RECHTBANK LIMBURG Familie- en Jeugdrecht Locatie Maastricht Zaaknummers: C/03/318405 / JE RK 23-990 Datum uitspraak: 21 juli 2023 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van: de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG, hierna te noemen: de GI, gevestigd te Roermond, betreffende de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonend op een bij de rechtbank bekend adres binnen het arrondissement Limburg, advocaat: mr. J.G. van Ek, kantoorhoudend te Heerlen, en [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonend te [woonplaats] , hierna gezamenlijk te noemen: de ouders. 1Het procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoek met bijlagen van de GI, ingekomen ter griffie op 31 mei 2023; - de brief van de vader van 29 juni 2023, ingekomen ter griffie op 5 juli 2023; - het bericht van de GI van 10 juli 2023; - het wijzigingsverzoek van de GI, ingekomen ter griffie op 10 juli 2023. 1.2. [minderjarige] heeft op 7 juli 2023 schriftelijk verzocht om een bijzondere curator te benoemen. 1.3. Op 18 juli 2023 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. Verschenen zijn: - de minderjarige [minderjarige] , die apart is gehoord en later ter mondelinge behandeling is bijgestaan door haar vertrouwenspersoon mr. B. Coomans; - de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de advocaat heeft de mondelinge behandeling voortijdig verlaten in verband met dringende afspraken elders; - de vader; - een vertegenwoordigster van de GI. 1.4. Ter mondelinge behandeling is gelijktijdig behandeld, maar niet gevoegd, de zaak met zaaknummer C/03/318302 / JE RK 23-982, waarin een afzonderlijke beschikking is gegeven. 2De feiten 2.1. Het gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders. [minderjarige] verblijft in een (netwerk)pleeggezin (bij grootmoeder moederszijde). 2.2. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 28 juli 2022 is [minderjarige] met ingang van 29 juli 2022 onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, aldus tot 29 juli 2023. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 4 november 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij grootmoeder moederszijde, verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling, aldus tot 29 juli 2023. 3Het verzoek De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden. Daarnaast verzoekt de GI – na wijziging van haar verzoek – een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen bij de ouder met gezag (de vader) voor de duur van zes maanden. Ten slotte verzoekt de GI de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI legt aan haar verzoeken ten grondslag dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader in het belang van de verzorging en opvoeding of tot onderzoek van haar geestelijke en lichamelijke gesteldheid noodzakelijk is. De ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] is gelegen in de ruzies en escalaties die tussen de moeder en [minderjarige] enerzijds en tussen de moeder en de vriend van [minderjarige] (de vader van haar kind [naam kind] ) anderzijds plaatsvinden en hebben plaatsgevonden. Deze escalaties zijn in het verleden zowel fysiek als verbaal (dreigen en schreeuwen) van aard geweest. Hoewel [minderjarige] aanvankelijk bij de pleegmoeder/haar grootmoeder verbleef, acht de GI een verblijf van [minderjarige] daar niet langer in haar belang. [minderjarige] en de pleegmoeder houden zich niet aan de gemaakte afspraken. [minderjarige] gaat vaak niet naar haar werk en/of is veelvuldig ziek, terwijl ze conform de afspraak met de leerplichtambtenaar 24 uur per week zou moeten werken. De pleegmoeder is veel weg van huis en niet altijd beschikbaar voor [minderjarige] . Ook worden afspraken rondom vakanties niet met betrokken partijen gedeeld en worden de ouders niet betrokken in belangrijke besluiten. Daarnaast zijn verhalen vaak tegenstrijdig en staan deze haaks op elkaar. Zowel de pleegmoeder als [minderjarige] geven geen duidelijkheid als zorgelijke signalen met hen besproken worden. Er is weinig zicht op de pleegmoeder. De pleegmoeder deelt zaken niet volgens afspraken met de GI en is daar al meerdere malen op aangesproken. Dit zorgt echter niet voor verandering waardoor informatie de GI vaak pas achteraf bereikt. Er kan dan niet adequaat ingegrepen worden. Op het moment dat Pleegzorg, de GI of Voorzorg vanuit de GGD Zuid-Limburg aanwezig zijn, lijken de betrokkenen zich altijd van hun beste kant te laten zien, maar in de praktijk krijgt [minderjarige] alle ruimte van de pleegmoeder, hetgeen zorgelijk is voor een zestienjarig meisje met een baby. Het lukt [minderjarige] immers nog niet altijd om goede keuzes in haar eigen belang en in het belang van haar kind te maken. De GI acht het van belang dat er rust komt voor [minderjarige] en haar baby. Op dit moment is dat niet meer gewaarborgd bij de pleegmoeder. Het risico op escalaties, zoals deze eerder hebben plaatsgevonden, is hoog. De GI acht het van belang dat [minderjarige] uit huis zal worden geplaatst bij de ouder met gezag, haar vader. 3.1. De GI heeft haar verzoek – na een korte schorsing van de mondelinge behandeling – gehandhaafd. 