RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Bestuursrecht zaaknummer: ROE 22/1305 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2023 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: [naam gemachtigde 1] ), en het Centraal Administratie Kantoor (CAK), verweerder (gemachtigde: [naam gemachtigde 2] ). Procesverloop Eiseres ontvangt van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (het college) de maatwerkvoorziening: hulp bij het huishouden (hbh) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en moet daarom maandelijks een eigen bijdrage aan verweerder betalen. Bij besluit van 12 oktober 2020 heeft verweerder voor januari tot en met maart 2020 en vanaf juni 2020 de door eiseres te betalen eigen bijdrage vastgesteld op € 15,20 per maand. Over april en mei 2020 is de eigen bijdrage vanwege de landelijke coronamaatregelen vastgesteld op € 0,00 per maand. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 27 oktober 2020 de eigen bijdrage vanaf november 2020 vastgesteld op € 19,00 per maand. Bij besluit van 6 januari 2021 heeft verweerder de eigen bijdrage over december 2020 vastgesteld op € 11,40 per maand en vanaf januari 2021 op € 19,00 per maand. Per brief van 14 december 2021 heeft verweerder aan eiseres laten weten dat de eigen bijdrage van januari 2020 tot en met maart 2020 € 15,20 per maand bedraagt en over april en mei 2020 € 0,00 per maand. Daarnaast is aan eiseres medegedeeld dat de eigen bijdrage vanaf juni 2020 tot en met oktober 2020 € 15,20 per maand bedraagt, over november 2020 € 19,00, over december 2020 € 11,40 en vanaf januari 2021 € 19,00 per maand. Eiseres heeft tegen de brief van 14 december 2021 een bezwaarschrift ingediend. Op 25 februari 2022 heeft verweerder in opdracht van het college aan eiseres correctiefacturen verstuurd, waarin de opgelegde eigen bijdragen voor de maanden maart 2020 en van juni 2020 tot en met april 2021 zijn gecorrigeerd naar € 0,00 per maand. Bij besluit van 25 mei 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder besloten dat het bezwaarschrift van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de brief van 14 december 2021 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zitting De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van verweerder van 25 mei 2022 op 18 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder de beslissing. Beslissing De rechtbank verklaart: - het beroep niet-ontvankelijk; - wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. Overwegingen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.