RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 21/3204 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2023 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. P.J.M. Bongaarts), en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de minister) (gemachtigde: mr. P.E. Merema). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de herziening en terugvordering van zijn uitwonendenbeurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). 1.1 De minister heeft met een besluit van 26 november 2020 de uitwonendenbeurs van eiser ingetrokken per 1 januari 2020 en vervolgens € 2.367,09 van hem teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 29 november 2021 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven. 1.2 De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3 De rechtbank heeft het beroep op 20 oktober 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [naam broer] (broer van eiser), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Totstandkoming van het besluit 2. Eiser studeert en ontvangt studiefinanciering. Eiser staat sinds 15 oktober 2019 ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) op het adres [adres] te [woonplaats] . De ouders van eiser wonen op ongeveer 1 kilometer van het brp-adres. Twee toezichthouders hebben op 30 oktober 2020 een controle verricht op het brp-adres om te kijken of eiser daar daadwerkelijk woonde. De toezichthouders hebben naar aanleiding van de controle een Rapportage Huisbezoek (gedateerd 30 oktober 2020) opgesteld. 2.1 Uit de controle is volgens de minister gebleken dat eiser feitelijk niet woonde op het adres waaronder hij bij de gemeente staat ingeschreven. Dat is reden voor de minister om de uitwonendenbeurs per januari 2020 te herzien. Bij het besluit van 26 november 2020 heeft de minister de hoogte van de studiefinanciering aangepast over de periode januari 2020 tot en met november 2020. Eiser heeft volgens de minister in die periode € 2.367,09 te veel studiefinanciering ontvangen en moet dat terugbetalen. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of de minister terecht de uitwonendenbeurs van eiser over de periode januari 2020 tot en met november 2020 heeft ingetrokken en over deze periode € 2.367,09 terugvordert van eiser. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5. De rechtbank verwijst voor de relevante wettelijke bepalingen naar de bijlage bij deze uitspraak. 6. Eiser voert – samengevat – aan dat de besluitvorming niet zorgvuldig was nu hij niet zelf in het onderzoek is betrokken. Eiser had in de gelegenheid moeten worden gesteld om zelf een toelichting te geven. De kleding en de verzorgingsspullen die in de woning zijn aangetroffen, behoren aan hem toe. Dat er – op één brief na – geen verdere papieren zijn aangetroffen, is niet merkwaardig: alle correspondentie verloopt tegenwoordig digitaal. De broer van eiser slaapt verder wel eens op de bank, maar woont bij zijn vriendin in Heerlen: daar heeft de broer zijn spullen naartoe overgebracht. Of de broer nog in de woning woont, zegt volgens eiser niets over de vraag of eiser er woont. Eiser stelt ook de onafhankelijkheid van de twee inspecteurs, die allebei de naam [naam] dragen, ter discussie. 7. De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt bij een belastend besluit als deze herziening geldt dat de bewijslast in eerste instantie op de minister rust. De minister moet aannemelijk maken dat eiser niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000. Uit de wettelijke systematiek vloeit voort dat de op de minister rustende bewijslast beperkt is tot het aannemelijk maken dat eiser op een bepaald moment niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000. Is dat bewijs door de minister geleverd dan wordt, ingevolge de werking van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, door de wetgever vermoed dat ook in de daaraan voorafgaande periode niet is voldaan aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000. 8. De minister heeft aan de bestreden besluitvorming de Rapportage Huisbezoek van 30 oktober 2020 ten grondslag gelegd. Daaruit blijkt dat eiser tijdens de controle niet thuis was. De hoofdbewoner en tevens broer van eiser ( [naam broer] ) heeft tijdens het huisbezoek de woning laten zien en vragen beantwoord. Ook hebben de controleurs hun bevindingen daarin weergegeven. 10. De minister is van mening dat uit de bevindingen tijdens het huisbezoek blijkt dat eiser feitelijk niet op het brp-adres woonde. De minister wijst erop dat de broer van eiser eerst heeft verklaard dat hij er samen met eiser woont, terwijl hij later verklaart dat eiser er alleen woont. De minister constateert verder dat op het brp-adres geen spullen zijn aangetroffen die er op duiden dat eiser hier zijn hoofdverblijf had. Er werd – op één poststuk na – niets aangetroffen dat naar zijn persoon te herleiden was: geen papieren, poststukken, iets van legitimatiebewijs, schoolboeken of andere studie-gerelateerde spullen. Tijdens het huisbezoek werd de hoofdbewoner/broer van eiser gesproken. Op één ongeopende enveloppe na kon hij niets laten zien dat aan eiser toebehoorde. Alle naar de persoon te herleiden spullen zoals foto’s en poststukken waren van de broer van eiser. De stelling dat veel digitaal gebeurt kan volgens de minister niet verklaren waarom nagenoeg niets op het brp adres is aangetroffen dat aantoonbaar aan eiser toebehoort. Van een onzorgvuldig onderzoek omdat eiser zelf niet is gehoord door de controleurs is volgens de minister geen sprake. 11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister op basis van het huisbezoek en de verklaring van de broer van eiser terecht geconcludeerd dat aannemelijk is dat eiser niet op het brp-adres woont. Daarbij heeft de minister er belang aan mogen hechten dat tijdens de controle – op één ongeopend poststuk na – geen spullen zijn aangetroffen die naar eiser te herleiden zijn: geen spullen die met zijn persoonlijke leven te maken hebben en aan hem toebehoorden. Als eiser stelt dat hij al langere tijd (ten tijde van de controle en uitgaande van de inschrijving in het brp al ruim één jaar) structureel zijn hoofdverblijf heeft op het brp-adres, dan valt redelijkerwijs te verwachten dat zich daar (meer) specifiek tot hem herleidbare spullen bevinden waaruit kan worden afgeleid dat hij daar woont. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat de broer van eiser daarover verklaart dat eiser (overigens anders dan uit de inschrijving in het brp volgt) er al ongeveer twee-en-een-half jaar woont, hij er altijd is en er ook altijd slaapt: dan geldt dat juist des te meer. De hoofdbewoner (de broer van eiser) is vervolgens meermaals in de gelegenheid gesteld om persoonlijke spullen van eiser te tonen, maar is daartoe niet in staat gebleken. Dat er tegenwoordig veel digitaal wordt gecorrespondeerd, verklaart onvoldoende dat er (op één brief
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.