Rechtbank Limburg – ECLI:NL:RBLIM:2023:2173
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 21/2347 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 maart 2023 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker, (gemachtigde: mr. K.E.J. Dohmen), en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo) (het Uwv) (gemachtigde: [naam gemachtigde] ).
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek om schadevergoeding ingevolge het bepaalde in artikel 8:88 en 8:90 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Wat ging er aan het verzoek vooraf?
9.1.
Bij aanvullend verzoekschrift van 27 januari 2022 heeft verzoeker tevens immateriële schade geclaimd omdat volgens hem sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), te beginnen met de dag waarop hij bezwaar heeft gemaakt tegen het beëindiging van zijn ZW-uitkering, te weten 25 januari 2016. Volgens hem eindigt het geschil namelijk pas nadat over alle met het geschil samenhangende kosten is beslist en die kosten tot uitbetaling zijn gekomen. Hij verwijst daartoe naar de uitspraak van de CRvB van 27 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN5961.
9.2.
Bij brieven van 29 juni 2022 en 18 augustus 2022 heeft verzoeker laten weten dat hij ook in 2021 schade heeft geleden als gevolg van de nabetaling. Over dat jaar is namelijk een belastingaanslag opgelegd van € 710,- en is de verstrekte zorgtoeslag teruggevorderd tot een bedrag van € 1.444,-. Hij heeft de rechtbank verzocht ook deze claim te beoordelen.
Beoordeling door de rechtbank 10. Het is aan de rechtbank om te beoordelen of de geclaimde schade voor vergoeding in aanmerking komt. De claim van verzoeker berust op een gestelde schade-oorzaak die is gelegen na 1 juli 2013, waarmee het recht van toepassing is zoals dat geldt vanaf die datum. Voor het daardoor geldende juridisch kader verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.
13.1.
Als beginsel geldt dat de schadevergoeding de schuldeiser zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin hij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Het is aan de verzoeker om de gestelde schade op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk te maken.
Schadepost inkomstenbelasting 15.1.
De deskundige [naam deskundige] heeft de over de jaren 2017 tot en met 2021 te veel betaalde inkomstenbelasting berekend op € 3.204,-. In het aanvullend verweerschrift heeft het Uwv aanvankelijk volgehouden dat van inkomstenbelastingschade geen sprake is, omdat de drempel voor toepassing van de middelingsregeling niet is overschreden. In het aanvullende rapport van [naam deskundige] heeft die deskundige uiteengezet dat bij toepassing van de middelingsregeling de schade in jaren 2017 en 2021 buiten beschouwing blijft en dat bovendien wat betreft de jaren 2018 tot en met 2020 de middelingregeling voor dit geval geen reëel beeld geeft. Naar aanleiding daarvan heeft het Uwv in een tweede aanvullend verweerschrift erkend dat verzoeker in het jaar 2021 schade heeft geleden, die na verrekening van voordeel in 2017, op € 2.698,- zou moeten worden gesteld. De rechtbank acht daarmee de uiteenzetting en conclusie van de deskundige niet weerlegd, zodat zij de te vergoeden schade door te veel betaalde inkomstenbelasting op € 3.204,- stelt.
Schadepost advies Actus 15.2.
Deze post van € 116,16 betreft een proefberekening over de middelingsregeling die verzoeker aan het verzoek dat hij tot het Uwv heeft gericht, ten grondslag heeft gelegd. Het Uwv heeft die post niet expliciet aangevochten. De rechtbank is van oordeel dat het gaat om redelijkerwijs gemaakte kosten en veroordeelt het Uwv derhalve tot vergoeding van genoemd bedrag.
Schadepost toeslagen 15.3.
De deskundige [naam deskundige] heeft de te weinig ontvangen toeslagen berekend op € 4.080,-. Het Uwv heeft die schadepost erkend en toegezegd die som te vergoeden. Nu partijen het daarover eens zijn, oordeelt de rechtbank conform.
Schadepost wettelijke rente 15.4.
