RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/325446 / HA ZA 23-544 Vonnis van 20 november 2024 in de zaak van 1 [eiseres sub 1] , en 2. [eiser sub 2] , beiden wonende te [woonplaats] , eisers, advocaat: mr. S.L. Smits-Emons, tegen 1. de maatschap [gedaagde sub 1] , gevestigd te [vestigingsplaats] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 2] , gevestigd te [vestigingsplaats] ,3. [gedaagde sub 3], kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , gedaagden, advocaat: mr. W.A.M. Rupert. Eisers zullen hierna gezamenlijk [eisers] genoemd worden en gedaagden zullen hierna gezamenlijk [gedaagden] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 7 december 2023, - de akte overlegging producties van [eisers] , waarbij de producties 1 tot en met 22 zijn overgelegd, - de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4, - de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald, - de akte overlegging producties tevens wijziging van eis van [eisers] , waarbij de producties 23 tot en met 31 zijn overgelegd, - de mondelinge behandeling van 26 augustus 2024 en de door beide partijen overgelegde spreekaantekeningen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eisers] hebben op 17 juni 2020 de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] , kadastraal bekend als gemeente [kadasternummer 1] , met een perceelgrootte van 411 centiare, gekocht (hierna: het perceel [kadasternummer 1] ). 2.2. In artikel 1 onder optie A van de gesloten koopovereenkomst tussen [eisers] (als kopers) en een derde (als verkoper) van het perceel [kadasternummer 1] staat (onder andere) het volgende opgenomen: “(…) Verkoper verkoopt aan koper, die van verkoper koopt de eigendom van het perceel grond met woning en verdere aanhorigheden: plaatselijk bekend (incl. postcode): [adres 1] , [woonplaats] kadastraal bekend gemeente [kadasternummer 1] gedeeltelijk, groot circa 4 are en 11 centiare (de oppervlakte van het perceel is circa en dient door het kadaster te worden ingemeten. De kosten voor het inmeten komen voor rekening van buurman, de heer (…) van het adres [adres 2] , [woonplaats] . Aan de koopovereenkomst wordt een kadastrale kaart toegevoegd met de aangegeven nieuwe situatie, die partijen onderling zijn overeengekomen. Verder is het achterste gedeelte van het perceel al in gebruik bij de achterbuurman, hetgeen ook op de tekening is aangegeven). (…)” 2.3. Aan voormelde koopovereenkomst is (onder andere) de volgende kadastrale kaart gehecht. 2.4. [gedaagde sub 1] is een notariskantoor in maatschapsverband, waarvan [gedaagde sub 2] (hierna: [gedaagde sub 2] ) een van de maten is. De heer [gedaagde sub 3] (hierna: [gedaagde sub 3] ) is notaris bij [gedaagde sub 1] en tevens bestuurder van [gedaagde sub 2] . 2.5. Op 25 september 2020 heeft [gedaagde sub 3] in opdracht van de heer [naam achterbuur 1] en mevrouw [naam achterbuur 2] , te weten de achterburen van [eisers] (hierna: [naam achterburen] ), een splitsingsverzoek van het perceel [kadasternummer 1] ingediend bij het Kadaster. 2.6. [gedaagde sub 3] heeft bij e-mail van 8 oktober 2020 aan [naam achterburen] (met [eisers] in CC) (onder andere) het volgende medegedeeld: “(…) Ik heb uw wederpartij gesproken, de heer [eiser sub 2] , en hij deelde mij mee dat hij bekend was met het in gebruik zijn van een stuk grond van hem door een derde o.g.v. een recht (mogelijk ingebruikgeving). Indien dit het geval is, kan dat aan een verjaring in de weg staan. Maar het is vreemd dat u daar dan niets van zou weten. Ik heb hem gevraagd mij stukken te sturen waaruit een en ander blijkt. Om u en hem te informeren stuur ik u beiden wat kopieen uit literatuur toe over verjaring. De voor u belangrijke tekst is onderlijnd. Nadat ik die stukken van de heer [eiser sub 2] heb ontvangen zal ik beiden nader informeren, maar het is prettig als u beiden ingelezen bent over dit onderwerp. Nog even over de positie van de notaris. Ik treed op op verzoek van de heer [naam achterbuur 1] . Maar ik ben objectief. Ik ben geen partijnotaris. De heer [eiser sub 2] heeft niets te vrezen. Indien er redenen zijn om te concluderen dat er van verjaring geen sprake is dan houdt het op. (…)” 2.7. [eisers] hebben bij e-mail van 8 oktober 2020 als volgt gereageerd: “(…) Zoals afgesproken stuur ik u de benodigde stukken als bijlagen toe. Zie foto voor de ‘desbetreffende heg’ die als grens zou moeten dienen. Naar onze mening is deze heg niet eens enkele jaren oud en zouden we er zo tussendoor kunnen lopen. (…)” 2.8. Daarop heeft [gedaagde sub 3] op 8 oktober 2020 het volgende naar [eisers] gestuurd: “(…) in de omschrijving staat dat u een gedeelte van een perceel koopt en dat een deel bij de achterbuurman al in gebruik is zoals op de tekening aangegeven.