Rechtbank Limburg – ECLI:NL:RBLIM:2023:4260
RECHTBANK LIMBURG Inloopteam bestuursrecht zaaknummers: ROE 21/2151 en ROE 21/3281 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. A.C.S. Grégoire), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV), verweerder (gemachtigde: mr. E.F.D.A. Römgens).
Aan het geding in zaak ROE 21/2151 heeft verder deelgenomen: de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (hierna: Staat).
Inleiding Met het besluit van 17 maart 2021 (het primaire besluit I) heeft het UWV eiser laten weten dat zijn uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) over de periode van 1 november 2020 tot en met 28 februari 2021 is berekend. Het UWV heeft bepaald dat eiser over deze periode te veel voorschot heeft ontvangen, namelijk € 896,97 bruto te veel. Eiser moet dit terugbetalen.
Met het besluit van 19 maart 2021 (het primaire besluit II) heeft het UWV eiser laten weten dat hij binnen zes weken € 844,88 terug moet betalen. Een deel van het terug te vorderen bedrag is uitgekeerd in 2021 en dat mag eiser in hetzelfde jaar netto (in plaats van bruto) terugbetalen. Hierdoor is het bedrag lager dan het genoemde bedrag in het primaire besluit I.
Met een brief van 25 maart 2021 (de brief) heeft het UWV eiser geïnformeerd over een betalingsregeling.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten I en II. Ook heeft eiser zich verzet tegen de betalingsregeling.
Met de beslissing op bezwaar van 27 juli 2021 (het bestreden besluit I) heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard en de primaire besluiten I en II gehandhaafd. Daarnaast heeft het UWV het verzet tegen de brief gegrond verklaard en besloten dat eiser op dat moment geen aflossingscapaciteit heeft. Het UWV ziet af van invordering en verleent eiser uitstel van betaling, totdat hij meer inkomen heeft.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer ROE 21/2151. Tijdens de beroepsprocedure heeft het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (14 september 2021, het bestreden besluit II), waarin de vergoeding van de kosten in bezwaar is aangepast. Met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroep van eiser tegen het bestreden besluit I mede gericht geacht tegen het bestreden besluit II.
Met het besluit van 13 augustus 2021 (het primaire besluit III) heeft het UWV eiser medegedeeld dat de in het bestreden besluit I toegekende vergoeding van kosten in bezwaar is verrekend met de openstaande vordering.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit III. Het UWV heeft met het besluit van 16 november 2021 (het bestreden besluit III) het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit III beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer ROE 21/3281.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de bestreden besluiten I, II en III.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2023 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Wat ging aan deze procedure vooraf 1. Eiser heeft sinds 22 maart 2019 recht op een WIA-uitkering. Eiser is op 2 november 2020 in dienst getreden bij [bedrijfsnaam] . Dit dienstverband is beëindigd per 12 februari 2021. Eiser is op 10 februari 2021 in dienst getreden bij Vandaag Personeelsdiensten.
Wat vindt het UWV 3. Het UWV vindt dat eiser over de periode 1 november 2020 tot en met 28 februari 2021 meer uitkering heeft ontvangen dan waar hij recht op had. Eiser heeft in 2020 € 702,09 bruto te veel ontvangen en in 2021 € 142,79 netto te veel ontvangen. Indien eiser het te veel ontvangen bedrag van 2021 in datzelfde jaar nog terugbetaald, moet eiser in totaal € 844,88 terugbetalen. Anders moet eiser € 896,97 terugbetalen.
Wat vindt eiser 5. Eiser is het niet eens met het UWV. Hij kan zich niet verenigen met de hoogte van de schuld. Eiser vindt het bestreden besluit I innerlijk tegenstrijdig omdat twee verschillende terugvorderingsbedragen worden genoemd. Ook is eiser het niet eens met de vastgestelde vergoeding voor de kosten in bezwaar. Er is geen rekening gehouden met het bijwonen van de hoorzitting.
Wat vindt de rechtbank Terug te vorderen bedrag 8. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen reden om aan te nemen dat het UWV de terug te vorderen bedragen onjuist heeft vastgesteld. Het UWV heeft in het bestreden besluit I aangegeven dat de gegevens van de in bezwaar overgelegde loonstroken overeenkomen met de polisgegevens. Eiser heeft dit niet betwist. Daarmee is er voor de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan deze vaststelling. Verder heeft het UWV naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende uitgelegd waarom er twee verschillende bedragen worden genoemd in het bestreden besluit I. Anders dan eiser acht de rechtbank dit niet tegenstrijdig, nu het UWV heeft aangegeven dat het bedrag van € 844,88 gedeeltelijk netto is en het bedrag van € 896,97 volledig bruto is.
