vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer / rolnummer: C/03/315320 / HA ZA 23-111 Vonnis van 20 maart 2024 in de zaak van: 1 [eiser sub 1] , wonend te [woonplaats] ,
(14)dagen na betekening van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling, III. MSB c.s. hoofdelijk (zodat als de één betaalt de ander zal zijn gekweten) te veroordelen in de kosten van deze procedure en nakosten van € 163,- zonder betekening, vermeerderd met € 85,- ingeval van betekening en te vermeerderen met explootkosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW indien voldoening niet binnen de gestelde termijn zou plaatsvinden. 3.2. MSB c.s. voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan. 4De beoordeling 4.1. In deze procedure is tussen partijen gedebatteerd over een aantal thema’s, namelijk of: artikel 5.5 LO (het vervalbeding) aan een vordering tot schadevergoeding van [eisers] in de weg staat; artikel 14 LO (het concurrentiebeding) van toepassing is tussen partijen; artikel 14 LO (het concurrentiebeding) nietig is vanwege strijd met artikel 6 van de Mededingingswet (het kartelverbod); [eisers] artikel 14.3 LO hebben geschonden; MSB c.s. de klachtplicht (artikel 6:89 BW) hebben geschonden; een onmiddellijke opzegging van de LO door MSB c.s. was gerechtvaardigd; MSB c.s. toerekenbaar tekort is geschoten (artikel 6:74 BW) in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de LO, althans een onrechtmatige daad heeft gepleegd, en of MSB én Zuyderland ieder afzonderlijk daaraan hebben bijgedragen en dus hoofdelijk aansprakelijk zijn (artikel 6:166 BW); [eisers] schade hebben geleden en, zo ja, hoeveel deze schade bedraagt. 4.2. De rechtbank zal deze thema’s hierna volgens de hierboven staande volgorde beoordelen. Het vervalbeding 4.3. Partijen zijn het erover eens dat artikel 5.5 LO (zie 2.2 voor de tekst) een vervalbeding betreft. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of het vervalbeding zich uitstrekt tot een schadevergoedingsvordering die het gevolg is van een (gestelde) onrechtmatige opzegging (standpunt MSB c.s.) of dat het vervalbeding alleen ziet op een vordering die strekt tot ongedaanmaking van de opzegging als zodanig (standpunt [eisers] ). MSB c.s. hebben aangevoerd dat [eisers] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen op grond van het vervalbeding. De definitieve opzegging van de LO dateert van 4 augustus 2017 en [eisers] konden zich volgens MSB c.s. daarom tot uiterlijk 30 dagen later, dus 4 september 2017, wenden tot de rechtbank om de opzegging aan te vechten of andere rechten in te roepen die zij meenden te hebben. Op 8 augustus 2017 hebben [eisers] MSB c.s. gedagvaard in kort geding. Het vonnis werd op 31 augustus 2017 gewezen en het was mogelijk om hoger beroep in te stellen binnen vier weken. Aangezien dat niet is gebeurd en de huidige procedure buiten de vervaltermijn is ingesteld, is dat volgens MSB c.s. te laat. Hiertegenover hebben [eisers] gesteld dat het vervalbeding niet aan de vordering tot schadevergoeding in de weg staat, maar slechts ziet op de opzegging. 4.4. Nu partijen van mening verschillen over de betekenis van het vervalbeding moet de rechtbank oordelen over de uitleg daarvan. De rechtbank is van oordeel dat bij de uitleg van het beding de zogenoemde CAO-norm moet worden toegepast. De LO draagt namelijk het karakter van een standaardovereenkomst, die voor alle leden in beginsel dezelfde rechten en plichten in het leven dient te roepen en op 400 medisch specialisten van toepassing is, waardoor geen (of slechts zeer beperkt) ruimte is geweest voor een individuele onderhandeling over de inhoud van de LO. In ieder geval is niet gesteld of gebleken dat over het vervalbeding is onderhandeld. Op grond van de CAO-norm moet de uitleg van het vervalbeding daarom gebaseerd worden op objectief kenbare gegevens, zoals de tekst van de bepaling of andere objectief vast te stellen factoren. 4.5. Uit het debat komt naar voren dat partijen het met elkaar eens zijn over wat de ratio van het vervalbeding is, namelijk dat zowel voor MSB als voor de medisch specialist binnen relatief korte tijd duidelijkheid dient te bestaan of de medisch specialist zich tegen de opzegging verzet en, zo ja, of de eenzijdige opzegging van de LO ook in rechte standhoudt. Gelet op deze ratio en kijkend naar de tekst van het vervalbeding, waarin de medisch specialist binnen 30 dagen moet ageren tegen “dit besluit”, ligt naar het oordeel van de rechtbank eerder een beperkte, restrictieve uitleg van het vervalbeding in de rede dan een ruime uitleg. Aan de ratio van het beding wordt immers al tegemoetgekomen als het enkel ziet op de opzegging als zodanig en niet ook op eventuele andere rechten die [eisers] zouden kunnen claimen, terwijl de tekst van het beding alleen verwijst naar het besluit tot opzegging. Een ruime uitleg zou tot verval van rechten kunnen leiden die niet expliciet in het beding worden genoemd en dat