(…)De omschrijving roept vragen bij mij op. Al in gebruik? Wat is daar de strekking/bedoeling van?” Het antwoord van [eisers] luidde: “(…)-Het “gedeelte van een perceel” heeft geen betrekking op de achterburen maar op onze buurman, de heer (…) van het adres [adres 2] . Op deze manier staat het ook vermeld in de koopovereenkomst die we reeds hebben toegestuurd aan u. Dit betreft het perceel aan de linkerzijde van de geschetste stippellijn in de kadastrale kaart(…)- In de huidige bijlage is een diagonaal gearceerd perceel zichtbaar. Deze arcering schetst het perceel dat naar ons gecommuniceerd is als “in gebruik” bij de achterburen. (…)” 2.9. Bij e-mail van 30 oktober 2020 heeft het Kadaster kenbaar gemaakt dat het perceel [kadasternummer 1] is gesplitst in twee percelen, te weten het perceel [kadasternummer 2] en [kadasternummer 3] . 2.10. [gedaagde sub 3] heeft bij e-mail van 23 december 2020 (onder andere) het volgende medegedeeld aan [eisers] : “(…) Ik ga er van uit dat u al onderzocht heeft, en geconstateerd, dat uw achterburen al in 1979 het gebruik van het tuingedeelte hebben, namelijk toen zijn eigenaar werden van de woning kregen zij dit stuk tuin feitelijk erbij. De haag stond er toen ook al. Dit hebben zij aan mij verklaard. Dat is ook de reden waarom zij in de veronderstelling waren eigenaar te zijn van dat tuingedeelte. Mocht u uit verklaringen van rechtsvoorgangers of (voormalige) buren tot een andere conclusie zijn gekomen, dat verzoek ik u mij dat per omgaande mee te delen. (…)” 2.11. [eisers] heeft bij e-mail van 23 december 2020 [gedaagde sub 3] verzocht om de splitsing ongedaan te maken en daarbij onder meer het volgende geschreven: “Met verbazing hebben wij kennis genomen van de inhoud van uw mailbericht van vandaag. (…) Voor een verkrijging van eigendom door verjaring moet echter ook sprake zijn van “bezit” van het perceel grond. Ook daarvan is geen sprake. Het gedeelte van de tuin is niet volledig afgebakend en wij kunnen ons eenvoudig de toegang verschaffen tot dat gedeelte van de tuin. Aan de voorwaarden voor extinctieve verjaring is dus niet voldaan. Daar komt bij dat indien de achterburen volharden in hun standpunt dat zij de eigendom van de strook grond door verjaring zouden hebben verkregen, op hen de bewijslast rust om te bewijzen dat zij zich de afgelopen 20 jaar onafgebroken als bezitter van die strook grond hebben gedragen. U kunt ook niet van ons verlangen dat wij het tegendeel gaan bewijzen. Zoals uit de registers blijtk zijn wij eigenaar van de strook grond. Indien de achterburen een andere mening zijn toegedaan, is het aan hen om dit te bewijzen. Een verklaring van de achterburen zelf is hiertoe onvoldoende.” 2.12. Op 30 december 2020 heeft [gedaagde sub 3] in opdracht van [naam achterburen] de verjaringsakte ingeschreven in de openbare registers van het Kadaster. In deze akte is vermeld dat het perceel [kadasternummer 3] door extinctieve verjaring eigendom is geworden van [naam achterburen] Een verklaring van [naam achterburen] is als bewijsstuk bij de verjaringsakte gevoegd, waaruit het volgende blijkt: “(…) Het betreffende grondstuk hebben wij sinds de koop van onze woning in 1976 in bezit. Het grondstuk is aan de betreffende zijde begrensd door een 190 cm hoge ligusterheg. Toen wij de woning in 1976 kochten stond die heg er al. Aan de verjaringstermijn is volgens ons dus in zeer ruime mate voldaan. (…)” 2.13. Op 1 juli 2021 heeft [gedaagde sub 3] een akte verbetering verjaring ingeschreven in de openbare registers van het Kadaster met daaraan toegevoegd een aanvullende verklaring van een buurvrouw, inhoudende dat [naam achterburen] perceel [kadasternummer 3] sinds 1976 in gebruik heeft gehad. 