RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/327186 / KG ZA 24-32 Vonnis in kort geding van 14 maart 2024 in de zaak van
(2)op straffe van een dwangsom van € 10.000 per dag, althans een bedrag vast te stellen door de rechtbank, dat Rabobank daarmee in gebreke blijft, te rekenen vanaf de dag na betekening van het te wijzen vonnis;
- Rabobank veroordeelt in de proceskosten, de nakosten en de buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met wettelijke rente. 3.
- Rabobank heeft verweer gevoerd. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling Het spoedeisend belang 4.
- Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak. Vordering 1 Standpunten partijen 4.
- [eisers] stellen dat er een onvoorwaardelijke financierings-overeenkomst tot stand is gekomen, althans dat zij erop mochten vertrouwen dat de financiering verstrekt zou worden. Uit de e-mails van 14 december 2023 en 19 december 2023 (zie r.o. 2.
- en 2.11.) blijkt dat het KYC-onderzoek met een positief resultaat is afgerond. Aan de enige nog resterende voorwaarde voor verstrekking van de financiering is dus voldaan. Daar komt bij dat [naam senior accountmanager] hen op 15 december 2023, tijdens een bezoek aan hun bedrijf, heeft gefeliciteerd met de financiering. Nieuwe, ernstige, signalen die maken dat Rabobank kort voor de datum van levering van de jachthaven op de overeenkomst mocht terugkomen, ontbreken. Het beleid van Rabobank om contante transacties terug te dringen, is in strijd met haar zorgplicht gelet op het Convenant Contant Geld en dus onrechtmatig. Rabobank moet daarom de financiering van € 2.500.000,- verstrekken, aldus [eisers] 4.
- Rabobank betwist dat er sprake is van een onvoorwaardelijke financierings-overeenkomst. Er is geen door partijen ondertekende overeenkomst; de offerte voor de financiering is niet langer geldig, omdat de datum waarvoor de offerte getekend moest worden, verlopen is. Voor [eisers] moest duidelijk zijn dat het niet honderd procent zeker was dat de financiering rond zou komen. Rabobank verwijst daarbij onder meer naar de e-mail van 9 januari 2024 (zie r.o. 2.12.) van [eiseres sub 2] Die e-mail is een reactie op een telefoongesprek van diezelfde dag tussen [naam senior accountmanager] en [naam bestuurder] . In dat telefoongesprek heeft [naam senior accountmanager] [naam bestuurder] erop gewezen dat er signalen waren bij de afdeling KYC die aanleiding gaven tot een nieuw, nader, onderzoek, dat een commissie daarover nog zou oordelen en dat de uitkomst niet zeker was. Dat dit gesprek op die dag heeft plaatsgevonden, blijkt ook uit de belgeschiedenis van [naam senior accountmanager] . Rabobank wijst verder op de e-mail van 18 januari 2024 (zie r.o. 2.14.) waaruit valt op te maken dat [eisers] erover geïnformeerd zijn dat de verstrekking van het krediet nog afhing van het advies van de commissie. De ‘KYC signalen’ die genoemd zijn in de e-mail van 26 januari 2024 (zie r.o. 2.18.) zien op de extreem hoge contante geldstroom bij [eiseres sub 1] , in combinatie met het ontbreken van een harde toezegging door haar over de mate van het omlaag brengen van die contante geldstroom. 4.
- [eisers] stellen dat het door Rabobank genoemde telefoongesprek van 9 januari 2024 hen niets zegt. Als reactie op de ‘KYC signalen’ merken zij op dat de continuïteit van hun onderneming in gevaar komt als zij op korte termijn de contante geldstroom significant omlaag moeten brengen. Hun klanten zullen naar concurrenten vertrekken die wel instemmen met contante betalingen. [eisers] hebben volledig meegewerkt aan het Wwft-klantonderzoek. Zij spannen zich maximaal in om het aantal contante transacties terug te dringen. Oordeel voorzieningenrechter 4.
- Op basis van de informatie die in dit kort geding door partijen is verstrekt, acht de voorzieningenrechter het niet aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat tussen partijen een onvoorwaardelijke financieringsovereenkomst tot stand is gekomen. 4.5.
