RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/313889 / HA ZA 23-50 Vonnis van 20 november 2024 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , te [woonplaats 1] ,
(1)De leningen van [eiser sub 2] , [eiseres sub 3] , [eiseres sub 4] en [eiseres sub 5] aan [gedaagde] 4.2.
- Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde] gesteld dat hij bereid is om na verkoop van de gemeenschappelijke eigendom het “het kale bedrag” – de rechtbank begrijpt: het netto uitgeleende bedrag zonder rente – aan [eiser sub 2] , [eiseres sub 3] , [eiseres sub 4] en [eiseres sub 5] “te effectueren” (randnr. 17, CvA). Gelet op dit standpunt zijn de leningen op zich als onbetwist dan wel erkend thans in rechte komen vast te staan, zodat deze in de verdeling dienen te worden betrokken. Het gaat dan om de aan [gedaagde] verstrekte leningen van [eiser sub 2] van € 5.000,00, van [eiseres sub 3] van € 4.500,00, van [eiseres sub 4] van € 2.000,00 en van [eiseres sub 5] van € 1.000,
- 4.2.
- [eiser sub 2] , [eiseres sub 3] , [eiseres sub 4] en [eiseres sub 5] maken over de door hen aan [gedaagde] verstrekte leningen aanspraak op een contractuele rente van 3% per jaar vanaf 1 en 2 oktober
- Zij baseren zich daarbij op een ‘schuldbekentenis en akte van geldlening’ die als bijlage is gevoegd bij een brief van 11 februari 2019 van [eisers] aan [gedaagde] . Nu die akte echter niet is ondertekend door [gedaagde] , is niet voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7A:1804 (oud) BW, zodat voor toewijzing van de gevorderde rente, althans voor het betrekken hiervan in de verdeling, geen plaats is. Ook anderszins is niet gebleken van een schriftelijk stuk waarin partijen hebben vastgelegd dat een rente van 3% per jaar over het uitgeleende bedrag verschuldigd is. Het wél door [gedaagde] ondertekende document van 11 september 2004 heeft geen betrekking op de leningen van [eiser sub 2] , [eiseres sub 3] , [eiseres sub 4] en [eiseres sub 5] , zodat dat stuk in zoverre geen relevantie heeft.
(2021)het onroerend goed te willen verkopen met daarbij een reëlere taxatie. De oude taxatie (…) had een ander doel, namelijk de aangifte erfbelasting. Een akkoord van gedaagde met de hoogte van de belasting aangifte, is niet hetzelfde als een taxatie voor verkoop in de vrije markt. De wens van een nieuwe taxatie van gedaagde, is puur ingegeven omdat familieleden zelf de toekomstige kopers zijn en de huizenmarkt enorm is gewijzigd in 2020 en 2021 doordat er tegen elkaar werd opgeboden. (…). Eiser sub 1 heeft echter een nieuwe taxatie herhaalde malen terzijde geschoven. Aangezien eiser sub 1 de verkoop al langere tijd tegenhoudt is het potentieel waardeverlies toe te schrijven aan eisers. (…).” 4.3.2. Ook bij gelegenheid van de mondelinge behandeling zegt [gedaagde] (zie pleitnota, randnr. 7): “In een volgende zitting zou de verdeling van de goederen kunnen worden behandeld, zodat ondertussen een taxatie kan plaatsvinden met een waardering van de prijs in 2021. (…).” 4.3.3. Voorop gesteld zij dat de rechter die de verdeling vaststelt, daarin enige mate van vrijheid geniet, in die zin dat hij niet is gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en niet expliciet behoeft in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren. In het licht hiervan acht de rechtbank, mede gelet op de omstandigheid dat – hoewel de samenstelling en omvang van de nalatenschap worden bepaald op de sterfdatum van de erflater – voor de waardering in beginsel de datum van verdeling wordt aangehouden, een nieuwe taxatie van het registergoed aangewezen. De stelling van [eisers] dat [gedaagde] bij betwisting van de taxatie vooraf aannemelijk moet maken dat de waarde van de onroerende zaken méér is dan € 1.436.000,00, maakt dat niet anders. De rechtbank heeft derhalve het voornemen een deskundige te benoemen. Die deskundige moet het registergoed, bestaande in de onderscheiden registergoederen zoals genoemd in de (herziene) conceptakte van verdeling, gaan taxeren naar de waarde hiervan in de vrije markt. Die vraag zal dan ook aan de te benoemen deskundige worden voorgelegd; tevens zal de deskundige worden gevraagd of er nog op- of aanmerkingen zijn over de taxatie van de registergoederen. Voordat tot een benoeming van een deskundige zal worden overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n), over de aan de deskundige(