Vergoeding kosten in bezwaar 9. Allereerst stelt de rechtbank het volgende vast. Eiser heeft aangevoerd dat de in het bestreden besluit I vastgestelde vergoeding voor de kosten in bezwaar onjuist is, omdat er geen rekening is gehouden met de hoorzitting. Het UWV heeft met het bestreden besluit II van 14 september 2021 besloten dat eiser in verband met deelname aan de hoorzitting recht heeft op een hogere vergoeding, namelijk € 1068,-. Voor het overige wordt het bestreden besluit I gehandhaafd. Met toepassing van artikel 6:19 van de Awb wordt het beroep van eiser mede gericht geacht tegen het bestreden besluit II. Nu het UWV met het bestreden besluit II tegemoetgekomen is aan eiser voor wat betreft de vaststelling van de vergoeding van de kosten in bezwaar behoeft dit punt naar het oordeel van de rechtbank geen verdere bespreking.
Bevoegdheid tot verrekening 10. Over het bestreden besluit III heeft eiser als formele grond aangevoerd dat het UWV in strijd heeft gehandeld met artikel 4:125, eerste lid, van de Awb door het bezwaar niet door te sturen naar de rechtbank. Partijen zijn het erover eens dat het bezwaarschrift van 23 augustus 2021 had moeten worden doorgezonden naar de rechtbank. Eiser stelt dat zijn beroep hierdoor gegrond is. Het UWV heeft ter zitting aangegeven zich te zullen refereren aan het oordeel van de rechtbank. Deze beroepsgrond slaagt en hiertoe is het volgende van betekenis.
Uitbetaling van vergoeding 15. Dan is er de vraag of het UWV het restant bevrijdend heeft betaald door dit aan eiser over te maken en niet aan de gemachtigde van eiser. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb dient een bestuursorgaan de in bezwaar gemaakte kosten van een belanghebbende te vergoeden bij een herroeping van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid van het bestreden besluit. In artikel 7:15, vierde lid, van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan de vergoeding aan de rechtsbijstandverlener betaalt, wanneer aan de belanghebbende een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand is verleend.
Bekendmaking van het primaire besluit III 17. Het UWV geeft in zijn schrijven van 2 november 2021 aan dat de beslissing met betrekking tot het verrekenen is genomen op 13 augustus 2021. Eiser heeft tegen deze brief aangevoerd dat het niet op juiste wijze bekend is gemaakt.
Schadevergoeding 20. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente af.
Zaak ROE 21/2151 24. Het UWV heeft op 22 maart 2021 het bezwaarschrift van eiser ontvangen tegen de primaire besluiten I en II. Op 27 juli 2021 heeft het UWV het bestreden besluit I genomen. Met de uitspraak van heden heeft de behandeling van het bezwaar en beroep van eiser (naar boven afgerond) 2 jaar en 4 maanden geduurd. De redelijke termijn is met 4 maanden overschreden. Eiser komt in aanmerking voor een vergoeding van € 500,-. Het UWV heeft het bezwaar behandeld in (afgerond) 4 maanden en daarmee binnen de termijn van 6 maanden. De rechtbank heeft het beroep behandeld in (afgerond) 24 maanden. De termijn van anderhalf jaar (18 maanden) is met 6 maanden overschreden. De overschrijding is in zijn geheel toe te schrijven aan de behandeling van het beroep door de rechtbank. De schadevergoeding moet daarom betaald worden door de Staat.
Zaak ROE 21/3281 25. Het UWV heeft op 23 augustus 2021 het bezwaarschrift van eiser ontvangen tegen het primaire besluit III. Met de uitspraak van heden heeft de behandeling van het bezwaar en beroep gezamenlijk minder dan 2 jaar geduurd. Er is in deze zaak geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn, op grond waarvan eiser recht zou hebben op een schadevergoeding.
Conclusie en gevolgen 26. Het beroep van eiser tegen de bestreden besluiten I en II en het primaire besluit III is ongegrond. Dit betekent dat hij geen gelijk krijgt. Omdat eiser in beroep geen gelijk krijgt, wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af. In de toepassing van artikel 6:19 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht. Deze vergoeding bedraagt € 1.674,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing De rechtbank:
Bijkomend besluit
Deze uitspraak is gedaan op 19 juli 2023 door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier. griffier rechter De uitspraak is verzonden op 19 juli 2023. en zal binnen een week na deze datum openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 96 van de Wet WIA is van overeenkomstige toepassing verklaard op de terugvordering van de onverschuldigde betaling, zodat een aan een belanghebbende toekomende schadevergoeding of proceskostenvergoeding kan worden verrekend met een uitkering of toeslag van het bestuursorgaan, een uitkering of toeslag van een ander bestuursorgaan of een opgelegde boete (Memorie van Toelichting Verzamelwet SZW 2013, kamerstuk 33556, 27 februari 2013).