- Op 8 december 2023 heeft de afdeling Groot Zakelijk van Rabobank aan [eiseres sub 1] laten weten dat bij de offerte het voorbehoud gemaakt wordt dat het CDD/KYC onderzoek positief wordt afgerond (zie r.o. 2.6.). Uit de zinsnede “is ingevuld” in de e-mail van 14 december 2023 (zie r.o. 2.7.) kan niet afgeleid worden dat dit ‘invullen’ (de voorzieningenrechter begrijpt: voldoen aan het verzoek van Rabobank tot het invullen van formulieren en het verstrekken van informatie ten behoeve van het onderzoek) tot een positief advies heeft geleid. De e-mail vervolgt enkel met de mededeling dat Rabobank “op dit moment bezig is met het opmaken van een formeel bindende offerte, die nog zal worden besproken”. Eén van de bijlagen bij de conceptovereenkomst bevat de zinsnede “ ‘Nog aan te leveren documenten’ Alle partijen die deel uitmaken van de overeenkomst dienen volledig geaccepteerd te zijn in het kader van KYC/CDD” (zie r.o. 2.9.). Uit de e-mail van 19 december 2023 (zie r.o. 2.11.) blijkt evenmin dat een positief advies is gegeven. In die e-mail staat alleen dat er voldoende informatie voorhanden is om het KYC-klantenonderzoek af te kunnen ronden. De felicitatie van [naam senior accountmanager] op 15 december 2023 is onvoldoende om te kunnen aannemen dat sprake was van een positief advies van de afdeling KYC van Rabobank. [naam senior accountmanager] , werkzaam bij de afdeling Groot Zakelijk, kan [eisers] immers enkel feliciteren met het gegeven dat de bedrijfsresultaten dusdanig zijn dat de financiering verstrekt kan worden. Onweersproken staat tussen partijen vast dat [naam senior accountmanager] niet betrokken was bij het KYC-onderzoek en dat vanwege de Algemene verordening gegevensbescherming de afdeling KYC aan hem alleen het onderzoeksresultaat mocht meedelen. 4.5.
- De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat op 9 januari 2024 een telefoongesprek tussen [naam senior accountmanager] en [naam bestuurder] heeft plaatsgevonden met een inhoud zoals gesteld door Rabobank (zie r.o. 4.3.). Het is namelijk opvallend dat er die dag een e-mail wordt gestuurd vanuit [eiseres sub 2] naar [naam senior accountmanager] zonder inhoudelijk toelichtend commentaar, terwijl gelijktijdig de eerdergenoemde e-mail van 19 december 2023 wordt doorgezonden. Dat past bij een reactie op een net gevoerd telefoongesprek waarin verteld is over een nieuw onderzoek. Ook de inhoud van de e-mail van 18 januari 2024 van [naam bestuurder] (zie r.o. 2.14) wekt de indruk dat [eisers] zich ervan bewust waren dat er een nader klantonderzoek naar de vennootschappen liep dat voor onzekerheid zorgde. [naam bestuurder] schrijft in die e-mail van 18 januari 2024 immers “Zoals vernomen begreep ik dat er nog een intern onderzoek loopt aangaande de contante opnames.” 4.
- De voorzieningenrechter is van oordeel dat binnen het bestek van dit kort geding ook niet aannemelijk is geworden dat bij [eisers] het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat Rabobank het bedrag van € 2.500.000,- zou verstrekken om de aankoop van de jachthaven te kunnen financieren. 4.6.
- [eisers] kunnen, gelet op wat is overwogen in r.o. 4.5.
- en 4.5.2., voordat zij op 17 januari 2024 de koopovereenkomst sloten, bekend worden verondersteld met het feit dat er nog geen zekerheid bestond dat de verzochte financiering verstrekt zou worden. De enkele stelling van [eisers] dat er tussen Rabobank en de notaris, bij wie zou worden gepasseerd, contact zou zijn geweest over het finaliseren van de hypotheekakte maakt dit niet anders. 4.
- Of sprake is van een schending van de zorgplicht door Rabobank, zoals [eisers] stellen en Rabobank betwist, laat de voorzieningenrechter in het midden. Als het verwijt al juist zou zijn, kan Rabobank op die grond niet verplicht worden tot het sluiten van een overeenkomst met de door [eisers] gewenste inhoud gelet op haar contracteervrijheid. 4.
- De slotsom is dat vordering 1 zal worden afgewezen. Vordering 2 4.
- Bij vordering 2 gaan [eisers] ervan uit dat er een onvoorwaardelijke kredietovereenkomst tot stand is gekomen, althans dat zij er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat een financiering van € 2.500.000,- verstrekt zou worden. De voorzieningenrechter heeft dat in dit kort geding echter niet kunnen vaststellen. Het gevolg is dat ook deze vordering zal worden afgewezen. De proceskosten 4.
- [eisers] zijn in het ongelijk gesteld. Zij moeten daarom de proceskosten inclusief nakosten betalen. De proceskosten van Rabobank worden begroot op: - griffierecht € 9.825,00 - salaris advocaat 1.107,00 - nasalaris 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 11.110,00 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.
- wijst de vorderingen af, 5.
- veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 11.110,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken op 14 maart
- cb