RECHTBANK LIMBURG Familie en jeugd Locatie Maastricht Zaaknummer: C/03/313576 / JE RK 23-92 Datum uitspraak: 22 februari 2023 Beschikking van de kinderrechter over een verzoek om vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing in de zaak van [de moeder] , wonend te [woonplaats 1] , hierna te noemen: de moeder, advocaat: mr. S.C.H. Poelman, te Brunssum, tegen: de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de GI, gevestigd te Amsterdam, betreffende de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [woonplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als informant aan: [de vader] , wonend te [woonplaats 3] , hierna te noemen: de vader. In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in deze zaak betrokken: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie Maastricht, verder te noemen de raad. 1Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met bijlagen van de moeder, ontvangen op 17 januari 2023. 1.2. Op 7 februari 2023 heeft de kinderrechter de zaak mondeling, met gesloten deuren, behandeld, waarbij zijn verschenen:- mr. Poelman; - een vertegenwoordigster van de GI; - een vertegenwoordiger van de raad; - de vader als informant. De moeder heeft de mondelinge behandeling telefonisch bijgewoond. 2De feiten 2.1. Het gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder. [minderjarige] verblijft in een gezinshuis in Limburg. 2.2. Bij beschikking van 10 juni 2022 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van drie maanden. Bij beschikking van 30 augustus 2022 heeft de kinderrechter [minderjarige] met ingang van 10 september 2022 onder toezicht gesteld tot 10 september 2023. 2.3. Bij beschikking van 10 juni 2022 is door de kinderrechter tevens een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van twee weken. Bij beschikking van 23 juni 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot 10 september 2022. Vervolgens is bij beschikking van 30 augustus 2022 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend van 10 september 2022 tot 10 maart 2022. Ter vervanging van deze machtiging is bij beschikking van 30 september 2022 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 10 maart 2023. 2.4. Bij beschikking van 8 december 2022 heeft de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing van de GI van 26 oktober 2022 betreffende de telefonische bereikbaarheid van de moeder, het maken van keuzes door de moeder in het belang van [minderjarige] en de betrokkenheid van de moeder bij [minderjarige] gedeeltelijk vervallen verklaard. 2.5. De GI heeft op 11 januari 2023 een schriftelijke aanwijzing aan de moeder gegeven betreffende het contact tussen de ouders en [minderjarige] . De vooraankondiging van de schriftelijke aanwijzing is een week ervoor, op 4 januari 2023, gegeven. Daarop heeft de moeder op 10 januari 2023 gereageerd. De schriftelijke aanwijzing van de GI luidt als volgt: ‘De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering stelt de volgende omgangsregeling vast: 1 keer per week gedurende één uur, volledig begeleid door Anacare. Om de 4 weken wordt er geëvalueerd hoe de bezoeken gaan en of er mogelijkheden zijn voor uitbreiding.’ 3Het verzoek en het verweer 3.1. De moeder heeft verzocht om bij beschikking de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel vervallen te verklaren en een (begeleide) omgangsregeling (de kinderrechter begrijpt ten aanzien van de moeder: regeling in het kader van de zorg- en opvoedingstaken) vast te stellen tussen de ouders en [minderjarige] voor de duur van de uithuisplaatsing, waarbij meermaals per week (bijvoorbeeld driemaal per week) gedurende 3 uur, dan wel eenmaal per week gedurende een dag contact plaatsvindt met de mogelijkheid tot uitbreiding, dan wel een regeling vast te stellen die de rechtbank juist acht. 3.2. De GI heeft verweer gevoerd. 3.3. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan. 4Het advies van de raad 4.1. De raad heeft gesteld dat [minderjarige] een kwetsbaar kind is dat vanwege haar medische toestand veel toezicht nodig heeft. Het is belangrijk dat haar veiligheid wordt gegarandeerd. Op dit moment is alleen de vader in staat tot contact, nu de moeder die zwanger is tijdelijk in het ziekenhuis verblijft. Er lijkt een aantal stappen te zijn gezet. De raad vraagt zich dan ook af waarom een beperkte uitbreiding (onder toezicht) nu niet mogelijk is, zodat de ouders kunnen laten zien waartoe ze in staat zijn. Het was goed geweest als de informatie van AnaCare was overgelegd, zodat deze meegewogen had kunnen worden. Zonder deze informatie kan de raad eigenlijk geen definitief advies geven. 