2.14. [eisers] hebben eerder tegen [naam achterburen] geprocedeerd. In die zaak is een vaststellingsovereenkomst gesloten. Zij zijn overeengekomen dat [naam achterburen] een bedrag van € 12.150,00 aan [eisers] zal betalen, waarbij de inschrijving van de verjaringsakte gehandhaafd blijft met doorhaling van de betwisting van [eisers] 3Het geschil 3.1. [eisers] vorderen na wijziging van eis dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat gedaagden, althans gedaagde sub 1 ( [gedaagde sub 1] ), althans gedaagde sub 2 ( [gedaagde sub 2] ), althans gedaagde sub 3 ( [gedaagde sub 3] ), onrechtmatig hebben gehandeld jegens eisers, gedaagden hoofdelijk, althans gedaagde sub 1 ( [gedaagde sub 1] ), althans gedaagde sub 2 ( [gedaagde sub 2] ), althans gedaagde sub 3 ( [gedaagde sub 3] ) veroordeelt tot betaling aan eisers van een schadevergoeding ten bedrage van € 26.487,00 althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 december 2020, subsidiair vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, gedaagden hoofdelijk, althans gedaagde sub 1 ( [gedaagde sub 1] ), althans gedaagde sub 2 ( [gedaagde sub 2] ), althans gedaagde sub 3 ( [gedaagde sub 3] ) veroordeelt tot betaling aan eiseres, van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van totaal € 1.258,24, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na betekening van het in deze tegen gedaagden te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening, gedaagden hoofdelijk, althans gedaagde sub 1 ( [gedaagde sub 1] ), althans gedaagde sub 2 ( [gedaagde sub 2] ), althans gedaagde sub 3 ( [gedaagde sub 3] ) veroordeelt in de kosten van deze procedure, de deurwaarderskosten daaronder begrepen, gevallen aan de zijde van eisers en verder dat deze kosten worden vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten vanaf 14 dagen na betekening van het in deze tegen gedaagde te wijzen vonnis, tot aan de dag van algehele voldoening en verder te vermeerderen met: - de nakosten van de advocaat van eisers, te begroten conform het liquidatietarief van de rechtbank, althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, waaronder ook de kosten van betekening van het in deze te wijzen vonnis, - de wettelijke rente over de nakosten van de advocaat van eisers waaronder de kosten van betekening van het in deze te wijzen vonnis, vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis aan gedaagden, 5. gedaagden hoofdelijk, althans althans gedaagde sub 1 ( [gedaagde sub 1] ), althans gedaagde sub 2 ( [gedaagde sub 2] ), althans gedaagde sub 3 ( [gedaagde sub 3] ) veroordeelt tot (terug)betaling van de aan [gedaagde sub 3] betaalde kosten voor het waardeloos verklaren en het inschrijven van een nieuwe akte van verjaring ter hoogte van € 737,50 incl. btw en kadasterkosten, 6. gedaagden hoofdelijk, althans gedaagde sub 1 ( [gedaagde sub 1] ), althans gedaagde sub 2 ( [gedaagde sub 2] ), althans gedaagde sub 3 ( [gedaagde sub 3] ) veroordeelt tot betaling van het bedrag van de schadevergoeding waarvoor [eisers] jegens [naam achterburen] aansprakelijk wordt gehouden, nader op te maken bij staat, 7. gedaagden hoofdelijk, althans gedaagde sub 1 ( [gedaagde sub 1] ), althans gedaagde sub 2 ( [gedaagde sub 2] ), althans gedaagde sub 3 ( [gedaagde sub 3] ) veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over het bedrag van € 2.150,00 vanaf 20 januari 2024 tot het moment dat de betaling door [naam achterburen] volledig is voldaan, althans tot 11 juni 2024. 3.2. [eisers] voeren ter onderbouwing van hun vordering – samengevat – aan dat [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld, meer specifiek dat [gedaagde sub 3] onzorgvuldig en in strijd met de Kadasterwet jegens [eisers] heeft gehandeld. [eisers] stellen zich op het standpunt dat zij hierdoor schade hebben geleden, welke schade volgens hen aan [gedaagden] kan worden toegerekend. 3.3. [gedaagden] betwisten het gevorderde en concluderen tot afwijzing van de vorderingen. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Toerekenbare onrechtmatige gedraging 4.1.1. [eisers] stellen zich op het standpunt dat [gedaagde sub 3] jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld door (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.