moet niet al te snel worden aangenomen, ook omdat dit grote gevolgen heeft voor – in dit geval – de medisch specialist, die dan geen vordering tot schadevergoeding meer zou kunnen instellen na de in het vervalbeding genoemde termijn van 30 dagen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een restrictieve uitleg van het vervalbeding, gelet op de ratio en de tekst daarvan, betekent dat door de medisch specialist moet worden geageerd tegen het besluit tot opzegging als zodanig (hetgeen ook is gebeurd middels het door [eisers] geëntameerde kort geding, zie 2.17) en dat het vervalbeding niet ziet op een (eventueel latere) vordering tot schadevergoeding als uitvloeisel van de opzegging. [eisers] zijn dan ook ontvankelijk in hun vorderingen. Het concurrentiebeding Niet van toepassing? 4.6. [eisers] hebben gesteld dat aan MSB c.s. geen beroep op artikel 14 LO toekomt, omdat [eisers] bij ondertekening van de LO door [eiser sub 1] uitdrukkelijk hebben verklaard, door middel van de aantekening ‘N.V.T.’, dat die bepaling niet van toepassing is. Aangezien MSB c.s. de handgeschreven toevoeging zonder protest behouden hebben, geldt dit volgens [eisers] als een stilzwijgende aanvaarding van een nieuw aanbod in de zin van artikel 6:225 lid 1 BW. 4.7. MSB c.s. hebben weersproken dat artikel 14 LO niet van toepassing is. De toekomstige leden van MSB hebben op 18 december 2014 de ondertekende ledenovereenkomsten per post toegestuurd gekregen met het verzoek één ondertekend exemplaar te retourneren. [eisers] hebben op het al door MSB ondertekende exemplaar ‘N.V.T.’ toegevoegd bij artikel 14 zonder MSB daarop attent te maken, waarna de overeenkomst is gearchiveerd zonder dat MSB wist van die aantekening. MSB c.s. mochten uit het door [eisers] retourneren van de LO zonder begeleidend bericht over de onwil om zich te binden aan artikel 14 redelijkerwijs afleiden dat [eisers] zich wel hebben willen binden aan de LO overeenkomstig de inhoud daarvan. MSB c.s. hebben tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij met de term ‘redelijkerwijs’ refereren aan de redelijkheid en billijkheid. 4.8. De rechtbank stelt voorop dat tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen dat [eisers] in het voortraject, dat wil zeggen vóór de ondertekening van de LO door partijen, met MSB hebben gesproken over het concurrentiebeding. Hoewel [eisers] toen hebben aangekaart dat zij het daar niet mee eens waren, was het voor MSB gemeengoed dat dit beding in de LO werd opgenomen. Volgens MSB kon geen uitzondering worden gemaakt voor één van de 400 medisch specialisten. Dit laat naar het oordeel van de rechtbank zien dat het opnemen van artikel 14 in de LO voor MSB geen punt van discussie was of kon zijn. 4.9. De feiten leiden de rechtbank naar de conclusie dat het standpunt van [eisers] niet kan worden aanvaard. MSB stuurt een reeds ondertekende LO naar [eisers] en [eisers] , in de persoon van [eiser sub 1] , zetten daar eveneens hun handtekening onder en retourneren de LO aan MSB, met dien verstande dat [eiser sub 1] bij artikel 14 ‘N.V.T.’ heeft geschreven, maar daarover communiceren [eisers] niet met MSB. Gelet op het feit dat [eisers] wisten dat het concurrentiebeding voor MSB in feite niet onderhandelbaar was en het gegeven dat MSB met 400 leden een overeenkomst moest sluiten en de ondertekend geretourneerde overeenkomsten niet allemaal pagina voor pagina zal hebben bekeken als daarvoor geen aanleiding bestond, is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [eisers] zich beroepen op de stelling dat zij – inzake artikel 14 – een nieuw aanbod aan MSB hebben gedaan, zonder dat zij dat uitdrukkelijk kenbaar hebben gemaakt bij MSB. Dit betekent dat de rechtbank voorbijgaat aan de stelling van [eisers] en aldus moet worden geconcludeerd dat artikel 14 LO wel degelijk van toepassing is. In strijd met artikel 6 van de Mededingingswet? 4.10. [eisers] hebben gesteld dat, in het geval artikel 14 LO van toepassing is, deze bepaling nietig is omdat deze in strijd is met artikel 6 van de Mededingingswet, kort gezegd omdat het de concurrentie tussen ondernemingen zou beperken. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben [eisers] verwezen naar het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 8 februari 2022 (ECLI:NL:GHSHE:2022:303). Dit arrest levert volgens [eisers] een bewijsvermoeden op van overtreding van artikel 6 van de Mededingingswet. 4.11. MSB c.s. hebben betwist dat het concurrentiebeding nietig is op grond van de Mededingingswet. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft MSB c.s. verwezen naar het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 oktober 2021 (ECLI:NL:GHSHE:2021: 3023). In die zaak zouden de processtukken nagenoeg identiek zijn aan die in de zaak waar [eisers] naar verwijzen, maar heeft het gerechtshof niet geoordeeld dat artikel 14.3 LO nietig was. MSB c.s. wijzen erop dat artikel 6 van de Mededingingswet niet van toepassing is binnen een onderneming, maar alleen tussen ondernemingen. Volgens MSB c.s. moeten [eiser sub 1] , het MSB en Zuyderland als één onderneming in mededingingsrechtelijke zin worden gezien. 