- n)voor te leggen vragen en over de hoogte van het voorschot van de deskundige(n). Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(
- n)zij het op voorhand eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige(
- n)in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door [eisers] moeten worden betaald. 4.3.4. Op dit punt zal iedere verdere beslissing worden aangehouden. Het bakhuis 4.4. Bij wijziging van eis hebben [eisers] het zogeheten bakhuis in het tussen partijen gevoerde debat betrokken. Onbetwist is, zoals gezegd, dat [erflater] een voorkeursrecht tot koop had, welk recht thans tot de nalatenschap behoort. [eisers] hebben te kennen gegeven het bakhuis te willen kopen. [erflater] heeft echter op 25 juli 2018 schriftelijk verklaard dat hij niet wil dat het voorkeursrecht overgaat op zijn zoon [gedaagde] . Daartoe het volgende. 4.4.1. De schriftelijke verklaring van [erflater] dient te worden aangemerkt als een codicil in de zin van artikel 4:97 BW, zijnde een onderhandse door de erflater geheel met de hand geschreven, gedagtekend en ondertekend stuk. Het codicil heeft echter slechts een beperkt bereik, in die zin dat zonder verdere formaliteiten een beperkt aantal beschikkingen kan worden gemaakt, zoals legaten van kleren, lijfstoebehoren, bepaalde sieraden en van tot de inboedel behorende zaken en bepaalde boeken. Daarnaast kan men bij codicil bepalen dat het gelegateerde niet in enige huwelijksgemeenschap zal vallen. Ook kan de erflater bepalen wie de bewakers zullen zijn van een aantal bij wet geregelde persoonlijkheidsrechten van de erflater. Gelet hierop heeft het codicil van [erflater] een inhoud die buiten dit artikel valt, zodat het nietig is. 4.4.2. Het voorgaande impliceert dat zowel [eisers] als [gedaagde] samen het voorkeursrecht tot koop van het bakhuis hebben. Zij zullen zich derhalve gezamenlijk dienen te verstaan om tot koop van het bakhuis over te gaan en, in dat geval, over de koopprijs. Gelet hierop is hetgeen [eisers] hebben gevorderd ten aanzien van het bakhuis onder II van de gewijzigde eis, strekkende tot veroordeling van [gedaagde] om mee te werken aan de levering conform de (herziene) conceptakte van verdeling, bij de huidige stand van zaken een brug te ver. Kosten van executele 4.5. [eisers] stellen dat de door hen gemaakte kosten c.q. de kosten van de executele, begroot op een bedrag van (afgerond) € 10.000,00 inclusief BTW, als schuld van de nalatenschap dienen te worden beschouwd. Daartoe het volgende. Het is juist dat de kosten van executele voor rekening van de nalatenschap komen, zulks overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:7 lid 1 onder d BW. Dat kunnen ook advocaatkosten zijn. Gelet hierop dient te worden vastgesteld welke advocaatkosten betrekking hadden op de executele en welke niet. Nu dit onderscheid echter niet valt te maken – het overzicht dat [eisers] als productie 15 bij akte hebben overgelegd geeft dat inzicht niet – en het ervoor moet worden gehouden dat tevens sprake is van advocaatkosten die geen betrekking op de executele hebben (gehad), zal de rechtbank deze, als noodzakelijk ten behoeve van de executele gemaakte kosten, ex aequo et bono begroten op € 7.500,00. Dit bedrag kan derhalve als schuld van de nalatenschap worden aangemerkt. 5De beslissing De rechtbank 5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 11 december 2024 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.3.3., 5.2. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2024. Ook volgens het huidige artikel 7:129c lid 1 BW, dat geldt voor overeenkomsten die gelden vanaf 1 januari 2017, dient de rente schriftelijk te zijn bedongen, voor zover het gaat om partijen die natuurlijke personen zijn en niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf, zoals in casu. De gestelde schuld van [gedaagde] aan [eisers] van € 239.438,00 per 1 november 2022 is derhalve onjuist, omdat deze uitgaat van de besproken contractuele rente van 3% per jaar (randnr. 3.2, dgv.). Meer in het bijzonder: ECLI:NL:HR:1999:AA3369 alsmede ECLI:NL:RBROT:2013:10066. Zie opmerking bij voetnoot 2.