet als enige voor die schulden verantwoordelijk en deze maken geen deel uit van de ontbonden gemeenschap. 2.
- Proceskosten 2.6.
- Door de vrouw is nog ‘kosten rechtens’ verzocht, hetgeen moet worden opgevat als een referte ten aanzien van het al dan niet opnemen door de rechter van een proceskosten-veroordeling. Nu de rechtbank de beslissing ten aanzien van een onderdeel van het verzoek aanhoudt, zal de rechtbank ook het verzoek met betrekking tot de proceskosten aanhouden. 3De beslissing De rechtbank: 3.
- spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Brunssum op 22 juli 2022; 3.
- bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de woning aan het adres [adres 1] , [woonplaats] met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand; 3.
- verklaart de beslissing met betrekking tot het huurrecht van de woning uitvoerbaar bij voorraad; 3.
- stelt de vrouw, met inachtneming van hetgeen hierover onder 2.
- in rechte is overwogen, in de gelegenheid binnen vier weken na dagtekening van deze beschikking bij akte te reageren; 3.
- stelt de man in de gelegenheid om, met inachtneming van hetgeen hierover onder 2.
- in rechte is overwogen, binnen vier weken na indiening van de hiervoor onder 3.
- genoemde akte van de vrouw bij de rechtbank, daarop bij antwoordakte te reageren; 3.
- houdt iedere verdere beslissing aan voor de duur van twee maanden (pro forma). Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.J. Frénay, rechter, en in het openbaar uitgesproken door mr. drs. C.M.J. van den Acker, rechter in tegenwoordigheid van de griffier op 20 maart
- MvdV Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.