4.12. Artikel 6 van de Mededingingswet luidt – voor zover van belang –: Verboden zijn overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen, die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst. De krachtens het eerste lid verboden overeenkomsten en besluiten zijn van rechtswege nietig. […] Voor het antwoord op de vraag of artikel 14 LO mogelijk strijdig is met artikel 6 van de Mededingingswet en dus nietig is, is daarom cruciaal of [eisers] , MSB en Zuyderland als één onderneming of als aparte ondernemingen moeten worden gezien. De verbodsbepaling van artikel 6 van de Mededingingswet is immers alleen van toepassing op overeenkomsten waarbij twee of meer ondernemingen zijn betrokken. 4.13. In voornoemd kader hebben MSB c.s. het volgende aangevoerd. De Autoriteit Consument & Markt (hierna: ACM), die de Mededingingswet uitvoert, heeft in 2013 aangegeven een ziekenhuis en een maatschap van medisch specialisten als een economische eenheid te zien. De door de ACM in die beoordeling betrokken (negen) elementen komen, samengevat, erop neer dat (
- a)het betreffende ziekenhuis eindverantwoordelijk is voor de geïntegreerd verleende zorg en het zienhuisbestuur de medisch specialist op zijn handelen kan aanspreken, (
- b)de zorgverzekeraar zorg inkoopt bij het ziekenhuis en het ziekenhuis verantwoordelijk is voor de uitvoering van het met de zorgverzekeraar afgesloten contract, (
- c)het ziekenhuis eindverantwoordelijk is voor het zorgprofiel van het ziekenhuis, de begroting en investeringsbeslissingen, (
- d)de medisch specialisten niet zelf een overeenkomst met de zorgverzekeraar sluiten, (
- e)bij calamiteiten het ziekenhuisbestuur door de Inspectie voor de Gezondheidszorg aansprakelijk wordt gesteld, (
- f)de medisch specialist voor door hem gewenste belangrijke investeringen afhankelijk is wat het ziekenhuisbestuur daarover beslist, (
- g)de medisch specialist zijn activiteiten alleen kan uitbreiden of veranderen, wanneer dit past binnen de door het ziekenhuis met de verzekeraar gemaakte afspraken, (
- h)de medisch specialist sterk afhankelijk is van samenwerking met andere medisch specialisten en (
- i)het ziekenhuis kan weigeren om toestemming te verlenen aan een medisch specialist om binnen zijn muren werkzaam te zijn. In 2015 is de wijze waarop medisch specialist en ziekenhuis samenwerken gewijzigd, waarna de ACM een aanpassing van de lijn uit 2013 heeft gepubliceerd. Hierin heeft de ACM aangegeven dat voor de beoordeling van de relatie tussen medisch specialist en ziekenhuis de ACM-lijn uit 2013 gebruikt kan worden. Of de ACM-lijn uit 2013 nog steeds van toepassing is op de specifieke situatie van het ziekenhuis hangt af van de mate waarin de door de ACM genoemde elementen terugkomen in de wijze waarop het samenwerkingsverband is vormgegeven. Vervolgens hebben MSB c.s. in productie S de negen elementen, die de ACM in 2013 van betekenis vond voor de vaststelling dat ziekenhuis en (de maatschap van
- de)medisch specialist een economische eenheid zijn0, toegepast op de relatie tussen [eisers] en MSB c.s.. Uit productie S volgt dat die elementen die de ACM in 2013 van belang vond, terugkomen in de verhouding tussen [eisers] en MSB c.s. in 2017. Samengevat kan volgens MSB c.s. gezegd worden dat Zuyderland nog steeds in economische zin bepalend was en het toezicht van de Inspectie zich nog steeds op Zuyderland richtte. Tijdens de mondelinge behandeling hebben MSB c.s. daaraan toegevoegd dat het niet ter discussie staat dat een orthopedisch chirurg niet kan werken zonder een aantal andere specialismen, zoals anesthesiologie en radiologie. Als er één ziekenhuis is waar de zaken zo geregeld zijn als door de ACM bedoeld, is dat Zuyderland. De bestuursraden van MSB en Zuyderland vergaderen ook sinds jaar en dag samen. Feitelijk is het één organisatie, aldus MSB c.s.. 4.14. De rechtbank stelt vast dat [eisers] tijdens de mondelinge behandeling niet meer gemotiveerd hebben gereageerd op het hierboven weergegeven gemotiveerd verweer van MSB c.s.. Weliswaar hebben [eisers] andermaal verwezen naar de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 8 februari 2022 en gesteld dat in de onderhavige procedure exact dezelfde situatie aan de orde is, maar het gerechtshof heeft zich niet uitgelaten over de vraag of (de leden van) MSB en Zuyderland beschouwd moeten worden als een economische eenheid. Daar waar MSB c.s. feitelijk met benoeming van meerdere elementen hebben onderbouwd dat sprake is van een economische eenheid (en dus van één onderneming), hebben [eisers] niet feitelijk invulling gegeven aan de stelling dat in dit geval niet kan worden gesproken van een economische eenheid. Onder die omstandigheden slaagt het gemotiveerde verweer van MSB c.s. en gaat de rechtbank er op grond daarvan van uit dat MSB, waarvan [eiseres sub 2] lid was, en Zuyderland mededingingsrechtelijk te bestempelen zijn als één onderneming, zodat het kartelverbod in artikel 6 van de Mededingingswet, dat geldt tussen (meerdere) ondernemingen, niet van toepassing is. Daardoor kan artikel 14 LO niet strijdig zijn met dit artikel en kan in dit verband geen sprake zijn van nietigheid. Hebben [eisers] artikel 14.3 LO geschonden? 