vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer: C/03/312238 / HA ZA 22-550 Vonnis van 24 april 2024 in de zaak van [eiser] , thans verblijvende in de [naam PI] , eiser, advocaat mr. A.F.G. Pennino; tegen: de onderlinge waarborgmaatschappij ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ CENTRAMED B.A., gevestigd te Den Haag, advocaat mr. M.S.E. van Beurden. terwijl op de voet van artikel 7:954 lid 6 Burgerlijk Wetboek (‘BW’) in het geding is geroepen: 2. de stichting STICHTING MONDRIAAN, gevestigd te Heerlen, gedaagden, advocaat mr. M.S.E. van Beurden. Partijen zullen hierna [eiser] , Centramed en Mondriaan genoemd worden. 1Het verloop van de procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties 1 t/m 7; het exploot van oproeping ex artikel 7:954 lid 6 BW van 5 december 2022 van Mondriaan; de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 9; de akte van Mondriaan van 21 juni 2023; de brief van 28 december 2023 van [eiser] met producties 8 t/m 14; de e-mail van 29 december 2023 van [eiser] met producties 15 en 16; het B3-formulier van 2 januari 2024 van gedaagden met productie 10; de e-mail van de griffier aan mr. Van Beurden van 4 januari 2024; de e-mail van mr. Van Beurden van 5 januari 2024, met één bijlage; het B3-formulier van 8 januari 2024 van [eiser] met productie 17; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 januari 2024. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] is begin september 2018 ’s nachts na het gebruik van verdovende middelen in een angstige toestand van Hoensbroek naar Heerlen gerend, in de veronderstelling dat hij achtervolgd werd. De dienstdoende huisarts heeft hem Olanzapine, een antipsychoticum, voorgeschreven en heeft hem doorverwezen naar psychiater [naam psychiater 1] . Volgens [naam psychiater 1] was er waarschijnlijk sprake van een rand-psychotische decompensatie met paranoïde waanachtige ideeën mede veroorzaakt door stress en wietgebruik. Als behandeling heeft [naam psychiater 1] voorgesteld het medicijn Olanzapine voort te zetten, dat eventueel in een later stadium te halveren en onderzoek te doen naar het vermoeden van een autismespectrumstoornis. 2.2. De huisarts heeft [eiser] op 18 september 2018 naar de GGZ-instelling Mondriaan te Heerlen verwezen. Omdat [eiser] toen in Den Haag woonde, is de verwijzing naar Mondriaan door Mondriaan omgezet in een verwijzing naar PsyQ in Den Haag. 2.3. Op 3 november 2018 heeft [eiser] een zelfmoordpoging ondernomen. In verband daarmee is [eiser] van 4 tot en met 15 november 2018 opgenomen geweest op de afdeling psychiatrie van het Haaglanden Medisch Centrum in Den Haag (verder te noemen: HMC). 2.4. Volgens HMC lag de trigger voor de zelfmoordpoging mogelijk in een opeenstapeling van sociale problemen, stress en zeer waarschijnlijk ook een toename van cannabisgebruik. HMC acht nadere diagnostiek nodig net als intensief contact. [eiser] is verwezen naar de spoedpoli van Mondriaan. Na zijn ontslag uit HMC heeft hij verbleven bij zijnouders, omdat hij, volgens HMC reële, bezwaren had tegen opname op een reguliere GGZ afdeling. 2.5. Vanaf 16 november 2018 is [eiser] behandeld bij Mondriaan door in ieder geval psychiater [naam psychiater 2] , psychiater [naam psychiater 3] , arts in opleiding tot psychiater [naam psychiater 4] , basisarts [naam basisarts] , verpleegkundig specialisten [naam verpleegkundig specialist 1] en [naam verpleegkundig specialist 2] , verpleegkundige [naam verpleegkundige] , GZ psycholoog [naam GZ-psycholoog] , psychodiagnostisch medewerker [naam psychodiagnostisch medewerker] en agogisch medewerker [naam agogisch medewerker] . Voorafgaand aan de behandeling bij Mondriaan, heeft [naam psychiater 2] telefonisch overleg gehad met een arts van HMC. 2.6. Een deel van de bevindingen van het behandelteam naar aanleiding van de contacten met [eiser] is hieronder vermeld: 14 november 2018 [naam psychiater 2] rapporteert na overleg met HMC dat [eiser] van zijn stemmingsproblematiek af wil. Verder is als probleemomschrijving opgenomen dat sprake is van cannabisafhankelijkheid en cannabis geïnduceerde psychose na een suïcidepoging. Er is geen sprake van een psychotisch toestandsbeeld. 