← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2024:10103

vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer / rolnummer: C/03/335353 / HA ZA 24-462 Vonnis van 18 december 2024 in de zaak van de stichting STICHTING GGZE, gevestigd te Eindhoven, eiseres, advocaat mr. T.A.M. van den Ende, tegen [gedaagde] , wonend te [woonplaats] , gedaagde, niet verschenen. Partijen worden hierna GGzE en [gedaagde] genoemd. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de rolbeslissing van 20 november 2024 de uitlating bevoegdheid aan de zijde van GGzE. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De beoordeling 2.
  3. Bij rolbeslissing van 20 november 2024 heeft de rechtbank als voorlopig oordeel gegeven dat de kamer voor andere zaken dan kantonzaken, gelet op de aard van de zaak (de afwikkeling van een geschil dat zijn basis vindt in de arbeidsovereenkomst), onbevoegd is om van het gevorderde kennis te nemen. GGzE is bij deze rolbeslissing in staat gesteld om zich uit te laten over dit voorlopige oordeel. 2.
  4. GGzE stelt dat haar vordering ziet op de niet-nakoming van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. Volgens GGzE houdt de ontstane situatie onvoldoende verband met de arbeidsrelatie tussen partijen, zodat de zaak bij de juiste rechter in behandeling is. 2.
  5. In artikel 93 aanhef en onder c Rv is bepaald dat de kantonrechter bevoegd is om zaken te behandelen en beslissen betreffende een arbeidsovereenkomst. Deze bevoegdheid moet ruim worden uitgelegd. Voldoende is dat de vordering verband houdt met de arbeidsovereenkomst. Nu de vaststellingsovereenkomst ziet op de terugbetaling van abusievelijk uitgekeerd loon en reiskosten, blijft de rechtbank bij haar oordeel dat de zaak moet worden verwezen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank. Nu GGzE haar vordering niet heeft ingediend bij de kamer voor kantonzaken, zal de rechtbank de zaak op de voet van art. 71 lid 2 Rv ambtshalve naar die kamer verwijzen. 2.
  6. Nu tegen [gedaagde] verstek is verleend, dient de nieuwe roldatum ingevolge art. 71, lid 4 Rv door GGzE bij exploot aan [gedaagde] te worden aangezegd onder betekening van deze beslissing tot verwijzing. 3De beslissing De rechtbank 3.
  7. verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Maastricht, op woensdag 15 januari 2025 om 10.00 uur voor beraad kantonrechter, 3.
  8. wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen, 3.
  9. beveelt dat GGzE de datum van de hiervoor vermelde rolzitting bij exploot zal aanzeggen aan [gedaagde] tegen wie verstek is verleend, onder betekening van deze beslissing tot verwijzing, 3.
  10. wijst GGzE erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge art. 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort. Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken. type: AH

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.