4.15. De rechtbank zal zich nu concentreren op de vraag of [eisers] artikel 14.3 LO hebben geschonden. Niet zal worden ingegaan op een (eventuele) schending van artikel 14.2 LO, omdat dit blijkens de brief van 4 augustus 2017 (zie 2.16) niet aan de opzegging van de LO ten grondslag is gelegd, zo hebben MSB c.s. tijdens de mondelinge behandeling bevestigd. 4.16. [eisers] hebben gesteld dat zij artikel 14.3 LO niet hebben geschonden. Volgens [eisers] was geen sprake van een concurrerend zorgaanbod. [eisers] leggen het concurrentiebeding zo uit dat van een overtreding slechts sprake kan zijn als de medisch specialist een declarabele prestatie binnen de medisch specialistische zorg levert die wedijvert met een (soortgelijke) declarabele prestatie van MSB c.s. binnen de medisch specialistische zorg. Bij [eiser sub 1] was slechts sprake van een voornemen om op een nader te bepalen locatie een ZBC met knie- en heuporthopedie te beginnen. Met het oog op een samenwerking met MSB c.s. in dit kader heeft [eiser sub 1] constructieve gesprekken gevoerd met MSB c.s., aldus [eisers] . Bovendien was slechts sprake van zeer beperkte voorbereidingshandelingen. Er werden geen zorgproducten aangeboden. Dat kon volgens [eisers] ook nog niet omdat daarvoor nog financiering nodig was evenals een ingericht pand, geschoold personeel en afspraken met verzekeraars en medische instellingen. 4.17. MSB c.s. hebben de stellingen van [eisers] betwist. [eiser sub 1] heeft het initiatief genomen voor een eigen kliniek voor knie- en heupoperaties. Dergelijke knie- en heupoperaties worden door MSB c.s. ook uitgevoerd voor dezelfde patiëntengroepen. MSB c.s. hebben aangevoerd dat uit, hierna te bespreken, feiten en omstandigheden is gebleken dat [eiser sub 1] bezig was met concurrerende handelingen, hetgeen gevolgen had voor de contacten met zorgverzekeraars, concurrenten en patiënten. Volgens MSB c.s. participeerde [eiser sub 1] in een concurrerend zorgaanbod, hetgeen wordt verboden in artikel 14.3 LO. 4.18. De rechtbank overweegt als volgt. 4.18.1. Artikel 14.3 LO houdt – kort gezegd – in dat [eisers] zich moeten onthouden van directe of indirecte participatie in een zorgaanbod dat concurreert met MSB of Zuyderland, tenzij voor een dergelijk initiatief voorafgaand toestemming is verleend door MSB. Tussen partijen staat niet ter discussie dat knie- en heupoperaties tot het zorgaanbod van Zuyderland behoren en het door [eiser sub 1] voorgenomen zorgaanbod daarmee samenvalt. 4.18.2. Vervolgens is het de vraag of op het moment van opzegging sprake was van een ‘concurrerend’ zorgaanbod. In dit kader hebben MSB c.s. – onder verwijzing naar randnummer 35 van de spreekaantekeningen in kort geding, productie X – gesteld dat het vaste rechtspraak is dat ‘concurrentie’ niet alleen het feitelijk leveren van de betrokken goederen of diensten omvat, maar ook voorbereidingshandelingen. Er is sprake van concurrentie als er concrete plannen zijn om toe te treden tot de markt en met de uitvoering daarvan is begonnen. MSB c.s. hebben vervolgens aangevoerd dat de plannen van [eiser sub 1] voor markttoetreding concreet waren en dat [eiser sub 1] begonnen was met de uitvoering, waartoe MSB c.s. hebben gewezen op de volgende omstandigheden: hij heeft over het initiatief met verschillende ziekenhuizen gesprekken gevoerd; hij heeft een website ontwikkeld en in de lucht gebracht; hij heeft het merk ‘ [naam behandelcentrum] ’ gedeponeerd; hij heeft een brochure ontwikkeld en verspreid in Maastricht UMC; hij heeft de medewerkers binnen Zuyderland die belast zijn met de operatieplanning geïnstrueerd patiënten te melden dat hij in het eerste of tweede kwartaal van 2018 het ziekenhuis zal hebben verlaten; hij heeft het ‘Huis voor de Zorg’, een provinciale ondersteuningsstructuur voor patiënten en patiëntenorganisaties, benaderd om plaats te nemen in een klankbordgroep voor [naam behandelcentrum] ; hij heeft een juridische structuur voor [naam behandelcentrum] ingericht; ij heeft bij de minister van VWS een toelating op grond van de Wet toelating zorginstellingen aangevraagd en gekregen; hij heeft gesprekken gevoerd met zorgverzekeraars. De rechtbank komt zo terug op de vraag of deze omstandigheden voldoende zijn om te kunnen spreken van concurrerend handelen. 