RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 21/975, ROE 21/3177, ROE 21/3439, ROE 22/149, ROE 22/1894 en ROE 22/2897 einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2023 in de zaken tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. F.Y. Gans), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (gemachtigde: P. Kalmar). Inleiding en procesverloop Deze uitspraak is de einduitspraak na de tussenuitspraak van 21 maart 2023 (ECLI:NL:RBLIM:2023:2035, de tussenuitspraak) en de reactie daarop van het college. Deze einduitspraak bouwt voort op die tussenuitspraak. De rechtbank geeft eerst nog een samenvatting van de feiten en het procesverloop, voordat zij tot een beoordeling komt. Eiser heeft zes verschillende aanvragen (over zes verschillende perioden) ingediend om bijzondere bijstand voor de reiskosten ter uitvoering van de omgangsregeling en andere daarmee verband houdende kosten. Het college heeft, voor zover nog van belang, de aanvragen gedeeltelijk afgewezen. Het heeft steeds de helft van de gevraagde bijzondere bijstand voor vergoeding van reiskosten in het kader van een omgangsregeling toegekend. Bijstand voor andere kosten in verband met omgang met de kinderen is steeds afgewezen. Met de bestreden besluiten op de bezwaren van eiser is het college daarbij gebleven. De rechtbank heeft de beroepen op 16 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken de geconstateerde gebreken te herstellen. Het college heeft op 31 maart 2023 medegedeeld hiervan geen gebruik te willen maken en verzocht om uitspraak te doen. De rechtbank bepaalt – zoals al in de tussenuitspraak is overwogen – dat een nadere zitting achterwege blijft, sluit het onderzoek en doet heden uitspraak. De overwegingen van de rechtbank
- In deze procedure is tussen partijen in geschil of het college juiste bedragen aan bijzonder bijstand heeft toegekend. Hierover heeft de rechtbank in de tussenuitspraak (kort samengevat) overwogen dat de besluiten van het college wat betreft de weigering van bijzondere bijstand voor (alle) reiskosten niet deugdelijk zijn gemotiveerd en in strijd zijn met het bepaalde in de artikelen 7:11 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.
- Deze uitspraak bouwt voort op die tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist. Het college herhaalt in zijn reactie van 31 maart 2023 weliswaar (kort samengevat) zijn standpunt, maar dat kan er niet toe leiden dat de rechtbank tot een ander oordeel komt dan in de tussenuitspraak.
- De rechtbank stelt vast dat het college de gebreken niet heeft hersteld. Dit betekent dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven. De beroepen zijn daarom gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten.
- Gelet op de aard van de zaken en van het gebrek ziet de rechtbank geen aanleiding zelf in de zaken te voorzien. Het college moet daarom nieuwe besluiten op bezwaar nemen en rekening houden met wat in de einduitspraak en in de tussenuitspraak is overwogen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
- Omdat de beroepen gegrond zijn, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht in de beroepen van totaal € 297,- (3 x € 49,- en 3 x € 50,-) vergoedt.
- De rechtbank veroordeelt verweerder tot slot in de proceskosten die eiser in beroep heeft gemaakt. De vergoeding wordt (met toepassing van het Besluit proceskosten) als volgt berekend. De bijstand van de gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 837,- en wegingsfactor 1,5 wegens meer dan vier samenhangende zaken. Toegekend wordt in totaal € 2.511,-. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten; - draagt het college op om binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van eiser met inachtneming van deze einduitspraak en de tussenuitspraak; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 297,- aan eiser te vergoeden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in beroep van € 2.511,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Schrammen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2023 de griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 11 mei 2023 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.