RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 22 / 1112 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2023 in de zaak tussen G.R. Projectontwikkeling B.V. (Green Resorts), uit Rotterdam, eiseres (gemachtigde: mr. E.P. Euverman), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten, verweerder (gemachtigde: mr. H.M.J.G. Neelis). Inleiding 1. Bij besluit van 29 november 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een last onder dwangsom opgelegd in verband met een bouwwerk op het perceel bekend als gemeente [kadasternummer] (hierna: het perceel). Daartegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. 1.1 Met het besluit van 7 april 2022 (het bestreden besluit) is verweerder bij het primaire besluit gebleven. 1.2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit. 1.3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] en [naam architect] , architect, namens eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Besluitvorming 2. Op 25 oktober 2021 heeft een toezichthouder van verweerders gemeente een controle uitgevoerd op het perceel, waarbij is geconstateerd dat daar een bouwwerk is gerealiseerd met de afmetingen: lengte 10,30 meter, breedte 3,60 meter, goothoogte 2,20 meter en nokhoogte 3,95 meter. Uit foto’s blijkt dat het bouwwerk op de begane grond bestaat uit een (kleine) slaapkamer met 2 bedden, een woongedeelte met een kookgelegenheid en een (eet)tafel met 4 stoelen en een (kleine) ruimte met sanitair (met een douche, een toilet en een wastafel) naast de slaapkamer. Boven die slaapkamer is er nog een (kleine) slaapkamer met 2 bedden direct onder de nok van het dak. Om daar te komen is een ladder aanwezig. Voor het overige kijkt men vanuit de begane grond tegen de nok aan. 3. Het perceel heeft op basis van het bestemmingsplan “Resort Mooi Bemelen” (hierna: het bestemmingsplan) de enkelbestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 7’ en ‘Waarde – Landschapselement’. Bovendien ligt een functieaanduiding “specifieke vorm van recreatie – 6” op het perceel met de gebiedsaanduidingen “milieuzone – bodembeschermingsgebied” en “milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied”. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bouwwerk dient te worden aangemerkt als een recreatiewoning als bedoeld in het bestemmingsplan en niet past binnen de van toepassing zijnde aanduiding “specifieke vorm van recreatie – 6”, hetgeen in strijd is met artikel 5.1.1, onder a, van de regels van het bestemmingsplan (hierna ook: planregels). Omdat sprake is van een recreatiewoning en niet binnen het bouwvlak is gebouwd acht verweerder het bouwwerk tevens in strijd met artikel 5.2.1, onder a, van de planregels. Ook is volgens verweerder de oppervlakte meer dan de toegestane 30 m². Nu voor het bouwwerk geen omgevingsvergunning is verleend, handelt eiseres volgens verweerder tevens in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). 4. Bij brief van 26 oktober 2021 heeft verweerder deze bevindingen aan eiseres gemeld en verzocht het bouwwerk binnen een termijn van 7 dagen te verwijderen en verwijderd te houden en geen nieuwe bouwwerken meer te plaatsen. Daarbij is aangekondigd dat handhavend zal worden opgetreden als na die termijn blijkt dat het bouwwerk niet is verwijderd. Tevens heeft verweerder kenbaar gemaakt niet voornemens te zijn om medewerking te verlenen aan legalisatie van het bouwwerk. Naar aanleiding van deze brief heeft eiseres zienswijzen naar voren gebracht. Volgens haar is geen sprake van een recreatiewoning maar een trekkershut die zowel voldoet aan artikel 5.1.1 van de planregels (doeleindenomschrijving) als aan artikel 5.2 van de planregels (bouwregels). 5. Bij het primaire besluit heeft verweerder gelast het bouwwerk binnen veertien dagen na de verzenddatum van dit besluit van het perceel te verwijderen en verwijderd te houden. Indien eiseres niet tijdig aan deze last voldoet dan verbeurt zij een dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 30.000,-. Volgens verweerder is het bouwwerk een recreatiewoning met name omdat er sprake is van sanitaire voorzieningen (douche, toilet en wasbak). Het is geen trekkershut die volgt uit de VNG-definitie: ‘een eenvoudige constructie zonder sanitaire voorzieningen’. Omdat recreatiewoningen binnen het bouwvlak moeten worden gebouwd en dat hier niet het geval is, is er strijd met de artikelen 5.1.1, onder a, en 5.2.1, onder a, van de planregels. Voorts staat in het primaire besluit dat, als het wel een trekkershut zou zijn, de oppervlakte daarvan meer dan 30 m² is en er strijd is met artikel 5.2.1, onder h, van de planregels. Vanwege de strijd met het bestemmingsplan en het oprichten van de recreatiewoning zonder omgevingsvergunning is tevens gehandeld in strijd met artikel 2.1, onder a en c, van de Wabo. Tot slot is in het primaire besluit aangegeven dat verweerder niet voornemens is mee te werken aan het legaliseren van het bouwwerk op het perceel. 