RECHTBANK LIMBURG Bestuursrecht zaaknummer: ROE 23/767 uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 mei 2023 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. A.J.J. Kreutzkamp), en De Burgemeester van de gemeente Maastricht, de burgemeester (gemachtigde: mr. M. Ploum). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 31 maart 2023 van de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Aan verzoeker is een last onder bestuursdwang opgelegd die ertoe strekt dat hij met ingang van 6 april 2023 de woning gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning) moet sluiten en voor drie maanden gesloten moet houden. 1.1. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 1.2. De burgemeester heeft de griffie van de rechtbank telefonisch meegedeeld het besluit op te schorten tot de uitspraak van de voorzieningenrechter. 1.3. De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 april 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter dient zich een voorlopig oordeel te vormen over de rechtmatigheid van het besluit over de woningsluiting en dient aan de hand van een belangenafweging de vraag te beantwoorden of vooruitlopend op de beoordeling van het bezwaar van verzoeker een voorlopige voorziening moet worden getroffen. Daarbij acht de voorzieningenrechter de volgende feiten van belang. Relevante feiten en omstandigheden 2.1. Verzoeker is huurder en bewoner van de woning. In de bestuurlijke rapportages van de politie eenheid Limburg van 31 januari 2023 en de (aanvullende) bestuurlijke rapportage van 9 maart 2023 staat dat op 26 januari 2023 1.596 gram hennep is aangetroffen in de woning. Daarnaast werden er in de woning onderdelen aangetroffen die in de regel gebruikt worden bij het opzetten van een hennepplantage. Tevens zijn in de woning een drietal wapens aangetroffen, waarvan achteraf bleek dat twee wapens een replica wapen betroffen en één wapen een echt vuurwapen betrof. De doorzoeking van de woning vond plaats naar aanleiding van de staande houding van een persoon. Deze persoon verklaarde dat hij verdovende middelen (60 gram hennep) had gekocht bij de woning van verzoeker. 2.2. Op grond van deze bevindingen heeft de burgemeester geconcludeerd dat er een handelshoeveelheid softdrugs in de woning aanwezig was. De burgemeester heeft op 9 februari 2023 verzoeker laten weten dat hij het voornemen heeft om de woning te sluiten voor de duur van drie maanden. Verzoeker heeft zijn zienswijze kenbaar gemaakt op 15 februari 2023. Tevens is een zienswijze ontvangen van de gemachtigde van verzoeker op 22 maart 2023. 2.3. Vervolgens heeft de burgemeester het bestreden besluit genomen waarbij is besloten om verzoekers woning te sluiten voor drie maanden. 2.4. Verzoeker is het daar niet mee eens. Verzoeker bestrijdt de bevoegdheid van de burgemeester, de noodzaak tot sluiting van de woning en de evenredigheid van de sluiting. De voorzieningenrechter gaat hieronder in op de gronden van zijn verzoek. Toetsingskader 3. Voor de beoordeling geldt artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet als wettelijk kader. Hierin is bepaald dat de burgemeester bevoegd is tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien – voor zover hier van belang – in woningen een middel als bedoeld in lijst I en II van deze wet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Hennep is vermeld op lijst II van de Opiumwet. 3.1. Ter uitvoering van de bevoegdheid neergelegd in artikel 13b van de Opiumwet heeft de burgemeester het zogenaamde “Damoclesbeleid Lokalen en Woningen Maastricht” (beleid) vastgesteld. In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in principe overgaat tot sluiting van een woning. Gelet op artikel l (onder woningen) wordt, indien er sprake is van het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van verdovende middelen, bij softdrugs de woning gesloten voor de duur van drie maanden. 3.2. Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Hierbij dient het toetsingskader zoals door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 28 augustus 2019, hierna de overzichtsuitspraak; uiteengezet, in acht te worden genomen. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding dient allereerst beoordeeld te worden in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Als sluiting van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, dient de sluiting ook evenredig te zijn. Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan? 4. De Afdeling heeft al vaker overwogen dat een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram als hoeveelheid voor eigen gebruik kan worden aangemerkt. Bij een grotere hoeveelheid drugs dan dat mag worden aangenomen dat het niet (alleen) voor eigen gebruik is, maar deels of geheel voor verkoop, aflevering of verstrekking aan derden. Het ligt in dat geval op de weg van een betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. Deze lijn heeft de Afdeling in de uitspraak van 22 juni 2022 nog bevestigd. 