vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rolnummer: C/03/302407 / HA ZA 22-100 Vonnis van 26 april 2023 in de zaak van [eiseres] , wonend te [woonplaats 1] , eiseres, advocaat mr. J.P. den Besten, tegen 1 [gedaagde sub 1] , wonend te [woonplaats 2] , gedaagde sub 1, advocaat mr. M.K. Groothoff-de Bruin, 2DE GEZAMENLIJKE ERFGENAMEN VAN [vader] , wonend te [woonplaats 3] , gedaagde sub 2, niet verschenen. Partijen zullen hierna [eiseres] en (gedaagde sub 1:) [gedaagde sub 1] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding d.d. 8 februari 2022, de conclusie van antwoord, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling d.d. 9 februari 2023 en de ten behoeve daarvan door [eiseres] op voorhand ingezonden nadere producties, de reacties van partijen op het proces-verbaal. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiseres] en [gedaagde sub 1] zijn zus en broer. Hun vader, [vader] (hierna: de vader) is op 2 oktober 2021 overleden. Hun moeder, [moeder] , was reeds eerder overleden, te weten op 20 januari 2019. 2.2. Bij beschikking van deze rechtbank van 27 november 2019 is het vermogen van de vader met ingang van 1 december 2019 onder bewind gesteld met benoeming van een onafhankelijke derde als bewindvoerder. Met ingang van dezelfde datum is het mentorschap uitgesproken met [eiseres] en [gedaagde sub 1] als mentoren. 2.3. De vader heeft op 14 juli 2021 een testament laten opmaken (hierna: het testament). In dit testament is – voor zover van belang – bepaald dat alle vorige testamenten worden herroepen, dat [eiseres] en [gedaagde sub 1] als erfgenamen worden benoemd, dat de twee kinderen van [gedaagde sub 1] een legaat verkrijgen dat gelijk is aan het maximale bedrag dat een kleinkind vrij van erfbelasting kan krijgen en dat [gedaagde sub 1] tot executeur/ afwikkelingsbewindvoerder wordt benoemd. [gedaagde sub 1] heeft die benoeming aanvaard. 2.4. Het testament dat middels het testament d.d. 14 juli 2021 werd herroepen, was een testament d.d. 31 december 2013, opgemaakt toen beide ouders nog leefden. De vader liet in dit testament alle goederen uit zijn nalatenschap na aan de langstlevende echtgenote en bepaalde dat die ook als executeur zou optreden. 2.5. Op verzoek van de notaris ten overstaan van wie het (nieuwe) testament is verleden, heeft [naam geriater] , specialist ouderengeneeskunde (hierna: de geriater), op 29 juni 2021 een onderzoek gedaan naar de wilsbekwaamheid van de vader. In zijn brief aan het notariskantoor heeft de geriater geschreven: “In het kader van een beoordeling van de wilsbekwaamheid heb ik heden, 29 juni 2021, op uw verzoek onderzocht de heer [vader] , geboren op [geboortedatum] 1930, te [geboorteplaats] om te beoordelen of hij bekwaam is om zijn wil te bepalen met betrekking tot het opstellen van zijn testament en levenstestament. Op het moment dat ik hem spreek heeft hij een helder bewustzijn. Hij werkt aan het onderzoek mee. Bij het onderzoek constateer ik geen geheugenproblemen. Uit zijn reacties en antwoorden blijkt dat hij goed in staat is om de juiste zaken aan elkaar te verbinden en tot oordelen te komen. Hij kan goed verwoorden waarom hij de voorliggende keuze in zijn testament en zijn levenstestament maakt. Tevens begrijpt hij de betekenis en de gevolgen van het opstellen van zijn testament en zijn levenstestament. Concluderend is mijn mening dat [vader] bekwaam is om zijn wil te bepalen ten aanzien van het opstellen van zijn testament en levenstestament.” 2.6. In de werkaantekeningen van de geriater staat verder nog het volgende:“(…) Bij het onderzoek constateer ik geen geheugenproblemen. Blijkend uit: het feit dat hij zich het bezoek van de notaris kan herinneren en me kan benoemen wat hij wil regelen. De keuze die dhr maakt A) is om zijn nalatenschap te regelen, hij benoemd [sic] zoon, dochter en 2 kleindochters als erfgenamen. B) om zijn zoon [gedaagde sub 1] te benoemen als wettelijk vertegenwoordiger in zijn levenstestament. Uit zijn reacties en antwoorden blijkt echter dat hij goed in staat is om de juiste zaken aan elkaar te verbinden en tot oordelen te komen. Hij kan goed verwoorden waarom hij deze keuzes maakt: A) testament eerlijk verdelen over de kinderen en de kleinkinderen ontvangen ook een gedeelte. B) vertrouwen in de zoon voor volle 100%. (…) De relevante medische voorgeschiedenis bestaat uit: Geen relevante. Geen depressie, dementie of delier, geen andere psychiatrische of neurologische aandoeningen die van belang zijn. De patiënt gebruikt geen medicatie die het cognitief vermogen kunnen beïnvloeden.” 