4.18.3. [eiser sub 1] en MSB c.s. hebben een aantal maanden gesproken over een samenwerking met betrekking tot het door [eiser sub 1] gewenste ZBC. Daarbij was het uitgangspunt van MSB c.s. een gelijkwaardige participatie en gedeeld eigenaarschap van Zuyderland enerzijds en de vakgroep Orthopedie anderzijds. Uit de brief van [naam adviseur] van 18 juni 2017 (zie 2.8) kan worden geconcludeerd dat deze vorm van samenwerking er niet zou komen. Breekpunt was de mate waarin Zuyderland, MSB en de vakgroep zouden participeren. [eiser sub 1] wilde niet dat er voor hen zeggenschap zou ontstaan op basis van gedeeld eigenaarschap. Hij wilde minimaal een meerderheidsbelang, zodat hij de zeggenschap zou krijgen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser sub 1] dit als volgt verwoord: “Het was nodig dat er iemand de leiding zou hebben”. Onbetwist is van de zijde van MSB c.s. tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat tijdens het gesprek op 7 juli 2017 geen overeenstemming werd bereikt tussen [eiser sub 1] en MSB c.s. over samenwerking in een ZBC, omdat door [eiser sub 1] is aangegeven dat hij vasthield aan de inhoud van de brief van 18 juni 2017. In dit gesprek is toen ook (onweersproken) van de zijde van MSB c.s. gezegd “dat dan onze wegen zouden gaan scheiden”. 4.18.4. Voor zover [eisers] niet al na het gesprek van 7 juli 2017 hadden moeten begrijpen dat MSB c.s. niet achter het (verder) ontwikkelen van een ZBC stond zonder participatie van MSB c.s. op de door MSB c.s. gewenste wijze, had dat voor [eisers] in ieder geval duidelijk moeten zijn na de brief van 26 juli 2017 (zie 2.11), waarin MSB het voornemen uitsprak om de LO met [eisers] met onmiddellijke ingang op te zeggen vanwege het schenden van (onder meer) het concurrentiebeding in artikel 14.3 LO. Ook op dat moment hebben [eisers] in hun reactie op die brief niet aangegeven dat [eiser sub 1] zijn voorbereidingshandelingen zou gaan beëindigen (zie de brieven hiervoor onder 2.14). Op dat moment waren de gesprekken over de samenwerking echter evident tot een einde gekomen en kon het voortzetten van de voorbereidingen door [eiser sub 1] daarom door MSB c.s. als concurrerend worden beschouwd. Daarvoor is niet van belang of [naam behandelcentrum] reeds operationeel was. Als niet weersproken staat immers vast dat [eiser sub 1] met verschillende ziekenhuizen en zorgverzekeraars gesprekken had gevoerd, het merk [naam behandelcentrum] had gedeponeerd en een juridische structuur voor [naam behandelcentrum] had ingericht, een website had ontwikkeld, een brochure had ontwikkeld en had verspreid in Maastricht UMC, het ‘Huis voor de Zorg’ had benaderd om plaats te nemen in een klankbordgroep voor [naam behandelcentrum] en bij de minister van VWS een toelating op grond van de Wet toelating zorginstellingen had aangevraagd en gekregen. Met dit samenstel van activiteiten heeft [eiser sub 1] openlijk ruchtbaarheid gegeven aan [naam behandelcentrum] , wat na het vastlopen van de besprekingen met MSB c.s. een initiatief was waarbij MSB c.s. niet (verder) zou worden betrokken. Door de activiteiten van [eiser sub 1] konden verzekeraars, ziekenhuizen, verwijzers en patiënten bij de keuzes die zij gingen maken omtrent voorgenomen knie- en heupoperaties al anticiperen op de komst van een alternatief (en dat bijvoorbeeld afwachten), waardoor de positie van MSB c.s. in de zorgmarkt al zou worden beïnvloed. De stelling van [eisers] dat de vestigingsplaats van wezenlijk belang is bij de vraag of sprake is van een concurrerend zorgaanbod volgt de rechtbank niet. In artikel 14.3 LO staat immers niets over een vestigingsplaats. 4.18.5. Conclusie van het vorenstaande is dat [eisers] door voort te gaan met de voorbereidingen van het ZBC in strijd hebben gehandeld met artikel 14.3 LO en dat MSB op grond van die schending in beginsel gerechtigd was om de LO te beëindigen door opzegging op grond van artikel 5.1 sub g LO. Hebben MSB c.s. de klachtplicht geschonden? 4.19. [eisers] hebben gesteld dat [eiser sub 1] MSB c.s. in februari 2017 actief heeft geïnformeerd over zijn plan om ZBC [naam behandelcentrum] op te richten. MSB c.s. waren op dat moment, althans in de periode kort daarna, ook bekend geworden met zijn beperkte voorbereidingshandelingen. Gelet hierop waren MSB c.s. in staat om – desgewenst – zich direct bij [eisers] te beklagen, indien zij de plannen en voorbereidingshandelingen van [eiser sub 1] met betrekking tot ZBC [naam behandelcentrum] beschouwden als een (vermeende) schending van enige verbintenis uit de LO. Vaststaat dat MSB c.s. zich gedurende de periode tussen 21 februari 2017 en 26 juli 2017 niet hebben beklaagd bij [eisers] over een dergelijke schending. Door dit niet te doen, hebben MSB c.s. volgens [eisers] de klachtplicht ex artikel 6:89 BW geschonden en daarmee het recht verwerkt om een beroep te doen op een schending van het concurrentiebeding. 4.20. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 6:89 BW is van toepassing op alle verbintenissen en bepaalt dat de schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar terzake heeft geprotesteerd. Het beroep op de klachtplicht betreft een bevrijdend verweer, zodat het op de weg van [eisers] ligt om voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit kan volgen op welk moment MSB c.s. hebben ontdekt of redelijkerwijs hadden moeten ontdekken dat de verrichte prestatie niet aan de overeenkomst beantwoordt. 4.21. Het is ten eerste maar de vraag of de schending van het concurrentiebeding een gebrekkige prestatie is in de zin van artikel 6:89 BW. Voor zover al gesproken zou kunnen worden van een (gebrekkige) prestatie aan de zijde van [eisers] , is het op basis van de tussen partijen gevoerde gesprekken in de periode van februari tot en met juli 2017, waarin over samenwerking is gesproken, onduidelijk wanneer MSB c.s. daarvan (in voldoende mate) op de hoogte waren en de klachttermijn is aangevangen. In ieder geval was er voor MSB c.s. geen aanleiding om eerder te protesteren tegen de gang van zaken dan in juli 2017. Bij die stand van zaken kan geen sprake zijn van schending van de klachtplicht. Was de onmiddellijke opzegging gerechtvaardigd? 4.22. Voor het antwoord op de vraag of MSB gerechtigd was om de LO van [eisers] met onmiddellijke ingang op te zeggen en geen opzegtermijn van zes maanden in acht te nemen, moet naar artikel 5.4 LO worden gekeken (zie hiervoor onder 2.2). Dit artikel bepaalt dat bij de opzegging een termijn van zes maanden in acht zal worden genomen, tenzij een dringende de andere partij onverwijld mede te delen reden de onmiddellijke beëindiging van de LO rechtvaardigt. 4.23. Uit artikel 5.4 LO vloeit dus voort dat MSB onverwijld een dringende reden aan [eisers] kenbaar had moeten maken. Gelet hierop zal de rechtbank alleen kijken naar de omstandigheden die MSB heeft genoemd in de brief van 4 augustus 2017 (zie 2.16), waarin de LO met [eisers] definitief door MSB is opgezegd. Hierin heeft MSB de onmiddellijke ingang van de opzegging als volgt gemotiveerd: schending van artikel 14.3 LO is specifiek als opzeggingsgrond benoemd en schending daarvan is zo ernstig bevonden dat op grond van de overeenkomst niet vooraf hoeft te worden gewaarschuwd; [eiser sub 1] heeft reeds ruime bekendheid gegeven aan het voornemen van het starten van een ZBC. Dat kan niet meer ongedaan worden gemaakt en blijft schadelijk zolang [eiser sub 1] werkzaam is bij Zuyderland. Het onmiddellijke vertrek stelt Zuyderland in de gelegenheid de toekomst van de orthopedische functie geloofwaardig vorm te geven zonder [eiser sub 1] ; opzegging werpt een noodzakelijke drempel op voor [eiser sub 1] om personeel en patiënten te bewegen over te stappen naar [naam behandelcentrum] ; De situatie waarin [eiser sub 1] ten behoeve van zijn inkomensvoorziening nog met één been in het ziekenhuis staat, maar met zijn andere been er al buiten is en actief naar buiten treedt met [naam behandelcentrum] , is ongewenst en onhoudbaar. [eiser sub 1] collega’s hebben dat ook onderkend door vast te stellen dat hij niet langer voorzitter van de vakgroep kan zijn; de ernst van de overtreding is zodanig dat die een onmiddellijke opzegging rechtvaardigt. Dat schuilt met name in het feit dat de schade die aangebracht wordt blijvend is en met de voortdurende aanwezigheid van [eiser sub 1] alleen maar wordt vergroot. [eiser sub 1] uitingen hebben ervoor gezorgd dat iedereen weet dat hij gaat vertrekken en een concurrerend initiatief beoogt te starten. 4.24. De rechtbank stelt voorop dat het feit dat artikel 14.3 LO specifiek als opzeggingsgrond in artikel 5.1 LO is genoemd (argument a), niet betekent dat er dan dus mag worden opgezegd zonder het in acht nemen van een opzegtermijn. Nergens blijkt uit dat een schending van artikel 14.3 LO automatisch moet worden gezien als een dringende reden als bedoeld in artikel 5.4 LO. 4.25. De argumenten b, d en e zijn weinig concreet, in die zin dat zonder verdere toelichting – die ontbreekt – niet duidelijk wordt waarom de genoemde omstandigheden nopen tot een opzegging zonder opzegtermijn. Deze argumenten kunnen daarom niet dienen ter onderbouwing van de stelling dat er sprake was van een dringende reden zoals bedoeld in artikel 5.4 LO. Ten aanzien van argument b en e kan aanvullend worden opgemerkt dat MSB c.s. zich deels lijken te beroepen op de (in de brief niet nader geconcretiseerde) schade die toen al zou zijn geleden en niet meer ongedaan kon worden gemaakt. Dat was echter na zes maanden niet anders geweest. Waar MSB c.s. verder lijken aan te voeren dat het aanblijven van [eiser sub 1] tot verdere schade zou lijden, hebben zij dat – behoudens ten aanzien van het ‘ronselen’ van personeel en patiënten (zie hierna) – niet concreet gemaakt. 4.26. [eisers] hebben gemotiveerd betwist dat [eiser sub 1] personeel en patiënten heeft bewogen met hem over te stappen naar [naam behandelcentrum] (argument