4.1. Verzoeker betwist – bij gebrek aan testresultaten van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) – dat er sprake is van hennep. Aan de aangetroffen (sier)vuurwapens kan volgens verzoeker geen sluitingsbevoegdheid worden opgehangen. Ter zitting heeft verzoeker nog toegevoegd dat als het al hennep is, het er volgens hem lang heeft gelegen. 4.2. De burgemeester heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat mag worden uitgegaan van de bestuurlijke rapportage, waarin staat dat de aangetroffen hoeveelheid hennep (1.596 gram) na onderzoek door de politie hennep betreft. De burgemeester mag ten aanzien van de vaststelling van hennep van de deskundigheid van de politie uitgaan. Verzoeker heeft volgens de burgemeester bovendien ook zelf verklaard dat het hennep is, want hij gaf aan dat het voor eigen gebruik was. De burgemeester ziet dan ook geen reden om anders aan te nemen. 4.3. De voorzieningenrechter overweegt dat de Afdeling in de uitspraak van 31 juli 2019 heeft overwogen dat in een bestuursrechtelijke procedure als deze geen strafrechtelijke bewijsregels gelden. Verweerder mag, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid om het bewijs zelf vast te stellen, in beginsel afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeven. Indien de betrokkene de bevindingen betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. In deze zaak gaat het om een bestuurlijke rapportage die op ambtseed is opgemaakt. Ook van zo’n rapportage mag worden uitgaan, tenzij hetgeen verzoeker aanvoert twijfel wekt aan de betrouwbaarheid van de vastlegging in de bestuurlijke rapportage. 4.4. De omstandigheid dat er door het NFI (nog) geen onderzoek is gedaan, maakt niet dat niet van het in het rapport vermelde onderzoek door de politie kan worden uitgegaan. Niet gebleken is van aanwijzingen dat het onderzoek door de politie niet kan kloppen, noch dat de bestuurlijke rapportages onjuistheden bevatten. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat voor de politie geen bijzondere deskundigheid is vereist voor de herkenning van de geur en kenmerken van hennep, nu zij daar beroepsmatig geregeld mee wordt geconfronteerd. Verzoeker heeft bovendien zelf verklaard dat de hennep voor eigen gebruik was, waarmee hij in ieder geval voor een deel heeft bevestigd dat het om hennep ging. Dat de hennep volgens verzoeker al lang in de woning lag, acht de voorzieningenrechter niet erg aannemelijk, maar verder in dit kader ook niet relevant. Gelet hierop mocht de burgemeester aannemen dat genoemde hoeveelheid hennep/softdrugs is aangetroffen. De voorzieningenrechter gaat verder voorbij aan verzoekers stelling dat aan de aangetroffen (sier)vuurwapens geen sluitingsbevoegdheid kan worden opgehangen, omdat voornoemde grondslag volstaat. 4.5. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat de burgemeester bevoegd is de woning te sluiten. 4.6. De sluiting van de woning voor de duur van drie maanden is in overeenstemming met het beleid. Daarom komt het aan op de vraag of het bestreden besluit noodzakelijk en evenredig is. Is sluiting van de woning noodzakelijk? 5. Verzoeker betoogt dat er geen enkele noodzaak is tot sluiting van de woning. Er zijn geen meldingen of signalen van overlast bij de woning en is er geen feitelijke handel bij de woning waargenomen. 5.1. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. 5.2. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat als uitgangspunt geldt dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat die woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel. Dit levert op zichzelf al een belang op bij sluiting, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Die noodzaak zal in beginsel ook groter zijn als de betrokken woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk ligt, omdat een zichtbare sluiting van een dergelijke woning door de burgemeester voor bij die woningen betrokken drugscriminelen en voor buurtbewoners een signaal is dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit in die woningen. Daarbij is het een feit van algemene bekendheid dat in een grensstreek mede als gevolg van drugstoerisme veel illegale drugshandel vanuit woningen voorkomt. 5.3. De burgemeester heeft zich op het standpunt mogen stellen dat sluiting noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving van de woning en voor het herstel van de openbare orde. De woning van verzoeker is volgens de burgemeester in een kwetsbare wijk gelegen. In de afgelopen vijf jaar is in deze wijk (Boscherveld en Boschpoort) zes keer eerder een maatregel op grond van artikel 13b van de Opiumwet opgelegd. De burgemeester heeft daarbij verder aannemelijk kunnen vinden dat sprake is van feitelijke handel vanuit de woning, gelet op
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.