2.7. [naam] , medewerker van het notariskantoor dat het testament heeft opgesteld, heeft op 29 november 2021 in een e-mail aan de advocaat van [eiseres] het volgende geschreven: “De afspraak voor de bespreking van de wijziging van het testament van [vader] is gemaakt door [gedaagde sub 1] junior. Ik heb toen een afspraak gemaakt voor een bespreking bij meneer thuis omdat hij afhankelijk was van een rolstoel. Deze bespreking heeft ook plaatsgevonden bij meneer thuis. Dat was de enige bespreking die ik met hem had gevoerd. Meer besprekingen hebben naar mijn weten niet plaatsgevonden. [gedaagde sub 1] junior was bij de bespreking met mij aanwezig. Daarna had ik voor [vader] een ontwerp van het testament opgemaakt, inclusief uitgebreide toelichting en deze persoonlijk aan huis bezorgd. Daarna is alleen nog een afspraak met de notaris gemaakt, om het testament (wederom aan huis) te ondertekenen. De notaris had iedereen verzocht om de kamer te verlaten en heeft met [vader] alleen, de inhoud van het testament (nogmaals) besproken, waarna de akte, na akkoordbevinding door [vader] senior en de notaris is ondertekend.” 2.8. De vader heeft op 27 juli 2021 een herseninfarct gekregen. Op 21 september 2021 is hij opgenomen in een zorginstelling waar hij op 2 oktober 2021 is overleden. 3Het geschil 3.1. [eiseres] vordert samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:I. primair: voor recht verklaart dat het testament dat de vader op 14 juli 2021 heeft laten opstellen, nietig is; subsidiair: het testament dat de vader op 14 juli 2021 heeft laten opstellen, vernietigt; II. a. [gedaagde sub 1] veroordeelt in de proceskosten, met inbegrip van de nakosten;b. [gedaagde sub 1] veroordeelt in de kosten van de gelegde conservatoire beslagen. 3.2. [gedaagde sub 1] voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Partijen hebben opmerkingen gemaakt naar aanleiding van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 9 februari 2023. De (voorgestelde) aanvullingen en correcties zijn niet relevant voor de beoordeling van het geschil. De rechtbank laat de inhoud van de desbetreffende berichten (zie rov. 1.1.-slot) daarom buiten beschouwing. Ten aanzien van de gedaagde partij onder 2 4.2. Zoals reeds ter gelegenheid van de mondelinge behandeling door de rechtbank is geconstateerd en toen door beide partijen is bevestigd, berust de dagvaarding voor zover die is uitgebracht tegen de gedaagde sub 2. “de gezamenlijke erfgenamen van [vader] ” op een misverstand. Alleen [eiseres] en [gedaagde sub 1] zijn immers de erfgenamen van de vader. De rechtbank beschouwt de vordering voor zover ingesteld jegens “de gezamenlijke erfgenamen” daarom als ingetrokken, zodat daarop niet behoeft te worden beslist. In het onderstaande zal ervan worden uitgegaan één eiseres, te weten [eiseres] , de hiervoor genoemde vordering heeft ingesteld jegens één gedaagde, te weten [gedaagde sub 1] . De vordering onder I. primair 4.3. [eiseres] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het testament nietig is, omdat de vader ten tijde van het opmaken van het testament wilsonbekwaam was omdat zijn geestvermogens blijvend of tijdelijk waren gestoord. 4.4. Voor de beoordeling van dit standpunt is allereerst van belang dat de vader niet onder curatele was gesteld op het moment dat het testament is verleden. Hij was dus handelingsbekwaam. Of de vader ook wilsbekwaam was, moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaf van artikel 3:34 lid 1 BW. Dit artikel volgt op artikel 3:33 BW, dat bepaalt dat een rechtshandeling een met de verklaring overeenstemmende wil vereist. Uit het bepaalde in artikel 3:34 lid 2 BW volgt dat een eenzijdige rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen gericht was (zoals het opmaken van een testament) nietig is als de betrokkene niet in staat was zijn voor die rechtshandeling vereiste wil te bepalen.Voor toepassing van dit artikel is allereerst vereist dat sprake is van een tijdelijke of blijvende geestelijke stoornis. Is die aanwezig, dan wordt de voor de rechtshandeling vereiste wil geacht te ontbreken indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.