Verzoeker claimt dat het Uwv de wettelijke rente dient te vergoeden over de nabetaling van ZW- en WIA-uitkering over de gehele periode vanaf 22 februari 2016. Het Uwv heeft daarop gesteld dat al een bedrag van € 25,73 aan wettelijke rente over de nabetalingen aan verzoeker is vergoed, waarbij rekening is gehouden met verrekening met de bijstand die verzoeker heeft ontvangen. Verzoeker heeft in reactie daarop betoogd dat uit de betaalspecificatie van 27 mei 2020 blijkt dat het Uwv bij de vaststelling van die vergoeding heeft verzuimd de samengestelde wettelijke rente te berekenen. Hij heeft die stelling niet verder uitgewerkt of onderbouwd. De rechtbank kan de juistheid daarvan niet uit die specificatie opmaken en neemt daarbij in aanmerking dat niet is gebleken dat verzoeker destijds bezwaar heeft gemaakt tegen die specificatie. De rechtbank acht het verzoek van verzoeker op dit punt niet toewijsbaar.
Schadepost overschrijding redelijke termijn 15.5.
Verzoeker heeft als immateriële schade een bedrag van € 2.000,- geclaimd. Zij betoogt daartoe dat sinds indiening van het bezwaarschrift tegen het besluit van 18 januari 2016 zeven jaar zijn verstreken en dat daardoor de redelijke termijn van artikel 6 van het EVRM met twee jaar is overschreden. Zij gaat er daarbij vanuit dat het geschil tussen partijen pas tot een einde komt op het moment dat over alle daarmee samenhangende schade en kosten is beslist.
15.6.
De rechtbank volgt verzoeker op dit punt ten dele. Het Uwv heeft die claim betwist en erop gewezen dat de CRvB in de uitspraak van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:91) heeft geoordeeld dat indien, zoals in dit geval, hoger beroep is ingetrokken nadat een tegemoetkomend besluit is genomen, de redelijke termijn eindigt op het moment waarop het tegemoetkomend besluit is bekend gemaakt. De rechtbank constateert voorts dat de Hoge Raad in een arrest van 2 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1128) heeft geoordeeld dat, nadat een geschil over belastingheffing is beëindigd, het geschil niet doorloopt als de rechter nog bij afzonderlijke uitspraak moet beslissen op een verzoek om vergoeding van immateriële schade.
Verzoeker heeft uit de door hem genoemde uitspraak van de CRvB van 27 augustus 2010 afgeleid dat het geschil dat is begonnen met het bezwaar van 25 januari 2016 thans nog doorloopt. Gelet op genoemde recente rechtspraak van de CRvB en de Hoge Raad gaat die conclusie naar de huidige stand van het recht niet meer op. De rechtbank ziet echter in de omstandigheden van dit geval aanleiding voor een nuancering, in die zin dat de afwikkeling van de WIA-beoordeling zodanig is verweven met het geschil over de ZW-uitkering dat verzoeker er een gerechtvaardigd belang bij had om daarop te wachten alvorens het hoger beroep over de ZW-uitkering in te trekken. Dat de spanning en frustratie van verzoeker door de tijdsduur van het geschil hebben voortgeduurd, is voor de rechtbank des te duidelijker door hetgeen verzoeker en zijn echtgenote op de beide zittingen van de rechtbank naar voren hebben gebracht.
De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de redelijke termijn is geëindigd door de intrekking van het hoger beroep op 26 januari 2021. Dat was ruim vijf jaar na de datum waarop die termijn begon te lopen. De redelijke termijn voor behandeling in twee rechterlijke instanties is daarmee met ruim een jaar overschreden en die overschrijding is aan het Uwv toe te rekenen. Gelet op de rechtspraak dat de vergoeding voor iedere half jaar van de overschrijding, of deel daarvan, € 500,- bedraagt, wordt het Uwv veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,-.
15.7.
De rechtbank gaat er voorts van uit dat door het verzoek om schadevergoeding van 20 april 2021 bij het Uwv een nieuwe redelijke termijn is gaan lopen en dat de rechtbank binnen twee jaar daarna uitspraak op het verzoek moet doen om de redelijke termijn niet te overschrijden. Derhalve is er in zoverre geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.
15.8.
Uit de overwegingen 15.1. tot en met 15.5 volgt dat de rechtbank het Uwv veroordeelt tot vergoeding van schade ten bedrage van € 8.900,16. Hetgeen verzoeker overigens heeft gevorderd wordt afgewezen. De rechtbank voegt daaraan toe dat het Uwv in het aanvullend verweerschrift heeft toegezegd de wettelijke rente over de schadevergoeding te zullen vergoeden.