- c)en MSB c.s. hebben dat vervolgens niet deugdelijk onderbouwd. De verwijzing naar de e-mails van patiënten overgelegd als productie 30 bij dagvaarding voldoet in dit verband niet, want die e-mails dateren van ná de brief van Zuyderland (productie 29), waarin Zuyderland de patiënten had ingelicht over het feit dat de samenwerking met [eiser sub 1] is beëindigd omdat [eiser sub 1] voornemens was een eigen orthopedische kliniek op te zetten. Uit de e-mails van de patiënten kan ook niet worden afgeleid dat [eiser sub 1] al voorafgaand aan de opzegging met patiënten heeft gesproken over [naam behandelcentrum] . De gestelde schade en de uitingen richting personeel en patiënten zijn daarmee niet te bestempelen als dringende redenen zoals genoemd in artikel 5.4 LO. 4.27. Er is dus geen dringende reden geweest die de onmiddellijke beëindiging van de LO rechtvaardigde. Met de onmiddellijke beëindiging heeft MSB te weinig belang gehecht aan de vergaande gevolgen die dat voor [eiser sub 1] zou hebben, te weten een onmiddellijk inkomensverlies per datum van de opzegging. Dit persoonlijke en zwaarwegende belang is door MSB niet, althans onvoldoende meegewogen in de brief van 4 augustus 2017. Wanprestatie en hoofdelijke aansprakelijkheid? 4.28. Door bij de opzegging van de LO van [eisers] geen opzegtermijn te hanteren, is MSB tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen op grond van de LO. Dit levert wanprestatie op (artikel 6:74 BW), waardoor in ieder geval MSB aansprakelijk is voor de door [eisers] geleden schade. 4.29. [eisers] hebben gesteld dat MSB én Zuyderland ieder afzonderlijk hebben meegewerkt en/of bijgedragen aan het onrechtmatig handelen jegens [eisers] , waarbij de toegangsontzegging tot Zuyderland en de opzegging van de LO moeten worden beschouwd als een samenstel van handelingen in groepsverband gericht op het – op oneigenlijke gronden – onmiddellijk beëindigen van de relatie met [eisers] . Er is onmiskenbaar sprake van een gecoördineerde actie van zowel MSB als Zuyderland jegens [eisers] , waarbij zowel MSB als Zuyderland een actieve rol vervulde, aldus [eisers] . Daarmee is volgens [eisers] sprake van onrechtmatige gedragingen in groepsverband in de zin van artikel 6:166 BW, zodat MSB en Zuyderland hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de door [eiser sub 1] geleden schade. 4.30. De rechtbank stelt voorop dat MSB c.s. terecht hebben aangevoerd dat er geen directe contractuele relatie bestaat tussen Zuyderland en [eisers] , zodat van wanprestatie in de relatie tussen Zuyderland en [eisers] geen sprake kan zijn. Wat dan moet worden beoordeeld, is of de toegangsontzegging door Zuyderland bij e-mailbericht van 27 juli 2017 (zie 2.13) onrechtmatig is geweest. Die vraag beantwoordt de rechtbank eveneens ontkennend. Nadat MSB [eisers] had aangezegd de LO met onmiddellijke ingang te willen opzeggen (zie 2.11), is Zuyderland overgegaan tot een (voorlopige) ontzegging van de toegang tot het ziekenhuis. Niet valt in te zien waarom de (daarvoor medegedeelde) voorlopige toegangsontzegging in het licht van deze omstandigheden onrechtmatig zou zijn. [eisers] hebben dat niet toegelicht. Schade 4.31. [eisers] hebben gesteld dat zij schade hebben geleden, welke schade bestaat uit de volgende posten: gederfde goodwillvergoeding; gederfde lidmaatschapsvergoeding; buitengerechtelijke kosten. Goodwill 4.32. Nu [eisers] in strijd hebben gehandeld met artikel 14.3 LO en op grond daarvan MSB de LO door opzegging heeft beëindigd conform artikel 5.1 sub g LO, hebben [eisers] – zo volgt uit artikel 6.2 lid 1 LO (zie 2.2) – geen recht op een goodwillvergoeding. Deze component van de gevorderde schade zal derhalve worden afgewezen. Lidmaatschapsvergoeding 4.33. Doordat MSB de LO niet op goede gronden heeft opgezegd zonder een opzegtermijn van zes maanden in acht te nemen, hebben [eisers] vanaf dat moment geen lidmaatschapsvergoeding meer ontvangen en zijn [eisers] per direct verstoken gebleven van inkomsten uit hoofde van de LO. Door de tekortkoming van MSB in de nakoming van de LO hebben [eisers] derhalve schade geleden in de vorm van gederfde lidmaatschapsvergoeding. Tussen partijen is in geschil hoe hoog de lidmaatschapsvergoeding was. [eisers] hebben gesteld dat deze € 20.000,- per maand bedroeg, terwijl MSB c.s. hebben aangevoerd dat dit een bedrag van € 19.000,- per maand was. De rechtbank volgt het standpunt van MSB c.s.. In de aan MSB c.s. gerichte brieven van 28 juli 2017 (zie 2.14) is van de zijde van [eisers] zelf aangegeven dat de lidmaatschapsvergoeding op dat moment € 19.000,- per maand bedroeg. Indien dit (desondanks) hoger was, hadden [eisers] dat tamelijk eenvoudig met stukken kunnen aantonen, hetgeen zij niet hebben gedaan. MSB c.s. hebben niet betwist dat de lidmaatschapsvergoeding ziet op een periode van (de opzegtermijn van) zes maanden, zodat [eisers] in totaal inkomsten hebben misgelopen van (6 x 19.000 =) € 114.000,-. 