5.1 Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. 5.2. Bij uitspraak van 31 januari 2022 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het primaire besluit tot vier weken na de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening geschorst. 5.3. Verweerder heeft op 22 februari 2022 de begunstigingstermijn verlengd met één week na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Het bouwwerk is (tijdig) verwijderd. 6. Het bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard en de last onder dwangsom is in stand gelaten. 6.1. Verweerder heeft in het verweerschrift de gestelde overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo als grondslag van het primaire en het bestreden besluit laten vervallen, omdat op grond van artikel 3, onderdeel 2, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen omgevingsvergunning nodig is voor de activiteit bouwen. Beoordeling door de rechtbank 7. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit waarbij de last onder dwangsom in stand is gelaten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. De rechtbank zal - zie onder 6.1 - zich in dit verband beperken tot de gestelde overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. 8. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. 8.1. Voor de relevante wetgeving en regels van het bestemmingsplan verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak. Is sprake van een trekkershut of recreatiewoning? 9. Eiseres voert aan dat het bouwwerk niet in strijd is met het bestemmingsplan, omdat sprake is van een trekkershut. Het door verweerder gemaakte onderscheid tussen een recreatiewoning en trekkershut, te weten dat een trekkershut niet mag voorzien in sanitaire voorzieningen, volgt niet uit het bestemmingsplan. Deze interpretatie van verweerder is in strijd met de rechtszekerheid. Eiseres is uitgegaan van de letterlijke tekst van de planregels en de systematiek van het bestemmingsplan. Daaruit volgt dat een trekkershut een bouwwerk is met een oppervlakte van maximaal 30 m² dat niet buiten het kampeerseizoen wordt gebruikt. Verweerder had niet mogen aansluiten bij de definitie van trekkershut uit de VNG-brochure, maar bij het Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal. Volgens dit woordenboek is een trekkershut een ‘eenvoudig huisje met bedden en kookgelegenheid waar trekkers kunnen overnachten’. Uitgaande van deze definitie kan het bouwwerk worden aangemerkt als trekkershut, omdat het feitelijk een eenvoudig huisje is en de indeling, de omvang en de voorzieningen zijn afgestemd op een kort verblijf van passanten. 10. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behorende regels bepalend voor het antwoord op de vraag of een activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. Wanneer een planregel duidelijk is dient deze omwille van de rechtszekerheid letterlijk te worden uitgelegd, omdat de rechtszekerheid vereist dat van wat in zo’n plan is bepaald kan worden uitgegaan. De toelichting heeft in zoverre betekenis dat deze over de bedoeling van de planwetgever meer inzicht kan geven indien de bestemming en de bijbehorende planregels, waaraan moet worden getoetst, op zichzelf, noch in samenhang beschouwd duidelijk zijn. Bij gebrek aan aanknopingspunten in het bestemmingsplan en de toelichting voor de wijze waarop een begrip uitgelegd moet worden, kan aansluiting gezocht worden bij het algemeen spraakgebruik. 10.1. Gelet op deze vaste rechtspraak zijn voor de vraag of het bouwwerk in strijd is met het bestemmingsplan, de bestemming (functieaanduiding) “specifieke vorm van recreatie – 6” en de daarbij behorende planregels beslissend. Deze planregels dienen omwille van de rechtszekerheid letterlijk te worden uitgelegd, omdat de rechtszekerheid vereist dat van wat in een bestemmingplan is bepaald kan worden uitgegaan. 10.2. De rechtbank stelt vast dat ter plaatse de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – 6’ geldt en derhalve, op grond van artikel 5.1.1 van de planregels, geen recreatiewoningen zijn toegestaan op het perceel, maar wel trekkershutten. Dit is door partijen niet betwist. Evenmin is betwist dat op basis van het bestemmingsplan een trekkershut niet tegelijk een recreatiewoning kan zijn en andersom. Voorts staat vast dat een trekkershut uitsluitend tijdens het kampeerseizoen van 15 maart tot 1 november, als opgenomen in artikel 5.1.1 in samenhang met artikel 1.67 van de planregels, in gebruik is / mag zijn. Dat de trekkershut er het hele jaar staat maakt dit niet anders, omdat het gaat om het in gebruik zijn van de trekkershut. 