5De beoordeling Artikel 1:265k BW 5.1 De kinderrechter merkt allereerst op dat de GI verzuimd heeft gevolg te geven aan het bepaalde in artikel 1:265k, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De GI heeft noch het plan van aanpak noch het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling overgelegd. Voor zover dit de beoordeling van het standpunt van de GI bemoeilijkt, dienen de gevolgen hiervan voor rekening en risico van de GI te blijven. Ontvankelijkheid 5.2. Op grond van artikel 1:265f lid 1 BW kan de GI, voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige, voor de duur van de uithuisplaatsing, de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. Uit lid 2 van het hiervoor genoemde artikel volgt dat zo’n beslissing als een schriftelijke aanwijzing moet worden gekwalificeerd. In dit geval is duidelijk dat de brief van de GI van 29 juli 2022 als schriftelijke aanwijzing moet worden gekwalificeerd ten aanzien van de moeder (en niet ten aanzien van de vader, omdat de vader niet met het gezag is belast). De GI heeft immers besloten dat de bezoeken worden beperkt naar 1 keer per week gedurende één uur, volledig begeleid door Anacare. De moeder kan als gezaghebbende ouder op grond van het bepaalde in artikel 1:264 BW de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. De termijn voor het indienen van het verzoek bedraagt twee weken met ingang van de dag na die waarop de aanwijzing is verzonden of uitgereikt. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder op 17 januari 2023 ontvangen. Dit is binnen de hiervoor genoemde termijn. Het voorgaande brengt mee dat de moeder kan worden ontvangen in haar verzoek om vervallenverklaring. Bevoegdheid en aanwending bevoegdheid GI 5.3. Op basis van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is besproken is de kinderrechter voorts van oordeel dat de GI bevoegdheid toekwam om de schriftelijke aanwijzingen te geven. De kinderrechter volgt de GI in zoverre dat de huidige medische toestand van [minderjarige] maakt dat er beperkt contact kan zijn tussen haar en de ouders. De moeder heeft de bevoegdheid overigens ook niet bestreden. De kinderrechter komt daarmee aan de vraag toe of GI die bevoegdheid op de juiste manier heeft gebruikt. 5.4. Bij het beoordelen van de aanwending van de bevoegdheid is van belang dat de GI beleidsvrijheid heeft in het kader van de uitvoering van de op haar rustende taak. Gelet op deze aan de GI toekomende beleidsvrijheid toetst de kinderrechter slechts marginaal of de GI op juiste wijze van haar bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Met andere woorden, de kinderrechter beoordeelt of de GI, gelet op de door haar uit te voeren taak, in redelijkheid heeft kunnen komen tot het geven van de schriftelijke aanwijzing. Bij die beoordeling gaat de kinderrechter uit van de feiten en omstandigheden zoals die op dit moment, en dus niet op het moment waarop de schriftelijke aanwijzing is gegeven, zijn. Deze marginale toetsing vindt plaats aan de hand van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, voor zover daarop door de partij - in dit geval de moeder - die om vervallenverklaring verzoekt een beroep is gedaan. 5.5. De kinderrechter leidt uit de stellingen van de moeder af dat zij van mening is dat de GI de schriftelijke aanwijzing niet toereikend heeft gemotiveerd. De moeder stelt dat de GI aangeeft dat er geen leerbaarheid door de ouders wordt getoond en dat ouders niet aansluiten bij de basisbehoeften van [minderjarige] , maar de moeder betwist dat uitdrukkelijk. De GI verwijst weliswaar naar verslagen van Anacare, maar de moeder heeft deze verslagen, ondanks dat zij daar expliciet om heeft gevraagd, niet mogen ontvangen. Ook zijn de verslagen niet in deze procedure overgelegd. De GI is verder onvoldoende gemotiveerd ingegaan op de door de moeder aangedragen punten. Het doel van de uithuisplaatsing is om te onderzoeken wat er nodig is om ervoor te zorgen dat [minderjarige] zo snel mogelijk weer naar huis kan. Voor [minderjarige] is het, mede gelet op haar jonge leeftijd, belangrijk dat zij regelmatig(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.