4De mening van [minderjarige] De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. [minderjarige] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en is ter mondelinge behandeling apart, buiten aanwezigheid van de overige belanghebbenden gehoord. Na dit gesprek heeft de kinderrechter met [minderjarige] , haar vertrouwenspersoon, de ouders en de GI gezamenlijk gesproken. [minderjarige] geeft – samengevat – het volgende aan. [minderjarige] geeft aan dat ze sinds een paar weken geen contact meer heeft met haar beide ouders. Hoewel het contact met haar vader aanvankelijk goed was, heeft er enkele weken geleden – naar de kinderrechter begrijpt – een incident plaatsgevonden rondom een proefrijles en het geven van toestemming daarvoor door de vader. Dit incident heeft ertoe geleid dat [minderjarige] ook geen contact meer heeft met haar vader. [minderjarige] kan zich niet vinden in de visie van de GI en de ouders en de door de GI en de ouders ingenomen stellingen. [minderjarige] vindt het verzoek van de GI erg onduidelijk. Aanvankelijk heeft de GI immers verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing waarbij [minderjarige] gedeeltelijk bij de pleegmoeder en gedeeltelijk bij haar vader zou verblijven en binnen een kort tijdsbestek heeft de GI, om voor [minderjarige] onduidelijk redenen, verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader. [minderjarige] voelt zich niet gehoord en niet serieus genomen en heeft het gevoel dat de beslissing al op voorhand is genomen. [minderjarige] wenst dan ook dat haar belangen door een bijzondere curator zullen worden behartigd en verzoekt de kinderrechter om een bijzondere curator te benoemen. De ouders doen zich volgens [minderjarige] anders voor wanneer instanties erbij zijn en wanneer zittingen op de rechtbank plaatsvinden. Zo wilden de ouders eerder geen toestemming verlenen voor de erkenning van haar zoontje [naam kind] , maar geven ze ter zitting aan geen bezwaar tegen te hebben tegen erkenning door de vader van [naam kind] . [minderjarige] wil niet met [naam kind] bij haar vader of in een moeder-kindhuis verblijven. [minderjarige] is van mening dat het goed gaat bij de pleegmoeder thuis en dat het in het belang van zowel [naam kind] als [minderjarige] zelf is om bij de pleegmoeder te verblijven. Bij de pleegmoeder krijgen [minderjarige] en haar zoontje de rust die zij nodig hebben. Ook hebben [naam gezinsvoogd] , de gezinsvoogd, en [naam] (Voorzorg) eerder aangegeven dat [minderjarige] bij de pleegmoeder kan verblijven. [minderjarige] wil graag bij haar pleegmoeder blijven wonen en samen met haar ouders, de GI en de bijzondere curator in gesprek gaan om te kijken wat er niet goed is gegaan en welke oplossing daarvoor kan worden gevonden. [minderjarige] wil graag samenwerken in plaats van elkaar tegen werken. 5Het standpunt van de belanghebbenden De ouders verzetten zich – naar de kinderrechter begrijpt – niet tegen het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, noch tegen het (gewijzigd) verzoek tot verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader en het verzoek van [minderjarige] om een bijzondere curator te benoemen. De ouders zijn, na een lange periode van hard werken, inmiddels beter in staat om met elkaar te communiceren en samen te werken en zijn het er beiden over eens dat het niet in het belang van [minderjarige] en haar zoontje [naam kind] is om nog langer bij de pleegmoeder te verblijven. De pleegmoeder houdt zich immers niet aan de afspraken, communiceert niet goed met de ouders en belast [minderjarige] met volwassenenproblematiek. De pleegmoeder dient essentiële dingen met de ouders te bespreken, maar laat het na dit te doen. De ouders hebben een andere visie op de (recente) gebeurtenissen dan [minderjarige] (de erkenning van [naam kind] en het incident rondom de proefrijles). Zij menen dat [minderjarige] het moeilijk vindt dat de ouders beter samenwerken en samen een ‘’front’’ vormen en dat [minderjarige] om die reden niet meer bij haar vader wil verblijven. De ouders hebben aangegeven ook graag het gesprek te willen aangaan met [minderjarige] , de GI en de bijzondere curator in de hoop dat er een oplossing kan worden gevonden. 6De beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht 6.1. Deze zaak draagt een internationaal karakter. De vader (met gezag) van [minderjarige] woont immers in [woonplaats] . Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling te komen, dient de kinderrechter daarom eerst de vraag te beantwoorden of de Nederlandse rechter ten aanzien van de beoordeling van het ingediende verzoek rechtsmacht toekomt. Daarnaast dient de vraag te worden beantwoord welk recht van toepassing is. De kinderrechter is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland gelegen is. Gelet op dit laatste feit is Nederlands recht op de verzoeken van toepassing. De ondertoezichtstelling 6.2. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter de duur van een ondertoezichtstelling verlengen, indien de minderjarige nog zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Ook moet de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de gezaghebbende ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.