10.2.1. In het bestemmingsplan is geen definitie opgenomen van het begrip ‘trekkershut’. Uit de artikelen 5.1.1. en 5.2.1 van de planregels volgt wel dat een trekkershut uitsluitend tijdens het kampeerseizoen in gebruik mag zijn en het oppervlak van een trekkershut ten hoogste 30 m² mag bedragen. In het bestemmingsplan is niet opgenomen dat een trekkershut geen sanitaire voorzieningen mag bevatten, noch is - in tegenstelling tot een recreatiewoning - een maximale verblijfsduur opgenomen. Wat onder een recreatiewoning wordt verstaan is wel opgenomen in het bestemmingsplan. Uit de definitie van recreatiewoning blijkt niet wat (b.v. qua sanitaire voorzieningen) het verschil is tussen een trekkershut en een recreatiewoning. Uit (de systematiek van) het bestemmingsplan volgt derhalve dat het verschil tussen een trekkershut en recreatiewoning enkel erin gelegen is dat een trekkershut uitsluitend tijdens het kampeerseizoen in gebruik mag zijn en ten hoogste 30 m² mag bedragen en dat een recreatiewoning in het bouwvlak dient te worden gebouwd. Dat een trekkershut geen sanitaire voorzieningen mag hebben volgt naar het oordeel van de rechtbank niet (voldoende) uit (de systematiek van) het bestemmingsplan. 10.3. De rechtbank is van oordeel dat indien de planwetgever had gewild dat in een trekkershut geen sanitaire voorzieningen mogen zitten, hij dit in het bestemmingsplan had dienen op te nemen. De planwetgever heeft ervoor gekozen om geen definitie van een trekkershut in het bestemmingsplan op te nemen. De rechtbank vindt dat verweerder zich in strijd met de rechtszekerheid op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van een recreatiewoning omdat het bouwwerk sanitaire voorzieningen bevat. Uit het oogpunt van rechtszekerheid kan de VNG-omschrijving van een trekkershut - zie onder 5 - niet worden geacht in het bestemmingsplan te zijn opgenomen / te worden ingelezen. 10.3.1. De verwijzing door verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2021 volgt de rechtbank niet, omdat dat een ander geval betreft. In die zaak is namelijk, in tegenstelling tot de onderhavige casus, het begrip trekkershut (gebouw ten behoeve van kortdurend recreatief nachtverblijf, niet zijnde een recreatiewoning) wel in het bestemmingsplan opgenomen. De Afdeling heeft in die zaak overwogen dat ‘gelet op de in het bouwwerk aangebrachte voorzieningen ten behoeve van de bewoning daarvan, die niet slechts op een kortdurend nachtverblijf zien, het in het desbetreffende bestemmingsplan gemaakte onderscheid tussen enerzijds een trekkershut voor kortdurend nachtverblijf en anderzijds een recreatiewoning of recreatieverblijf en gelet op het feit dat de ter plaatse geldende bestemming "Recreatie-4" ook voorziet in afzonderlijke sanitaire voorzieningen, hetgeen een aanwijzing is voor het standpunt dat een trekkershut als bedoeld in de planregels geen eigen sanitaire voorzieningen heeft, het bouwwerk niet als een trekkershut als bedoeld in de planregels kan worden aangemerkt’. 10.3.2. In het onderhavige geval wordt weliswaar ook in het bestemmingsplan een onderscheid gemaakt tussen enerzijds een trekkershut en anderzijds een recreatiewoning, maar in het bestemmingsplan is niet opgenomen dat een trekkershut er (enkel) is ten behoeve van kortdurend recreatief nachtverblijf. Dat artikel 5.2.1, onder c, van de planregels het mogelijk maakt dat sanitaire voorzieningen ook buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen aanwijzing voor het standpunt dat een trekkershut als bedoeld in de planregels geen eigen sanitaire voorzieningen heeft / mag hebben, omdat dit artikellid voortbouwt op onderdeel a en b, waarin is opgenomen dat recreatiewoningen uitsluitend in het bouwvlak mogen worden gebouwd en het bouwvlak geheel mag worden bebouwd. Voor een trekkershut geldt niet dat deze enkel in het bouwvlak mag worden gebouwd. Daar komt bij dat er ter plaatse ook kampeermiddelen mogen staan (denk aan caravans) die over eigen sanitaire voorzieningen kunnen beschikken. Hierbij merkt de rechtbank nog op - zie onder 2 - dat het bouwwerk een compacte indeling heeft en de omvang en de eenvoud van de voorzieningen in de trekkershut zodanig zijn dat die, anders dan bij een recreatiewoning, feitelijk zijn afgestemd op een kort(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.