16 november 2018 [naam psychiater 2] spreekt [eiser] voor het eerst en meent dat er geen sprake is van acute suïcidaliteit en ook niet van een psychotisch toestandsbeeld. Verdere psychiatrische diagnostiek en observatie is nodig. 20 november 2018 [eiser] vertelt [naam psychiater 4] dat hij na de psychose in september 2018 geen cannabis meer heeft gebruikt. 23 november 2018 [naam psychiater 2] ziet aanwijzingen voor ontwikkelingsproblematiek. 30 november 2018 [eiser] laat [naam psychiater 4] weten dat hij het meeste ziet in een traject gericht op ontwikkelingsproblematiek als grondslag voor andere problemen die hij ervaart zoals de stemmingsproblematiek en de eenmalig kortdurende psychotische decompensatie bij cannabisgebruik. 7 december 2018 [naam psychiater 2] ziet na de afgenomen DIVA en biografie aanwijzingen voor ADD. Een pervasieve ontwikkelingsstoornis staat echter meer op de voorgrond. [eiser] stemt in met verwijzing naar de zorglijn autisme voor diagnostiek en behandeling. 18 januari 2019 [naam GZ-psycholoog] doet een intake ASS met [eiser] . 28 januari 2019 [naam GZ-psycholoog] neemt in het kader van de diagnostiek ASS/ADHD de ontwikkelingsanamnese af bij de ouders van [eiser] . 1 februari 2019 [naam GZ-psycholoog] informeert [eiser] dat een aanvullende afname DIVA en NPO nodig is. 11 februari 2019 [naam GZ-psycholoog] neemt een diagnostisch interview voor ADHD bij volwassenen af. 12 februari 2019 [naam psychodiagnostisch medewerker] neemt een neuropsychologisch onderzoek af. 28 februari 2019 [naam GZ-psycholoog] laat [eiser] weten wanneer hij in het MDO besproken wordt en dat hij dan een terugkoppeling van het onderzoek krijgt. 12 maart 2019 [naam GZ-psycholoog] neemt een DSM-5 interview ASS af. 15 maart 2019 Na overleg met [naam psychiater 3] concludeert [naam GZ-psycholoog] dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor ASS. Er is wel sprake van ADHD van het gecombineerde type, naast aanwijzingen voor persoonsproblematiek (een tekortschietende coping en emotieregulatie) en systeemproblematiek. Besloten wordt te starten met een behandeling gericht op ADHD (farmacotherapie en psycho-educatie + basisgroep/zelfbeeldgroep), waarna een evaluatie zal plaatsvinden. [eiser] wordt gebeld over de conclusie. 21 maart 2019 [naam GZ-psycholoog] spreekt met [eiser] naar aanleiding van de diagnostiek. 28 maart 2019 [naam verpleegkundig specialist 1] spreekt met [eiser] over de werking van de medicatie en de bijwerkingen daarvan (verandering van slaappatroon, hoofdpijn, hartkloppingen, droge mond of ogen, transpireren, stemmingswisselingen en vermindering van eetlust). [eiser] meldt dat hij zes maanden eerder is gestopt met cannabis en dat hij dit niet meer wil gebruiken. Voorgesteld wordt om te starten met gebruik van dex-amfetamine: 2,5 mg, 2 tot 3 keer per dag 2 tabletten. De afspraak is om over twee weken telefonisch te evalueren en over drie weken elkaar persoonlijk te ontmoeten. 2 april 2019 [naam GZ-psycholoog] en [eiser] spreken elkaar telefonisch. Gevraagd naar zijn eerste indrukken na het gebruik van de medicatie antwoordt [eiser] dat het rustiger in zijn hoofd wordt en dat hij beter kan focussen. 3 april 2019 [naam verpleegkundig specialist 1] stuurt [eiser] via de website een bericht en heet hem welkom bij de internetbehandeling van Minddistrict. [naam verpleegkundig specialist 1] merkt op dat als het goed is [eiser] begonnen is met het gebruik van de dex-amfetamine. [naam verpleegkundig specialist 1] geeft tips over de dosering. 15 april 2019 [naam agogisch medewerker] spreekt met [eiser] in het kader van de psycho-educatie ADHD. Over de medicatie meldt [eiser] dat hij rustiger is en zich beter kan focussen, maar dat hij moeite heeft met slapen en een verminderde eetlust heeft. [eiser] merkt verder op dat hij zich herkent in bijna alle kernsymptomen en voornaamste klachten van ADHD. 16 april 2019 [eiser] verschijnt niet op de afspraak om de medicatie te evalueren. Er wordt een bericht gestuurd naar [eiser] om te vragen hoe het met hem gaat en of hij positieve effecten ondervindt van de medicatie. 23 april 2019 [naam verpleegkundig specialist 1] evalueert in een persoonlijk gesprek met [eiser] alsnog het gebruik van de medicatie. [eiser] beoordeelt de effecten als positief. Als bijwerkingen meldt hij dat hij iets minder goed inslaapt, hij ’s nachts met zijn tanden knarst en minder eetlust heeft. Het inslapen gaat inmiddels beter. Als hij magnesium inneemt, neemt het tandenknarsen af. [eiser] is twee kg afgevallen. Hij gaat daar volgens [naam verpleegkundig specialist 1] adequaat mee om, in die zin dat hij bewust eetmomenten inplant en keuzes maakt in wat hij eet. Ook is hij meer gaan sporten, waardoor hij meer eetlust heeft. In de weekenden gebruikt [eiser] 2 maal per dag 1 tablet dex-amfetamine van 2,5 mg. [eiser] zegt dat hij met deze dosis minder snel is afgeleid. Omdat hij dan andere dingen rustiger kan doen, is niet de dubbele dosis nodig om goed te kunnen functioneren. [naam verpleegkundig specialist 1] concludeert dat het effect van de medicatie positief is. De geringe bijwerkingen zijn hanteerbaar. Er is volgens [naam verpleegkundig specialist 1] , als het gewicht is gestabiliseerd, ruimte voor verhoging van de medicatie. Besloten wordt om de dosis te handhaven. [eiser] laat verder weten dat het studeren aanzienlijk beter gaat, dat hij rustiger kan nadenken over zijn gedrag in brede zin en dat zijn tijdsbesteding effectief is. Hij kan weer met regelmaat gitaar en keyboard spelen. 23 april 2019 [naam agogisch medewerker] spreekt weer met [eiser] in het kader van de psycho-educatie ADHD. Zij bekijken hoe ADHD invloed heeft gehad en heeft op het leven van [eiser] . [eiser] benoemt dat de ADHD heeft geleid tot roekeloos gedrag, waarmee hij zichzelf en mogelijk anderen heeft beschadigd. Hij doelt daarbij op het gebruik van verdovende middelen, het verlies van grip op de realiteit en de zelfmoordpoging. 25 april 2019 [naam GZ-psycholoog] stelt, na aanvulling door [naam psychiater 3] , een behandelplan op evenals de DSM-5 classificatie. 29 april 2019 [naam agogisch medewerker] en [eiser] hebben de derde sessie van de psycho-educatie ADHD. [eiser] meldt dat hij zich weer kan focussen op zijn scriptie en het aanbrengen van structuur in zijn leven. Er wordt een nieuwe afspraak gemaakt voor 6 mei 2019. 1 mei 2019 De moeder van [eiser] belt Mondriaan en spreekt met een verpleegkundige. Ze maakt zich zorgen over [eiser] en vraagt wat ze het beste kan doen. [eiser] is die dag naar zijn kamer in Den Haag gegaan. Hij heeft zijn moeder gebeld met de mededeling dat het niet goed gaat met hem. Hij zou een joint hebben gerookt en zich niet goed voelen om alleen op zijn kamer in Den Haag te zitten. Vader is op weg naar Den Haag om hem op te halen. Moeder is bang voor een nieuwe zelfmoordpoging. Met moeder is afgesproken om even te wachten totdat [eiser] weer bij zijn ouders is, om te kijken hoe het met hem gaat en om te bezien of voor de dag erna met de behandelaren een afspraak ingepland moet worden. 2 mei 2019 [naam GZ-psycholoog] belt naar aanleiding van de rapportage van de verpleegkundige met [eiser] . [eiser] blijft wat op de vlakte. [naam GZ-psycholoog] stelt voor de afspraak van de komende maandag (6 mei 20219) te vervroegen. De afspraak is vervolgens gepland voor de volgende dag om 08.45 uur. 3 mei 2019 [naam GZ-psycholoog] spreekt met [eiser] en zijn moeder. [eiser] vertelt dat een oom, die hem dierbaar was, die week op dinsdag (30 april 2019) is overleden en dat hij daar erg door ontdaan was. Het gaat weer wat beter met [eiser] . Moeder brengt het onderwerp cannabis ter sprake. [eiser] is van mening dat cannabis voor hem een symptoom is en niet de oorzaak van het probleem. [naam GZ-psycholoog] is het er mee eens dat cannabis niet de kern van zijn probleem is. 2.7. Op 4 mei heeft [eiser] in Den Haag een persoon van het leven beroofd. Na die datum luidt een deel van de bevindingen van het behandelteam als volgt: 5 mei 2019 (om 13.50 uur) De ouders en zus van [eiser] melden telefonisch bij een medewerker spoedzorg van Mondriaan hun zorgen over [eiser] . Hij is de dag daarvoor een halve dag in Den Haag geweest en is toen teruggekomen. Bij terugkomst was sprake van een raar beeld, waaruit blijkt dat hij in een psychose zou kunnen zitten. Als voorbeelden noemt de familie dat [eiser] een badkamerdeur heeft ingetrapt, dat hij in een vinger heeft gesneden en merkwaardig met een nepvingertopje rondloopt, dat hij op zijn gesneden vinger zet. Hij staarde heel lang naar een pannenkoek. Verder kijkt hij de familie vreemd aan. Volgens de familie is het dezelfde blik als ten tijde van de zelfmoordpoging. 5 mei 2019 (om 14:40 uur) [naam verpleegkundig specialist 2] spreekt de vader van [eiser] telefonisch. Vader en [eiser] zullen die dag rond 15.30 uur naar Mondriaan komen. 5 mei 2019 (om 16:46 uur) [naam basisarts] spreekt in de kliniek met [eiser] , zijn ouders en zijn zus. Zij maken zich zorgen. [eiser] gebruikt sinds drie weken dex-amfetamine: tweemaal per dag twee tabletten van 2,5 mg. [eiser] slaapt weinig en heeft krampen in zijn kaken en valt vaker. Omdat hij de sleutel vergeten was, had hij in Den Haag een deur ingetrapt om binnen te komen. Ouders vertellen dat hij staart en dat zij bang zijn voor een nieuwe psychotische episode. Volgens [naam basisarts] zijn daar geen aanwijzingen voor. Het verminderde slaappatroon past bij het gebruik van dex-amfetamine. Het staren/minder contact krijgen zijn tekenen van ADD/concentratie, niet van psychose. 6 mei 2019 [naam GZ-psycholoog] spreekt met [eiser] en zijn moeder. Volgens moeder was [eiser] bijna onherkenbaar in zijn gedrag en hebben ze daarom naar de 24-uursdienst gebeld. [eiser] had in Den Haag zijn badkamerdeur ingetrapt. [eiser] geeft aan dat dat was omdat hij daar de sleutel niet van had en een gesprek met een goede vriendin wel goed wilde voorbereiden. [eiser] wijt de problemen zelf aan het gebrek aan slaap en het feit dat hij de medicatie tijdelijk had opgehoogd van vier naar zes tabletten per dag. Hij heeft, na contact met de 24-uursdienst, afgesproken het bij vier tabletten te houden en in te zetten op beter slapen en gewichtstoename. [eiser] zegt nog 61,5 kg te wegen en in korte tijd 5 kg te zijn afgevallen. Moeder vraagt of [eiser] niet intensievere steun nodig heeft, te weten meerdere gesprekken per week, omdat [eiser] enkele keren heel fors emotioneel wordt, zich uitend in huilbuien. [eiser] verklaart dat de huilbuien voor hem een gevolg zijn van de moeilijke periode die hij doormaakt. [eiser] denkt dat intensievere steun niet nodig is; hij wil het huidige spoor voortzetten. [naam GZ-psycholoog] vindt [eiser] lastig in te schatten. Er wordt een nieuwe afspraak gemaakt voor over een week. 2.8. Op 7 mei 2019 heeft [eiser] in Brunssum twee mensen van het leven beroofd. 2.9. Bij vonnis van 30 juli 2020 van de strafkamer van deze rechtbank is [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaar en tbs met dwangverpleging wegens 3 moorden. In hoger beroep is [eiser] bij arrest van het gerechtshof Den Bosch van 17 maart 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 jaar en tbs met dwangverpleging. Bij arrest van 17 oktober 2023 heeft de Hoge Raad de veroordeling van het gerechtshof in stand gelaten, met dien verstande dat vanwege de duur van de procedure de opgelegde gevangenisstraf verlaagd is tot 21 jaar en 10 maanden. 2.10. Bij brief van 4 maart 2020 heeft [eiser] Mondriaan aansprakelijk gesteld voor de schade die hij stelt te hebben geleden doordat Mondriaan hem geen goede behandelding zou hebben gegeven. 2.11. De verzekeraar van Mondriaan, Centramed, heeft [eiser] op 23 september 2020 schriftelijk bericht dat Mondriaan aansprakelijkheid afwijst. 3Het geschil 3.1. [eiser] stelt dat Mondriaan tekort is geschoten in de nakoming van de tussen hem en Mondriaan tot stand gekomen geneeskundige behandelovereenkomst, althans dat Mondriaan onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Doordat Mondriaan hem niet goed behandeld heeft, heeft hij de drie levensdelicten gepleegd. [eiser] houdt Mondriaan aansprakelijk voor de schade die hij lijdt als gevolg van die delicten. De schade bestaat onder meer uit de beeldvorming die in de samenleving is ontstaan over zijn persoon, waardoor een terugkeer in de samenleving vrijwel onmogelijk is. Zijn vrijheid is hem gedurende een zeer lange tijd ontnomen en hij zal moeten leven met het nauwelijks te verwerken besef dat hij drie mensen van het leven heeft beroofd. [eiser] stelt verder dat hij gedurende zeer lange tijd verstoken is gebleven van medische behandeling, waardoor de kans op een restloos herstel kleiner wordt. Hij heeft alle kansen verloren op een normaal leven: een relatie, kinderen, en een maatschappelijke carrière. Ten slotte stelt [eiser] dat zijn schade bestaat in kosten die voor zijn rekening komen, niet alleen in verband met de strafzaak, maar ook in verband met deze procedure. 3.2. Op grond van het vorenstaande vordert [eiser] dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: voor recht verklaart dat sprake is van verwijtbaar medisch handelen door Mondriaan en haar behandelaars betrokken bij de behandeling van [eiser] , en dat Mondriaan volledig (100%) aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade, althans uit hoofde van proportionele aansprakelijkheid voor ten minste 75%, althans op basis van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen percentage; Centramed veroordeelt tot betaling van schadevergoeding aan [eiser] , in verband met de door hem geleden en te lijden materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat en vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2019, althans de datum van aansprakelijkstelling bij brief van 4 maart 2020, althans een in goede justitie te bepalen datum, althans datum dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening; Centramed veroordeelt in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de kosten van de deskundigenberichten die [eiser] in de buitengerechtelijke fase heeft gemaakt. 3.3. Centramed voert verweer. Mondriaan heeft zich daarbij aangesloten. 3.4. Op de standpunten van partijen zal hieronder, voor zover van belang, nader worden ingegaan. 4De beoordeling Toetsnorm 4.1. [eiser] en Mondriaan hebben een geneeskundige behandelingsovereenkomst gesloten. Op grond van artikel 7:453 BW is Mondriaan verplicht bij haar werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlenen in acht te nemen en moet zij daarbij handelen in overeenstemming met de op haar rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard en kwaliteitstandaarden. Standpunt [eiser] 4.2. [eiser] betoogt dat Mondriaan niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. Hij verwijst onder meer naar het partijdeskundigenrapport van [naam psychiater 5] , psychiater, en maakt Mondriaan onder meer de volgende verwijten: er heeft geen juiste differentiaaldiagnose plaatsgevonden, althans ADHD is onterecht als diagnose gesteld, onder andere omdat niet of onvoldoende rekening is gehouden met de (recente) medische voorgeschiedenis; het medicijn dex-amfetamine is onterecht voorgeschreven. Onterecht is ook dat niet (gelijktijdig) een antipsychoticum is voorgeschreven; het gebruik van het medicijn dex-amfetamine is onvoldoende gemonitord en niet (tijdig) gestopt; e zorg aan [eiser] is te laat opgeschaald, (mede) gelet op door de ouders en zus van [eiser] afgegeven signalen. 4.3. Volgens [eiser] hebben deze tekortkomingen van Mondriaan er toe geleid dat hij begin mei 2018 in een psychose geraakt is. Onder invloed van deze psychose heeft hij op 4 en 7 mei 2018 de levensdelicten gepleegd. Standpunt Mondriaan en Centramed 4.4. Centramed is in deze procedure de gedaagde partij. Aangezien het geschil echter betrekking heeft op het handelen van Mondriaan - en Mondriaan zich heeft aangesloten bij de stellingen van Centramed - zal hierna het verweer worden besproken als ware dat door Mondriaan gevoerd. 4.5. Mondriaan vindt dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Zij verwijst daarbij naar het partijdeskundigenrapport van [naam psychiater 6] , psychiater. In de kern komt het verweer van Mondriaan en Centramed op het volgende neer:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.