4.34. MSB c.s. hebben gesteld dat op grond van artikel 6:100 BW de voordelen, die een gevolg zijn van de schadeveroorzakende gebeurtenis, in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van de te vergoeden schade. Die voordelen zijn de inkomsten die [eiser sub 1] heeft verkregen bij zijn betrekking bij Acibadem vanaf september 2017. Voor zover [eisers] schade zouden hebben, is dat het verschil in inkomsten tussen hetgeen [eisers] bij MSB hadden kunnen verkrijgen en hetgeen [eiser sub 1] in deze periode bij Acibadem heeft verkregen. [eisers] hebben zich hiertegen verweerd door te stellen dat zij niet als gevolg van de wanprestatie van MSB c.s. voordelen hebben gehad. De werkzaamheden van [eiser sub 1] bij Acibadem in de periode vanaf oktober 2017, waarbij hij tot en met december 2017 een bedrag van € 42.000,- heeft verdiend, zijn enkel het gevolg van de inspanningen van [eiser sub 1] om – na de gewraakte handelingen van MSB c.s. – elders een bron van inkomsten te zoeken. MSB heeft niet weersproken dat [eiser sub 1] in de periode tot en met december 2017 bij Acibadem een inkomen heeft verworven van € 42.000,-. 4.35. De rechtbank overweegt dat een minimumvereiste voor het in aanmerking nemen van voordelen is dat er condicio-sine-qua-non-verband is tussen het schadegebeuren en het voordeel, in die zin dat in de omstandigheden van het geval sprake is van een voordeel dat zonder de normschending niet zou zijn opgekomen. Bovendien moet het redelijk zijn dat het voordeel in rekening wordt gebracht bij de vaststelling van de te vergoeden schade. MSB c.s. moeten stellen (en bewijzen) dat [eisers] een werkelijk voordeel hebben genoten en dat dit voordeel voortspruit uit dezelfde gebeurtenis als die tot schade heeft geleid, dus uit de opzegging. Dat [eiser sub 1] bij Acibadem aan de slag is gegaan, staat tussen partijen vast en daarmee dus ook dat hij voordeel heeft genoten. Zonder de opzegging zou hij geen inkomsten van Acibadem hebben kunnen verwerven, dus ook het causaal verband staat vast. Daarom is het redelijk dat deze inkomsten in mindering worden gebracht op de misgelopen lidmaatschapsvergoeding, hetgeen betekent dat aan [eisers] moet worden vergoed een bedrag van (114.000 – 42.000 =) € 72.000,-. 4.36. [eisers] hebben gesteld dat de schade dient te worden vermeerderd met de wettelijke handelsrente. Aangezien [eisers] dit vervolgens niet hebben gevorderd in het petitum van de dagvaarding en wettelijke handelsrente hoe dan ook niet van toepassing is, omdat het gaat om schadevergoeding, zal de rechtbank deze stelling passeren. [eisers] hebben wel wettelijke rente gevorderd vanaf 26 juli 2017, althans in ieder geval vanaf de dag der dagvaarding. MSB c.s. hebben hiertegen verweer gevoerd met de stelling dat wettelijke rente verschuldigd is over de periode dat de schuldenaar in verzuim is geweest (artikel 6:119 BW). Daarvoor is nodig dat de schuldenaar in gebreke is gesteld. [eisers] hebben MSB c.s. voorafgaand aan de dagvaarding niet in gebreke gesteld, zodat de wettelijke rente niet eerder is aangevangen dan met de betekening van de dagvaarding op 2 maart 2023, aldus MSB c.s.. 4.37. Uit artikel 6:83 sub b BW volgt dat het verzuim bij wanprestatie zonder ingebrekestelling intreedt. De rechtbank wijst daarom de wettelijke rente toe vanaf de datum van opzegging, te weten 4 augustus 2017. Buitengerechtelijke kosten 4.38. [eisers] hebben aanspraak gemaakt op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 3.995,39. MSB c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat de buitengerechtelijke incassokosten over een verkeerd bedrag zijn berekend, omdat de totale vordering inclusief buitengerechtelijke kosten neerkomt op € 413.995,39 en niet op € 448.073,64. [eisers] hebben dat niet weersproken. 4.39. Dat aan de wettelijke eisen voor een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is voldaan, hebben MSB c.s. niet ter discussie gesteld. De buitengerechtelijke incassokosten bedragen, conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, over de toegewezen hoofdsom € 1.808,95. De wettelijke rente hierover zal worden toegewezen zoals gevorderd, dus vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling. Proceskosten 4.40. Gelet op het feit dat partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de proceskosten tussen hen compenseren op de wijze zoals in het dictum is bepaald. 5De beslissing De rechtbank: 5.1. veroordeelt MSB om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te voldoen een bedrag van € 72.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 4 augustus 2017, tot aan de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt MSB om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] te voldoen de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.808,95, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling, 5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.4. compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.5. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J. Noelmans, mr. B.R.M. de Bruijn en mr. S.L.M. van Venrooij en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2024. type: JPW