RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer : 03.052641.22 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 maart 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, wonende te [adresgegevens verdachte] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.K.T. Schoffelen, advocaat kantoorhoudende te Roermond. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 februari
- De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Het slachtoffer [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en is ter zitting bijgestaan door mr. R.A.J. Delescen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er – na vordering wijziging tenlastelegging – kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 28 februari 2022 in Roermond opzettelijk zwaar lichamelijk heeft toegebracht aan [slachtoffer] , dan wel die [slachtoffer] heeft mishandeld waardoor hij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde feit, omdat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte een klap aan [slachtoffer] heeft gegeven en dat die klap zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad. De verdachte handelde echter uit noodweer, waardoor het wederrechtelijke aan de mishandeling is komen te vervallen en de verdachte moet daarom worden vrijgesproken. 3.3 Het oordeel van de rechtbank 3.3.1 Vrijspraak primair feit Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewijsmateriaal ontbreekt dat de verdachte aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toebracht. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van het primair ten laste gelegde feit. 3.3.2 Bewijsmiddelen en overwegingen ten aanzien van het subsidiair feit Bewijsmiddelen Verbalisant [verbalisant 1] relateerde – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt: Op 28 februari 2022 kreeg ik samen met mijn collega [verbalisant 2] omstreeks 02.10 uur de opdracht om naar de Neerstraat te Roermond te gaan vanwege een vechtpartij. Toen we daar aankwamen, werd ik aangesproken door een man die zei dat het slachtoffer op het einde van de straat lag. Ik zag dat op de kruising van de Markstraat met de Luifelstraat en Markt een man op straat lag. Ik zag dat er een grote plas vers bloed van ongeveer een halve meter bij een halve meter rondom het hoofd van de man lag. Ik zag dat de man uit zijn linkeroor bloedde. Ik zag dat de man buiten bewustzijn was. Ik hoorde van omstanders dat de man [slachtoffer] zou heten. Ik sprak hem aan, maar kreeg totaal geen verbale of non verbale reactie op mijn vragen. Het duurde enkele minuten voordat de ambulance ter plaatse kwam. Op 28 februari 2022 is [slachtoffer] na een vuistslag op de grond/straat gevallen en bewusteloos geraakt. Hij werd vervolgens opgenomen in het Laurentius ziekenhuis. De forensisch arts van het NFI heeft op 4 november 2022 over [slachtoffer] een rapportage Forensisch geneeskundig onderzoek opgemaakt over het letsel. Deze rapportage vermeldt onder meer: Wat is de aard van het letsel? Er was een complexe schedelbreuk met kneuzingen en bloeduitstortingen onder de hersenvliezen en in het hersenweefsel, met een ernstig verlaagd bewustzijn tot gevolg. Als complicatie van de breuk was er een onderbreking van de gehoorbeentjesketen met gehoorverlies tot gevolg. Bij ontslag waren er nog cognitieve stoornissen. Is het letsel ontstaan door de vuistslag of door de val die daarop volgde? Blijkens de medische gegevens en het radiologisch beeldmateriaal waren er een complexe schedelbreuk, bloeduitstortingen onder de hersenvliezen en hersenkneuzingen. Al deze letsels kunnen volgens de reviserend radioloog worden verklaard door tenminste één hevige botsende geweldinwerking linksachter op het hoofd. Aangezien deze letsels in onderlinge samenhang te duiden zijn als 'coup- contrecoupletsel', is het aantreffen van deze combinatie van letsels waarschijnlijker onder een hypothese van vallen dan onder een hypothese van slaan (bij een niet- gefixeerd hoofd). Het in het medisch dossier beschreven 'hematoom frontaal' kan passen bij het resultaat van 'de vuistslag'. Het geheel aan letsels laat zich het best verklaren door een combinatie van een (vuist)slag tegen het voorhoofd en een val tegen een harde ondergrond. - De onderhuidse bloeduitstorting in het gelaat is in de beschreven context niet zonder meer verklaarbaar door een val tegen een harde ondergrond, maar wel verklaarbaar door een vuistslag. - De letsels van de schedel, de bloeduitstortingen onder de hersenvliezen en de hersenkneuzingen, laten zich zonder meer verklaren door een harde val met het hoofd tegen een harde ondergrond. De medische informatie over [slachtoffer] van de GGD Limburg-Noord vermeldt op 7 februari 2023 onder meer het volgende: Zijn er nog restverschijnselen waargenomen? Zo ja, welke? - het geheugen is slechter dan voorheen, verminderd belastbaar; - afwezigheid van geur- en smaaksensatie; - het rechterbeen is minder stabiel bij lopen; - er is gehoorverlies rechts. In hoeverre zijn deze restverschijnselen mogelijk blijvend? Gezien het incident bijna 1 jaar geleden heeft plaatsgevonden, is het waarschijnlijk dat er blijvende restklachten zullen zijn. In welke mate is niet goed te voorspellen. Getuige [getuige 1] verklaarde over de mishandeling op 28 februari 2022 te Roermond – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt: Ik ben vanaf [naam bar] (de rechtbank begrijpt: bar [naam bar] te Roermond) richting de Markt gelopen. Toen ik daar kwam was er een ruzie gaande. Ik heb het slachtoffer pas gezien toen hij werd geslagen en vervolgens viel. Ik heb gezien wie het slachtoffer geslagen heeft. Hij werd tegengehouden, maar kwam los. Ik zag dat hij naar het slachtoffer ging en hem raakte aan de zijkant van zijn hoofd. Het slachtoffer viel na de klap meteen achterover met zijn hoofd op de grond. Getuige [getuige 2] verklaarde over de mishandeling op 28 februari 2022 te Roermond – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt: Er was een vechtpartij en er werd over en weer geslagen. Dit was voor de deur bij [naam bar] . Die kale jongen rende toen weg. We renden achter hem aan. [slachtoffer] wilde hem een hand geven om het goed te maken, zodat we vervolgens onze weg weer konden vervolgen. Ik zag dat die kale jongen [slachtoffer] toen echt loeihard met de vuist op zijn hoofd sloeg. Ik zag dat [slachtoffer] ter hoogte van zijn linkerkaak/oor geraakt werd. Ik zag dat [slachtoffer] hierdoor direct omver viel en hard met zijn kop op de grond viel. [slachtoffer] was meteen buiten westen. De verdachte heeft bij de politie – zakelijk weergegeven – onder meer verklaard dat hij op 28 februari 2024 in Roermond [slachtoffer] één klap heeft gegeven. Overwegingen van de rechtbank De rechtbank stelt op grond van de bovenstaande bewijsmiddelen vast dat de verdachte op 28 februari 2022 in Roermond [slachtoffer] met een vuist tegen het hoofd heeft geslagen, waardoor [slachtoffer] achterover is gevallen en met zijn achterhoofd op straat is gevallen. Het letsel dat [slachtoffer] als gevolg hiervan heeft opgelopen – een complexe schedelbreuk met kneuzingen en bloedingen in de hersenen – kan naar het oordeel van de rechtbank worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Noodweer? De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweer, omdat de handelingen van de verdachte zijn gerechtvaardigd bij wijze van zelfverdediging. De verdachte moet daarom worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte voordat hij aan [slachtoffer] een klap heeft gegeven door anderen uit de groep van [slachtoffer] was neergehaald en, terwijl hij op de grond lag, is geschopt en geslagen. Nadat de verdachte overeind is gekomen, probeerde hij weg te komen. Hij werd vervolgens achtervolgd door vier en later vijf personen, waaronder [slachtoffer] . De verdachte werd aldus belaagd, omsingeld en geslagen. Voorafgaand aan de klap die hij gaf aan [slachtoffer] is de verdachte door [slachtoffer] tegen zijn gezicht geslagen. De verdachte zag zich onder deze omstandigheden genoodzaakt zich te verdedigen op de wijze zoals hij dit heeft gedaan. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer faalt, nu de feiten en omstandigheden die de verdachte aan zijn beroep op zelfverdediging ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk zijn geworden. De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer vast moet komen te staan dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf, dan wel een onmiddellijke dreiging daartoe, waarbij het noodzakelijk was dat verdachte zich verdedigde en waarbij de manier waarop hij zich verdedigde ook geboden was. De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. Uit de verklaringen in het dossier valt af te leiden dat er op twee momenten op straat geweldshandelingen hebben plaatsgevonden. Het eerste incident betrof de vechtpartij die plaatsvond voor bar [naam bar] tussen de groep van de verdachte en de groep waar [slachtoffer] bij hoorde. Daarbij zijn over en weer enkele klappen gevallen, waarbij dus ook de verdachte klappen heeft gekregen. Het tweede incident, waarbij [slachtoffer] is mishandeld, vond plaats op de kruising van de Markstraat met de Luifelstraat. Hoewel uit enkele verklaringen uit het dossier valt af te leiden dat de verdachte bij bar [naam bar] (na het eerste incident) is weggelopen en dat er personen uit de groep van [slachtoffer] achter de verdachte aangingen, was er op het moment dat de verdachte zich bevond op de kruising van de Marktstraat met de Luifelstraat geen sprake van een geweldssituatie en vonden er op dat moment geen geweldshandelingen in de richting van verdachte plaats. Integendeel, uit de verklaringen blijkt dat de verdachte op dat moment is tegengehouden door meerdere personen, zich op enig moment heeft losgerukt, vervolgens in de richting van [slachtoffer] loopt en op dat moment een harde klap geeft aan [slachtoffer] , waarna [slachtoffer] met zijn hoofd op de grond valt. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer] , dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het beroep op noodweer van de verdachte slaagt daarom niet en de rechtbank zal het subsidiair ten laste gelegde feit – mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg – bewezen verklaren. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte op 28 februari 2022 in de gemeente Roermond [slachtoffer] heeft mishandeld door (met kracht) tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan (waardoor die [slachtoffer] met zijn hoofd op de grond viel), terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer breuken in de schedel en een bloeding in de hersenen, ten gevolge heeft gehad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op: subsidiair: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De straf en/of de maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd dat verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van 2 jaar. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter zitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft op 28 februari 2022 het slachtoffer [slachtoffer] mishandeld. De verdachte heeft het slachtoffer hard tegen het hoofd geslagen. Daardoor is [slachtoffer] achterover gevallen en is hij hard met zijn hoofd op de straatstenen terecht gekomen. Het slachtoffer heeft daardoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Door te handelen zoals is bewezenverklaard, heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer op ernstige wijze geschonden. Uit de slachtofferverklaring volgt dat [slachtoffer] tot op de dag van vandaag hinder van het letsel ondervindt en dat hij zijn beroep en zijn passie, het zijn van kok, niet meer kan uitoefenen. Het letsel en de gevolgen van de door verdachte gegeven klap zijn zeer ernstig. De rechtbank rekent dit de verdachte dan ook zwaar aan. De rechtbank houdt er echter – in beperkte mate – rekening mee dat er eerder die nacht een vechtpartij heeft plaatsgevonden waarbij de verdachte zelf is geraakt door mensen uit de groep waartoe het slachtoffer behoorde. Dat maakt echter niet dat de verdachte op een later moment een flinke klap aan het slachtoffer mocht uitdelen. De verdachte heeft een ambivalente proceshouding. Enerzijds verklaart hij dat hij het heel erg vindt voor het slachtoffer wat er is gebeurd. Anderzijds heeft de verdachte ter zitting meermaals herhaald dat hij het ook erg vindt voor zichzelf en dat het voor hem zulke nare gevolgen heeft gehad en mogelijk nog gaat hebben, omdat hij zijn baan zal verliezen. De verdachte neemt aldus geen volle verantwoordelijkheid voor zijn gedrag en lijkt zijn prioriteit te leggen bij de gevolgen voor hemzelf. Dit weegt de rechtbank mee in het nadeel van de verdachte. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, acht de rechtbank in beginsel de oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd, passend. De rechtbank houdt echter rekening met de persoon van de verdachte. De verdachte heeft een blanco strafblad en heeft zijn leven op de rit. Hoewel van de verdachte, die werkzaam is als beveiliger, mag en kan worden verwacht dat hij zich in een situatie als de onderhavige anders gedraagt en juist de-escalerend optreedt, houdt de rechtbank er ook rekening mee dat verdachte door deze veroordeling zijn baan kan verliezen. Op grond van het vorenstaande en rekening houdend met de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) zal de rechtbank een straf opleggen die afwijkt van de eis van de officier van justitie. Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat in deze specifieke zaak het opleggen van een (grotendeels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is. De rechtbank acht een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis indien de verdachte deze niet of niet naar behoren verricht passend. Daarnaast zal zij aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen waarvan 79 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren opleggen met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis verbleef. 7De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel 7.1 De vordering van de benadeelde partij De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van – zo begrijpt de rechtbank – € 83.790,
- De vordering is opgebouwd uit de volgende posten: verlies verdienvermogen: € 27.600,-; daggeldvergoeding: € 700,-; mantelzorg/huishoudelijke hulp: € 2.665,-; km kosten/parkeergelden: € 1.779,77; ziektekosten/eigen risico: € 1.045,62; immateriële schade: € 50.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft tevens verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr. 7.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer] in de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, gelet op de door hem bepleite vrijspraak. 7.4 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat vaststaat dat aan de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het onder subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit schade is toegebracht en dat (een deel van) de gevorderde schade het rechtstreeks gevolg is van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Materiële schade Ten aanzien van post a. overweegt de rechtbank als volgt. Uit de onderbouwing blijkt dat [slachtoffer] kok van beroep was, maar dat hij in de periode voorafgaand aan het strafbare feit een nieuwe baan in de verkoop bij een bedrijf gevestigd in Berlijn had aangenomen. Het is op basis van de bijgevoegde stukken echter onvoldoende duidelijk geworden of dit daadwerkelijk een reëel carrièreperspectief was en [slachtoffer] de verwachtte salarisbedragen, inclusief salarisverhogingen en bonussen ook daadwerkelijk zou gaan ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat het wel evident is dat sprake is van enig verlies van verdienvermogen over de afgelopen periode en zal dit schattenderwijs begroten op € 10.000,-, welk bedrag voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering, voor zover het betreft de post a., niet-ontvankelijk verklaren. Aanvulling en nadere onderbouwing van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de behandeling van de zaak in dat geval zal moeten worden aangehouden. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering daarom slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De materiële schade met betrekking tot de posten b., c., d. en e. zijn door de verdediging niet weersproken. De vordering komt de rechtbank ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze als onbetwist voor toewijzing gereed ligt. De rechtbank stelt de totale toewijsbare materiële schade vast op € 16.190,
- Immateriële schade De rechtbank overweegt ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding dat het recht daarop slechts bestaat voor zover artikel 6:106 BW hierop een aanspraak geeft. Gelet op het bovenstaande en de feiten en omstandigheden die uit het dossier naar voren komen, in het bijzonder de aard en de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feit, is de rechtbank van oordeel dat het slachtoffer immateriële schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde. Er is evident sprake van lichamelijk letsel en aantasting in de persoon, als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 onder b BW. De rechtbank acht een vergoeding van de immateriële schade tot € 25.000,- billijk gelet op de onderbouwing van de vordering, de gevolgen van het bewezen verklaarde feit en de hoogte van de immateriële schade die wordt toegekend in vergelijkbare zaken. De rechtbank zal de benadeelde in het overige gedeelte van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren. Conclusie De rechtbank komt aldus tot toewijzing van de schadevergoedingsvordering tot een bedrag van € 41.190,39, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2022 tot de dag van algehele voldoening. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet ontvankelijk in zijn schadevergoedingsvordering verklaard. Voorts zal de rechtbank de verdachte veroordelen in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, welke kosten zij tot op heden begroot op nihil. 8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 9De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt de verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit; Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte voor het subsidiair feit tot een gevangenisstraf van 90 dagen waarvan 79 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; veroordeelt de verdachte voor het subsidiair feit tot een taakstraf voor de duur van 200 uren; beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen; Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 41.190,39, bestaande uit € 16.190,39 aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 28 februari 2022 tot aan de dag van de volledige voldoening; verklaart [slachtoffer] voor de meer gevorderde schade niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat hij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; veroordeelt de verdachte in de kosten van de procedure, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, en begroot deze aan de zijde van [slachtoffer] tot heden op nihil; legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] een bedrag van € 41.190,39 te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 28 februari 2022 tot aan de dag van de volledige voldoening; bepaalt de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast op 240 dagen en verstaat dat deze gijzeling de betalingsverplichting niet opheft; bepaalt dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] komt te vervallen en andersom dat voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan [slachtoffer] , in zoverre daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. H.E.G. Peters, voorzitter, mr. L. Bastiaans en mr. B. de Groot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.H.M. Meisen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 maart
- BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is – na vordering wijziging tenlastelegging – ten laste gelegd dat hij, op of omstreeks 28 februari 2022 in de gemeente Roermond aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (of meer) breuk(en) in de schedel en/of een bloeding in de hersenen en/of hersenletsel, althans letsel aan de schedel en/of het hoofd, heeft toegebracht door (met kracht) (met gebalde vuist) op/tegen het hoofd (ter hoogte van de slaap), althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen (waardoor die [slachtoffer] met zijn hoofd op de grond viel); subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij, op of omstreeks 28 februari 2022 in de gemeente Roermond [slachtoffer] heeft mishandeld door (met kracht) (met gebalde vuist) op/tegen het hoofd (ter hoogte van de slaap), althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen (waardoor die [slachtoffer] met zijn hoofd op de grond viel), terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een (of meer) breuk(en) in de schedel en/of een bloeding in de hersenen en/of hersenletsel, althans letsel aan de schedel en/of het hoofd, ten gevolge heeft gehad. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, proces-verbaalnummer 2022030671, gesloten d.d. 12 november 2022, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina
- Proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 februari 2022, pg.
- Deskundigenrapport Forensisch geneeskundig onderzoek van het NFI d.d. 4 november 2022, pg. 134-
- Een geschrift, te weten de medische informatie van de GGD Limburg-Noord d.d. 7 februari
- Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 12 maart 2022, pg.
- Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 28 februari 2022, pg. 54-
- Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 1 maart 2022, pg. 118-125.