Proceskosten en griffierecht 15.9.
Nu verzoeker voor een belangrijk deel in het gelijk wordt gesteld, ziet de rechtbank aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van verzoeker voor deze procedure. Het Uwv heeft hierover gesteld dat er geen grond is voor een proceskostenveroordeling, omdat zijn reactie op het schadeverzoek niet onrechtmatig was nu het aan hem gerichte verzoek onvoldoende was onderbouwd en de afwijzing van dat verzoek dus niet onrechtmatig was. De rechtbank gaat daar niet in mee. Zij acht met name het afwijzende standpunt van het Uwv over de geclaimde belastingschade, dat berust op de enkele stelling dat verzoeker niet aan de middelingsregeling voldeed, niet deugdelijk gemotiveerd. Ook vindt de rechtbank het begrijpelijk dat verzoeker, gelet op diens problematische financiële situatie, niet al in de fase voorafgaand aan het verzoekschrift zijn claim bij het Uwv heeft gestaafd met een deskundigenadvies, maar getracht heeft deze te onderbouwen met eigen redeneringen en berekeningen van zijn gemachtigde.
15.10.
De te vergoeden kosten van rechtsbijstand stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten Bestuursrecht (Bpb) vast op € 3.138,75. Daarbij past zij het in de bijlage bij het Bpb opgenomen tarief aldus toe dat 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de nadere zitting, met een waarde per punt van € 837,--, wordt toegekend en dat - gelet op de zwaarte van de zaak - een wegingsfactor van 1,5 wordt toegepast.
15.11.
Verzoeker heeft bepleit dat wat betreft de kosten van het deskundigenadvies wordt afgeweken van het maximumtarief van het Bpb en heeft verzocht het Uwv te veroordelen tot volledige vergoeding van de gedeclareerde kosten van het deskundigenadvies ad € 2.337,54. De rechtbank wijst dat verzoek af. Het Uwv heeft er terecht op gewezen dat voor de kosten van een deskundige die op verzoek van een partij verslag heeft uitgebracht, op grond van het Bpb, in samenhang met het Besluit tarieven in strafzaken, een maximumtarief van € 136,19, inclusief BTW, geldt, wat betekent dat maximaal € 1.811,32 voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank zou daarvan slechts kunnen afwijken als sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb. Daarvan acht de rechtbank geen sprake. Dat verzoeker niet voorafgaand aan het verzoek bij de rechtbank zelf al een deskundigenadvies heeft laten uitbrengen, is - zoals onder 16.1. is overwogen - weliswaar begrijpelijk, maar dat geldt ook voor veel andere zaken waarin pas in de rechterlijke fase een deskundigenrapport wordt ingebracht.
15.12.
Uit de overwegingen 15.10 en 15.11 volgt dat het totaal van de proceskosten waarin het Uwv wordt veroordeeld € 4.950,07 bedraagt.
15.13.
Het Uwv moet ook het door verzoeker betaalde griffierecht van € 181,- vergoeden.
Ter voorlichting 16. Ter zitting heeft verzoeker aangegeven dat hij met schulden en geldnood te kampen heeft. Mede vanwege de duur van dezer zaak heeft hij gevraagd om de toekenning van schadevergoeding bij voorraad uitvoerbaar te maken. Het toepasselijke procesrecht biedt daartoe echter geen mogelijkheid. Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak, is de rechtbank evenmin bevoegd om daarnaast een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst er wel op dat deze uitspraak, gelet op artikel 8:76 in verbinding met artikel 8:94 van de Awb, een executoriale titel oplevert. Zij gaat er overigens vanuit dat het Uwv op zijn minst de bedragen van de schadeposten die hij heeft erkend, op korte termijn aan verzoeker zal uitbetalen.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van mr. J.W.J.M. van Rijt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2023. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 28 maart 2023.
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: Wettelijk kader Artikel 8:88 van de Awb:
Artikel 8:89 van de Awb:
Artikel 8:90 van de Awb:
Artikel 8:91 van de Awb:
Artikel 8:92 van de Awb: