RECHTBANK limburg Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 21/2282, 23/257, 23/1148, 23/3411 en 24/1510. uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2024 in de zaken tussen [eiser] en [eiseres], te [woonplaats] , eisers, tevens derde-partij in de zaak 24/1510, (gemachtigde: mr. drs. C.M.J.E.P. Meerts), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, verweerder, (gemachtigde: mr. C.H.J.M. Michels). Als derde-partij in de zaken 21/2282, 23/257, 23/1148 en 23/3411 en tevens als eiseres in de zaak 24/1510 heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te [vestigingsplaats 1] , (gemachtigde: mr. J. van den Brink). Procesverloop Bij besluit van 26 juli 2021 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen zijn besluit van 19 maart 2021, waarbij aan [derde-partij] (hierna: vergunninghoudster) een omgevingsvergunning is verleend voor het uitbreiden van een supermarkt aan het [adres 1] in [vestigingsplaats 1] , ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld (ROE 21/2282) en tevens hebben zij aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen (ROE 21/2729). De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 29 oktober 2021 een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) getroffen. Op 16 december 2021 heeft verweerder het bestreden besluit 1 gewijzigd met een wijzigingsbesluit (het bestreden besluit 2) dat door de rechtbank is aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat betekent dat het beroep van eiser tegen het bestreden besluit 1 ook betrekking heeft op het bestreden besluit 2. Naar aanleiding van een verzoek van vergunninghoudster op grond van artikel 8:87 van de Awb heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 18 februari 2022 (ROE 22/131) de getroffen voorlopige voorziening opgeheven. Op 23 november 2022 heeft de rechtbank de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) verzocht inzake het beroep 21/2282 van verslag en advies te dienen. Bij besluit van 5 januari 2023 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen zijn besluit van 9 augustus 2022, waarbij aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning is verleend voor het veranderen van een inrit/uitweg aan de achterzijde van de supermarkt, ongegrond verklaard (het bestreden besluit 3). Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 3 (ROE 23/257). De StAB heeft op 27 maart 2023 het gevraagde verslag van 23 maart 2023 aan de rechtbank doen toekomen. Bij besluit van 21 april 2023 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen zijn besluit van 6 december 2022, waarbij het verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen een laad- en losvoorziening (laadperron met oprijstuk aan de achterzijde van de supermarkt), ongegrond verklaard (het bestreden besluit 4). Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 4 (ROE 23/1148). Op 6 juli 2023 heeft verweerder de bestreden besluiten 1 en 2 gewijzigd door de motivering aan te passen en alsnog twee extra voorschriften aan de omgevingsvergunning voor de uitbreiding van de supermarkt te verbinden (het bestreden besluit 5). Dat besluit heeft de rechtbank aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb en het beroep (21/2282) van eisers is ook mede hiertegen gericht. Vergunninghoudster heeft tegen het bestreden besluit 5 beroep ingesteld (ROE 24/1510). Bij besluit van 23 oktober 2023 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen zijn besluit van 29 juni 2023, waarbij maatwerkvoorschriften aan vergunninghoudster zijn opgelegd ongegrond verklaard (het bestreden besluit 6). Eisers hebben tegen het bestreden besluit 6 beroep ingesteld ROE 23/3411). Verweerder heeft in alle zaken verweer gevoerd. De derde-partijen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Op 4 april 2024 is een onderzoek ter plaatse ingesteld als bedoeld in artikel 8:50 van de Awb. Aansluitend zijn de beroepen mondeling behandeld in het stadskantoor van de gemeente Venlo. Daarvan is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt. Bij het onderzoek ter plaatse en de mondelinge behandeling waren aanwezig: mr. A. Snijders, rechter, mr. F.A. Timmers, griffier, [eiser] en [eiseres] , eisers, [naam 2] , vader van [eiseres] , mrs. drs. C.M.J.E.P. Meerts, gemachtigde van eisers, mr. J. van den Brink, gemachtigde van vergunninghoudster, [naam bedrijfsleider] , bedrijfsleider Jumbo, [naam 1] , ruimtelijk adviseur van vergunninghoudster. mr. C.H.J.M. Michels, [naam vertegenwoordiger verweerder 1] en [naam vertegenwoordiger verweerder 2] , vertegenwoordigers van verweerder. Partijen hebben na afloop desgevraagd te kennen gegeven geen gebruik te willen maken van het recht om (nader) op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57 van de Awb bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten. Overwegingen Waar gaan deze zaken over? 1. Vergunninghoudster exploiteert al ruim 13 jaar een Jumbo-supermarkt in een multifunctioneel gebouw aan het [adres 1] in [vestigingsplaats 1] . Daarvoor was er in het pand al 10 jaar een Super de Boer-supermarkt gevestigd. Eisers wonen direct naast de supermarkt. De woonwijk in de directe omgeving is gerealiseerd toen er al een supermarkt aanwezig was. De ingang van de supermarkt ligt aan het [adres 1] . Aan de achterzijde, in de [straat 1] vindt, de belevering plaats. 2. Vergunninghoudster heeft in 2020 een aanvraag ingediend om de supermarkt uit te breiden omdat er te weinig winkelruimte en magazijnruimte is. Met het bestreden besluit 1 is de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Het betreft een uitbreiding aan de achterzijde van het bestaande gebouw met een bedrijfsvloeroppervlakte van 169 m² en een inpandige uitbreiding van ondergeschikte horeca (La Place-formule) aan de pleinzijde van het pand van 91 m². Hierdoor kan, na een gewijzigde inrichting, een uitbreiding van het winkelvloeroppervlak van 199 m² worden gerealiseerd waardoor de supermarkt zich de komende jaren verder kan ontwikkelen op deze locatie. Het plan maakt onderdeel uit van een voorgenomen herstructurering van het [adres 1] en de [straat 2] , waaraan de gemeente Venlo in principe medewerking wil verlenen. Door de uitbreiding aan de achterzijde verschuift de locatie waar ten behoeve van de supermarkt wordt geladen en gelost in de richting van de woning van eisers en dient de bestaande inrit/uitweg aan de [straat 1] te worden verbreed. Verder is ten behoeve van het laden en lossen een laad- en losvoorziening (een perron met aangrenzende hellingbaan) gerealiseerd. De nieuwe laad- en losplaats ligt direct naast de woning van eisers. Zij ervaren een verslechtering van hun woon- en leefklimaat als gevolg van geluidoverlast door het geluid van laden en lossen en het geluid van de ventilatoren op het dak. Door de uitbreiding tot op de perceelsgrens wordt hun uitzicht vanuit hun tuin beperkt en hebben zij het gevoel door de bebouwing ingeklemd te worden. Zij hebben onder meer om die redenen bezwaar gemaakt en beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning voor de uitbreiding (het bestreden besluit 1, gewijzigd met de bestreden besluiten 2 en 5) en tegen de verandering van inrit/uitweg (het bestreden besluit 3). Lopende de procedure heeft verweerder zijn besluit tot verlening van omgevingsvergunning voor de uitbreiding naar aanleiding van een uitspraak van de voorzieningenrechter gewijzigd (het bestreden besluit 3). Naar aanleiding van een verslag van de StAB dat op verzoek van de rechtbank is uitgebracht, heeft verweerder dat besluit nogmaals gewijzigd en daaraan extra voorschriften verbonden (het bestreden besluit 5). Tevens heeft verweerder maatwerkvoorschriften gesteld waaraan de supermarkt moet voldoen (het bestreden besluit 6). Eisers kunnen zich ook met de gewijzigde besluiten en het maatwerkvoorschrift niet verenigen. Daarnaast hebben zij verweerder verzocht handhavend op te treden tegen de laad- en losvoorziening omdat die volgens hen zonder vergunning is gerealiseerd. Tegen de afwijzing van dat verzoek (het bestreden besluit 6) hebben eisers eveneens geageerd. Leeswijzer 3. In deze uitspraak behandelt de rechtbank achtereenvolgens: de omgevingsvergunning voor de uitbreiding van de supermarkt, inclusief de wijzigingen van die vergunning: de bestreden besluiten 1, 2 en 5 (zaaknummers ROE 21/2282 en 24/1510); de omgevingsvergunning voor de verbreding van de inrit/uitweg: het bestreden besluit 3 (zaaknummer ROE 23/257); het maatwerkbesluit: het bestreden besluit 6 (zaaknummer ROE 23/3411); de weigering handhavend op te treden tegen het laad- en losperron: het bestreden besluit 4 (zaaknummer ROE 23/1148); het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding redelijke termijn voor het doen van deze uitspraak in de zaak ROE 21/2282. De omgevingsvergunning inclusief wijzigingen daarvan De aanvraag, de besluitvorming, advisering door de StAB en de standpunten van partijen 4. In de aanvraag omgevingsvergunning van 12 december 2020 is vermeld dat die betrekking heeft op de uitbreiding aan de achterzijde van de bestaande supermarkt met een magazijn aan de [straat 1] te [plaats] . Ten behoeve van de aanvraag is een ‘Ruimtelijke onderbouwing uitbreiding Jumbo supermarkt aan het [adres 1] te [vestigingsplaats 1] ’ van 19 januari 2021 van [bedrijfsnaam] opgesteld. Daarbij is onder meer een akoestisch onderzoek van 11 januari 2021 van [naam consultancy] gevoegd. In de ruimtelijke onderbouwing is aangegeven dat voor het project alleen van het bestemmingsplan kan worden afgeweken met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo. Daarvoor geldt de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure en dient een ‘goede ruimtelijke onderbouwing’ te worden opgesteld. In de ruimtelijke onderbouwing zijn de voordelen beschreven van de gewijzigde manier van laden en lossen. Doordat laad/losplaats verschuift maken de vrachtwagens minder (kortere) manoeuvreerbewegingen hetgeen onder meer de verkeersveiligheid ten goede komt. Laden en lossen gebeurde voorheen ter hoogte van de tuin van eisers achter de erfafscheidingsmuur. Omdat de nieuwe laad/losplaats meer richting de voorkant van de woning van eisers opschuift en de verlengde erfafscheiding van 1,75 meter breed en 3 meter hoog een beperkte afscherming biedt, heeft [naam consultancy] aan de hand van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ beoordeeld of ter hoogte van de [adres 2] (eisers), [adres 3] en [adres 4] nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of aan de geluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit (Abm) kan worden voldaan. Aan de richtafstand van 0 meter in stap 1 die geldt bij het gebiedstype ‘gemengd gebied’ wordt voldaan maar gelet op genoemde situering van de laad- en losplaats en het feit dat door de bakkerij verse producten in de nacht worden geleverd, heeft [naam consultancy] de feitelijke geluidsituatie onderzocht. Als maatregel is voorgesteld om bakkerijproducten alleen nog in de dagperiode te laten leveren omdat uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat met die levering in de nacht het maximale geluidniveau van 60 dB(A) wordt overschreden. Met die maatregel verbetert de geluidsituatie en wordt volgens [naam consultancy] bij alle woningen aan de streefwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en aan de streefwaarde voor het maximale geluidniveau in de avond en nacht voldaan. De overschrijdingen van het maximale geluidniveau die overdag bij [adres 3] en [adres 4] zijn geconstateerd, kan met stap 3 van de VNG-publicatie gemotiveerd worden toegelaten, aldus [naam consultancy] . Omdat de geluid-grenswaarden onder artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Abm overeenkomen met de streefwaarden uit de VNG-publicatie voor het gebiedstype ‘gemengd gebied’ en de grenswaarde voor het maximale geluidniveau niet van toepassing is op laden en lossen, wordt aan de grenswaarden van het Abm eveneens voldaan. In de ruimtelijke onderbouwing wordt daarom in navolging van [naam consultancy] geconcludeerd dat het aspect geluid vanuit een goede ruimtelijke ordening geen belemmering vormt voor de realisatie van het project. 5. In het primaire besluit van 19 maart 2021 heeft verweerder voor het bouwen van een bouwwerk (art. 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo) en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (art. 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo) omgevingsvergunning verleend. De ruimtelijke onderbouwing is aangewezen als document dat behoort bij en onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning. Verweerder heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo in combinatie met artikel 4, onderdeel 3 en 9 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Als voorschrift is aan de omgevingsvergunning verbonden dat er op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid aanwezig moet zijn. 6. In bezwaar hebben eisers onder meer aangevoerd dat de grondslag voor de omgevingsvergunning die afwijkt van de ruimtelijke onderbouwing onjuist is omdat met onderdeel 9 van bijlage II bij het Bor het bebouwde oppervlak niet mag worden vergroot. Verder is aangevoerd dat de door [naam consultancy] voorgestelde maatregel om aan de geluidgrenswaarde te voldoen door levering van bakkerijproducten in de nacht te verbieden, niet in de omgevingsvergunning is geborgd. 7. Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Verweerder heeft de grondslag voor verlening van de omgevingsvergunning gewijzigd in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo in combinatie met artikel 4, onderdeel 3 (voor de erfafscheiding) en onderdeel 1 (de uitbouw) van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Op grond van de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing en de aanvullende overwegingen in de omgevingsvergunning leidt de vergunde supermarktuitbreiding niet tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van belanghebbenden, aldus verweerder. 8. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat ongemotiveerd aan hun bezwaren is voorbij gegaan. Zij herhalen dat de omgevingsvergunning ten onrechte en op een onjuiste grondslag is verleend en dat daaraan ten onrechte geen nadere voorwaarden zijn verbonden. Onder andere is erop gewezen dat de belevering gaat plaatsvinden op een plaats dichter bij de voorkant van de woning waardoor het geluid in de tuin beter wordt maar de geluidoverlast bij hun woning gaat toenemen. In de tuin wordt hun uitzicht beperkt en is door de aanbouw een beklemmend gevoel (gevoel van inklemming) ontstaan. 9. Naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 oktober 2021 heeft verweerder met het bestreden besluit 2 een wijzigingsbesluit genomen waarin een aanvullende motivering is opgenomen. Verweerder heeft het belang van vergunninghoudster om ten behoeve van de modernisering van de supermarkt aan de achterzijde een magazijn te kunnen realiseren afgewogen tegen de belangen van eisers bij behoud van uitzicht vanuit de tuin en de belangen van vergunninghoudster daarbij laten prevaleren. 10. Eisers hebben naar aanleiding van dat wijzigingsbesluit een akoestisch rapport van [naam consultancy] van 18 november 2022 van Econsultancy overgelegd dat een aanvulling is op de rapporten van 24 januari 2022 en 14 februari 2022. Daarin wordt bestreden dat de situatie akoestisch zal verbeteren. Verder is aangevoerd dat het akoestisch onderzoek van [naam consultancy] onvolledig is en dat daarbij van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. 11. Het rapport van Econsultancy heeft de rechtbank aanleiding gegeven de StAB te vragen om van verslag en advies te dienen. Op 23 maart 2023 heeft de StAB gerapporteerd en - samengevat weergegeven - aangegeven dat als de door verweerder toegepaste normen als ‘geldende normen’ worden beschouwd, sprake is van overschrijding. In het geluidrapport van 11 januari 2021 van [naam consultancy] is voor de berekening van de vergunde situatie niet uitgegaan van een geheel juiste en volledige representatieve bedrijfssituatie. StAB stelt vast dat piekgeluiden van laden en lossen op meer plaatsen op kunnen treden en dat de bronnen voor de bevoorrading van bakkerijproducten die eerder in de nacht plaatsvond niet in de berekeningen zijn opgenomen. Verder is in het rekenmodel uitgegaan van te gunstige absorptie van de bodem rondom de woningen en is voor de woning van eisers niet uitgegaan van de maatgevende punten op de huidige gevel. De StAB acht wel de gehanteerde aantallen vrachtwagens (maximaal 8 per dag) en rolcontainers (maximaal 100 per dag) representatief. Uit de analyse en herberekeningen van de StAB blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bij de woning van eisers tot 53 dB(A) bedraagt. In de representatieve bedrijfssituatie wordt daarmee de door verweerder gehanteerde richtwaarde van 50 dB(A) uit stap 2 van de VNG-brochure met 3 dB overschreden. Verweerder zou met een goede motivering op grond van stap 3 van de VNG-brochure een hogere geluidbelasting aanvaardbaar kunnen achten. Dat heeft verweerder niet gedaan en bovendien wordt met een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 53 dB(A) de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit milieubeheer overschreden. Het maximale geluidniveau bedraagt tot 86 dB(A) bij de woning van eisers. Dit is meer dan de richtwaarde van 70 dB(A) die in stap 3 van de VNG-brochure aanvaardbaar kan worden geacht. Daarbij kunnen piekgeluiden van aan- en afrijdend verkeer worden uitgezonderd van toetsing en kan het bevoegd gezag motiveren waarom deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel wordt geacht. Die beoordeling heeft niet plaatsgevonden en de motivering daarvoor ontbreekt. Bovendien zijn de maatgevende piekgeluiden bij de woning van eisers niet afkomstig van aan- en afrijdend verkeer maar worden deze veroorzaakt door laden en lossen van rolcontainers en palletwagens. De StAB is van mening dat stap 3 van de VNG-brochure daarom niet de mogelijkheid biedt om deze piekgeluiden uit te zonderen. Van stap 4 heeft verweerder geen gebruik gemaakt. Ten slotte heeft de StAB aangegeven dat de stelling van verweerder dat voor de woning van eisers sprake is van een verbetering van de geluidsituatie, onjuist is. De maximale geluidniveaus worden in de nieuwe situatie veroorzaakt door laden en lossen en die zijn hoger en treden vaker op dan de piekgeluiden door rijden en manoeuvreren in de eerder bestaande situatie. 12. Naar aanleiding van het StAB-rapport heeft verweerder bij het bestreden besluit 5 zijn eerdere besluiten opnieuw gewijzigd door op het onderdeel ‘geluid’ een aanvullende motivering op te nemen en door vier extra voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden. Verweerder wijst op de geldende bestemming ‘Centrum’ en het feit dat het geen nieuwe ontwikkeling maar een uitbreiding van bestaande bebouwing en bestaande functie betreft. Verweerder wijst erop dat aan richtafstand voor gemengd gebied in stap 1 van de VNG-brochure wordt voldaan. Ten aanzien van de constatering door de StAB dat de norm voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode met 3 dB(A) wordt overschreden, stelt verweerder zich op het standpunt dat ervan mag worden uitgegaan dat de geluidwering van de woning van eisers in ieder geval 20 tot 25 dB bedraagt. Daarmee is een binnenwaarde van 33 dB(A) afdoende verzekerd. De door de StAB berekende geluidbelastingen in de achtertuin maken niet aannemelijk dat daar het verblijfklimaat onaanvaardbaar wordt aangetast door het verlenen van de omgevingsvergunning, aldus verweerder. Ten aanzien van de maximale geluidniveaus wijst verweerder ook erop dat relevant is dat sprake is van een bestaande functie die wordt uitgebreid en dat geluid door laden en lossen in de dagperiode is uitgezonderd in het Abm. Dit is gedaan om te voorkomen dat bestaande supermarkten niet bevoorraad kunnen worden zonder de geluidnormen te overschrijden. In de avond, nacht en weekenden wordt niet geladen en gelost. Uit het StAB rapport volgt verder dat het hoogst berekende maximale geluidniveau 86,5 dB(A) bedraagt in de dagperiode ter plaatse van rekenpunt 010-A en dat dit wordt veroorzaakt door de laad- en losactiviteiten. Daarbij is de StAB ervan uitgegaan van dat voor de rolcontainers ook gebruik wordt gemaakt van de met klinkers verharde hellingbaan. Verweerder heeft op basis van het rekenmodel van de StAB een herberekening uitgevoerd, waaruit blijkt dat het maximale geluidniveau op rekenpunt 010-A, wanneer deze puntbron (gebruik van de hellingbaan) wordt verwijderd, 85,5, afgerond 86 dB(A) bedraagt. Verder blijkt uit een herberekening dat in de voorheen bestaande situatie de richtwaarden voor piekgeluiden ook al ruimschoots werden overschreden door het manoeuvreren van de vrachtwagens. Ten opzichte van de voorheen bestaande situatie is slechts van een zeer marginale toename van geluid als gevolg van piekniveaus sprake, aldus verweerder. Bij de beoordeling is volgens verweerder verder van belang dat bij een maximale invulling van de planologische mogelijkheden op grond van het geldend bestemmingsplan zelfs meer geluidoverlast zou kunnen optreden. Het bestemmingsplan laat bedrijven in milieucategorie 2 rechtstreeks toe en dat is een hogere milieucategorie dan een supermarkt (milieucategorie 1). Tevens wijst verweerder op de bedrijfsbelangen van vergunninghoudster. Laden en lossen is essentieel voor de bedrijfsvoering en kan praktisch niet op een andere plaats gebeuren en op een andere plaats zou dat ook (nog) meer overlast voor de omgeving opleveren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening, waaronder begrepen geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van eisers, heeft verweerder naast het maatwerkbesluit, voor wat betreft het onderdeel gebruik, 4 aanvullende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden om de maatgevende piekgeluiden als gevolg van laden en lossen te beperken. Deze zorgen er - kort gezegd - voor dat laden en lossen alleen op de aangewezen losplaats gebeurt; dat toeleveranciers die laden en lossen met vervoershulpmiddelen met harde wielen, geen gebruik van de hellingbaan mogen maken met uitzondering van de vuilcontainers die één keer per week worden geleegd en niet van het laad- en losperron gebruik kunnen maken. Verder mogen toeleveranciers niet gelijktijdig op het perron laden en lossen. Bij de mondelinge behandeling is uiteengezet dat dit overigens ook fysiek niet mogelijk is. Het perron is daar niet breed genoeg voor. Ten slotte is als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden dat bij stilstaan bij de inrichting en tijdens het laden en lossen, leveranciers hun koelmotoren dienen uit te schakelen en pas weer mogen inschakelen zodra wordt weggereden. Met deze voorschriften worden storende piekgeluiden zo veel mogelijk beperkt zonder de bedrijfsvoering onmogelijk te maken. Na een belangenafweging en in aanmerking genomen de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan, de duur van het laden en lossen en de omstandigheid dat dit alleen in de dagperiode plaatsvindt, stelt verweerder zich standpunt dat het woon- en leefmilieu van eisers door de uitbreiding en daarmee samenhangende omstandigheden niet onevenredig wordt aangetast. 13. De maatwerkvoorschriften die verweerder op 29 juni 2023 aan de inrichting heeft opgelegd, houden voor eisers in dat er alleen in de dagperiode mag worden geladen en gelost, dat de airconditioningsinstallatie op het dak van het kantoor/de kantine gedurende de nachtperiode maximaal 75% van de tijd in bedrijf mag zijn en dat op de gevel van hun woning het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als gevolg van de activiteiten alsmede het in werking zijn van de technische installaties van de inrichting in de dagperiode 53 dB(A), in de avondperiode 45 dB(A) en nachtperiode 40 dB(A) niet mag overschrijden. Dat besluit is bij het bestreden besluit 6 gehandhaafd en wordt verderop in deze uitspraak behandeld. 14. Eisers hebben tegen het bestreden besluit 6 aangevoerd dat er te weinig aan hun bezwaren is tegemoet gekomen en dat de ruimtelijke onderbouwing nog steeds onvoldoende is. Bij een maximaal geluidniveau van 86 dB(A) zal de maximaal toegestane binnenwaarde ruimschoots worden overschreden. Bij de mondelinge behandeling is aangevoerd dat onduidelijk blijft of verweerder de aanbevelingen van de StAB voldoende heeft opgevolgd en dat alternatieve mogelijkheden, zoals een ondergrondse laad- en losplaats, ten onrechte niet verder zijn onderzocht. Voor zover deze beroepsgronden (ook) relevant zijn voor de omgevingsvergunning voor de uitbreiding, gaat de rechtbank daar in dit verband op in. 15. Vergunninghoudster heeft tegen het bestreden besluit 5 beroep ingesteld en daarbij gesteld dat het verbod om de hellingbaan te gebruiken met vervoershulpmiddelen met kleine harde wielen (met een uitzondering voor vuilcontainers) akoestisch heel weinig uitmaakt maar dat dit verbod voor de onderneming in onvoorziene situaties in de toekomst zeer nadelig en belemmerend kan werken. Dat leidt ook tot extra risico op overtreding, vereist extra toezicht en kan handhavingsperikelen opleveren. Vergunninghoudster is het om dezelfde redenen niet eens met de toevoeging van de verplichting dat leveranciers hun koelmotoren moeten uitschakelen. Ten aanzien van het in navolging van de StAB aanhouden van het rekenpunt op de zijgevel van de woning, heeft vergunninghoudster bij de mondelinge behandeling aangegeven dat in het kader van de beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat maatwerk nodig is en dat dan relevant is achter de voordeur geen relevante verblijfsruimte ligt. Als wordt volstaan met de rekenpunten op de voorgevel van de woning van eisers dan valt de berekende geluidbelasting aanzienlijk lager uit. Vergunninghoudster verzoekt de rechtbank ten aanzien van de gestelde voorschriften zelf in de zaak te voorzien door het vierde voorschrift (bij het stilstaan bij de inrichting tijdens het laden en lossen dienen leveranciers hun koelmotoren uit te schakelen totdat ze weer weg rijden) te vernietigen en het tweede (leveranciers die gebruik maken van vervoershulpmiddelen met (kleine) harde wielen, moeten gebruik maken van het laad- en losperron en mogen niet gelijktijdig laden en lossen) en derde (de hellingbaan mag niet worden gebruikt met vervoershulpmiddelen met (kleine) harde wielen met uitzondering van het eenmaal per week ledigen van de vuilcontainers) te wijzigen in: “Toeleveranciers die goederen laden/lossen met behulp van rolcontainers of vervoershulpmiddelen met (kleine) harde wielen dienen dit te doen ter hoogte van het laad- en losperron en mogen niet gelijktijdig laden/lossen. Dit verbod geldt niet voor vuilcontainers”. 16. Verweerder heeft in reactie daarop aangeven dat hij voor het rekenpunt in de zijgevel de StAB heeft gevolgd omdat de voordeur niet ‘een bij uitzondering te openen deel van de gevel’ is. Het laden en lossen met rolcontainers kan piekgeluiden van 110 dB(A) geven. Omdat de (vergunde) aanvraag geen beperkingen inhoudt over tegelijk laden/lossen en over het gebruik van de hellingbaan, waarbij hogere geluidniveaus optreden die als extra storend worden ervaren, heeft verweerder de extra voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden. Dit geeft een handvat om handhavend te kunnen optreden. Verweerder heeft daarbij met de bedrijfsbelangen rekening gehouden en volgens verweerder wordt de bedrijfsvoering niet onevenredig gehinderd. Vergunninghoudster heeft zelf aangegeven dat vrachtwagens hun koelmotoren bij het inrijden van de bebouwde kom uitzetten. Tegelijk laden en lossen op het perron is fysiek niet mogelijk en dan mogen er ook niet twee vrachtauto’s staan bij het perron, aldus verweerder. Bij de mondelinge behandeling heeft verweerders gemachtigde verduidelijkt dat het vermijdbare (piek)geluiden betreft die als storend kunnen worden ervaren en dat daarom in het ruimtelijk spoor daarover voorschriften zijn gesteld. 17. Bij de mondelinge behandeling hebben eisers aangevuld dat zij het niet eens zijn met de hoogte van de muur aan de voorzijde van hun woning. Eisers zijn daarbij van mening dat hun woning door het verlenen van de omgevingsvergunning substantieel in waarde is gedaald. Verder betogen zij dat zij nog steeds onvoldoende worden beschermd tegen geluidsoverlast van het laden en lossen en de ventilatoren op het dak van de aanbouw. In dat verband is betoogd dat verweerder de gevelwering ten onrechte niet feitelijk heeft onderzocht. Volgens eisers blijft onduidelijk of verweerder op juiste en volledige wijze aan de kritiek van de StAB gehoor heeft gegeven. Verder hebben eisers daar aangevoerd dat alternatieven onvoldoende zijn onderzocht. De beroepsgronden over een privaatrechtelijke belemmering en over parkeerproblematiek zijn bij de mondelinge behandeling ingetrokken. Het juridisch kader 18. Op 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en de Omgevingswet in werking getreden. Op deze zaak is het vóór 1 januari 2024 geldend recht van toepassing gebleven. Dat volgt uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet. 19. De relevante wet- en regelgeving, zoals deze luidde ten tijde van de bestreden besluiten, is weergegeven in de bijlage bij deze uitspraak. Het oordeel van de rechtbank over het beroep van vergunninghoudster 20. De rechtbank overweegt naar aanleiding van het beroep van vergunninghoudster (24/1510) als volgt. 20.1. Ingevolge artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo worden aan een omgevingsvergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens onder andere artikel 2.12 van de Wabo. Het door verweerder gehanteerde toetsingskader impliceert dat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening mag zijn. In dat kader moet verweerder zo nodig voorschriften stellen om te voorkomen dat onnodig inbreuk wordt gemaakt op het woon- en leefklimaat van omwonenden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarbij terecht ook het rekenpunt op de zijgevel beoordeeld omdat daar de (te openen) voordeur is gelegen. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat de onderhavige voorschriften zijn gesteld om vermijdbare (piek)geluiden, die als storend kunnen worden ervaren, te voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder toereikend gemotiveerd waarom de gestelde voorschriften in het belang van een goede ruimtelijke ordening ter bescherming van het akoestisch woon- en leefklimaat van eisers aan de omgevingsvergunning zijn verbonden en dat vergunninghoudster daaraan kan voldoen. De omstandigheid dat dit extra toezicht vergt en tot handhavingsperikelen zou kunnen leiden, kan daaraan niet afdoen. 20.2. Gelet op het voorgaande is het beroep van vergunninghoudster ongegrond. Het oordeel van de rechtbank over het beroep van eisers 21. De rechtbank overweegt naar aanleiding van het beroep van eisers (21/2282) als volgt. Wijzigingen van de omgevingsvergunning 21.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1. Verweerder heeft bij het bestreden besluit 2 dat besluit gewijzigd door daarin een aanvullende motivering op te nemen. Omdat die motivering is opgenomen naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 29 oktober 2021, waarbij de omgevingsvergunning is geschorst, dient het bestreden besluit 2 als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb te worden beschouwd. Nadien heeft verweerder bij het bestreden besluit 5 de eerdere besluiten opnieuw gewijzigd. Daarbij zijn nadere voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden. Om die reden dient dit besluit eveneens als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb aangemerkt te worden. Het beroep van eisers is van rechtswege mede tegen de bestreden besluiten 2 en 5 gericht. 21.2. Reeds uit het feit dat verweerder het hangende het beroep van eisers nodig vond eerst het bestreden besluit 1 en daarna de bestreden besluiten 1 en 2 te wijzigen en/of aan te vullen, volgt dat het beroep van eisers tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond is. Die besluiten komen voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij is verzuimd het belang van eisers bij behoud van hun uitzicht af te wegen tegen het belang van vergunninghoudster bij de uitbreiding, respectievelijk is verzuimd om aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden en daarmee te onderbouwen dat het akoestisch woon- en leefklimaat van eisers niet onevenredig wordt aangetast. Het geschil 21.3. Uit het voorgaande volgt dat nu het bestreden besluit 1 zoals gewijzigd bij de bestreden besluiten 2 en 5 ter beoordeling voorligt. In geschil is of verweerder een juiste grondslag heeft gebruikt voor de omgevingsvergunning en of dat besluit na wijziging van de motivering en het stellen van aanvullende voorschriften de rechterlijke toets kan doorstaan. De grondslag voor de omgevingsvergunning 21.4. De rechtbank stelt met partijen vast dat ten tijde van de bestreden besluiten ter plaatse het bestemmingsplan ‘Kern Belfeld’ (het bestemmingsplan) gold. Daarin zijn de locatie van de bestaande supermarkt en de locatie van de uitbreiding en het aangrenzend terrein in artikel 7.a (bestemmingsomschrijving) bestemd tot ‘Centrum’. Op grond daarvan zijn diverse functies toegestaan, waaronder bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 bij de regels onder de categorieën 1 en 2. Verder is in artikel 7.2.1, onder a, van de regels van het bestemmingsplan bepaald dat gebouwen alleen binnen een bouwvlak mogen worden gebouwd. Slechts een klein gedeelte van de projectlocatie van de uitbreiding ligt binnen het bouwvlak. In artikel 7.2.2 (Bouwwerken, geen gebouwen zijnde) is bepaald dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 2 meter mag bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 m mag bedragen. Ingevolge artikel 7.5, onder c, van de regels van het bestemmingsplan (specifieke gebruiksregels) wordt tot een gebruik, strijdig met deze bestemming (‘Centrum’), in ieder geval gerekend het gebruik van de gebouwen en gronden voor supermarkten, behalve ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt'. 21.5. De rechtbank stelt vast dat slechts een klein gedeelte van de uitbreiding ligt binnen het bouwvlak en dat de aanduiding supermarkt niet ligt op de gronden waarop de aanbouw staat en ook niet op het buitenterrein waar met vrachtverkeer ten behoeve van de supermarkt wordt gereden en geladen en gelost. De aanbouw is dus in strijd met het bestemmingsplan gebouwd, de muur van 1,73 breed en 3 meter hoog is in strijd met de bouwregels 1 m te hoog en het gebruik van het buitenterrein voor het gebruiksdoel supermarkt is in strijd met artikel 7.5, onder c, van het bestemmingsplan. 21.6. Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in verbinding met artikel 4, onderdeel 1 (de uitbreiding van het hoofdgebouw), 3 (de muur) en 9 (het gebruik van het aansluitend terrein) kan daarvoor in afwijking van de regels van bestemmingsplan een omgevingsvergunning worden verleend. 21.7. Zoals hiervoor onder 5 is weergegeven heeft verweerder in het primaire besluit tot verlening van de omgevingsvergunning onderdeel 9 (en onderdeel 3) aan zijn besluit ten grondslag gelegd. In het bestreden besluit 1 is onderdeel 9 vervangen door onderdeel 1. Ook in de wijzigingsbesluiten wordt onderdeel 9 niet meer vermeld. In het tweede wijzigingsbesluit (zie bladzijde 1, eerste alinea) is het besluit integraal weergegeven. Ook daar ontbreekt vermelding van onderdeel 9. Bij de mondelinge behandeling heeft verweerders gemachtigde desgevraagd toegelicht dat verweerder op het standpunt dat onderdeel 9 nodig is om het strijdig gebruik te kunnen toestaan, niet is teruggekomen. Dat onderdeel hoort nog steeds in de omgevingsvergunning te zitten en dat standpunt is ongewijzigd, aldus de gemachtigde. 21.8. Ingevolge artikel 7:12 van de Awb dient de beslissing op bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. De rechtbank is van oordeel dat met het in de beslissing op bezwaar weglaten van voornoemd onderdeel 9 als grondslag voor de omgevingsvergunning in zoverre sprake is van een motiveringsgebrek dat met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd nu aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn geschaad. Op grond daarvan bestaat wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers en tot vergoeding van het griffierecht dat zij hebben betaald. 21.9. De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of het gebruik maken van de bevoegdheid om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in verbinding met artikel 4, onderdelen 1, 3 en 9 van Bijlage II van het Bor de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en of daardoor het belang van eisers bij behoud van een goed woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt geschaad. De hoogte van de aanbouw en de muur 21.10. Ten aanzien van de hoogte van de aanbouw en de hoogte van de muur naast de nieuwe laad- en losplaats overweegt de rechtbank als volgt. De aanbouw die ter plaatse op grond van het bestemmingsplan niet mag worden gebouwd, heeft verweerder met onderdeel 1 van artikel 4 van Bijlage II van het Bor vergund. De aanbouw is 4,64 meter hoog en beperkt het uitzicht in de tuin van eisers. Invoelbaar is dat deze hoogte eisers ook het gevoel geeft door bebouwing ingeklemd te worden. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het eerste wijzigingsbesluit toereikend heeft gemotiveerd waarom hij het belang van vergunninghoudster bij de uitbreiding en het algemeen belang heeft laten prevaleren boven genoemd belang van eisers om daarvan gevrijwaard te blijven. Daarbij is niet geheel zonder betekenis dat het uitzicht voorheen, zij het incidenteel, kon worden beperkt doordat de bovenkant van de vrachtwagens was te zien die achter de erfafscheidingsmuur van 2,30 meter hoogte ter plaatse stonden te laden en lossen. Ten aanzien van de muur ter plaatse van de nieuwe laad- en losplaats die in strijd met de bouwregels 1 meter te hoog is gebouwd en die het uitzicht aan de voorkant van de woning van eisers beperkt, overweegt de rechtbank dat deze muur de functie heeft van geluidscherm in verband met de nieuwe locatie van de laad- en losplaats. De muur is dus mede in het belang van eisers. Daarbij is met hun uitzicht vanuit de voorkant van de woning in die zin rekening gehouden dat de hoogte van de afwijking tot 1 meter is beperkt en dat de muur slechts 1,73 meter breed is. Gelet daarop heeft verweerder in redelijkheid hiervoor een ontheffing kunnen verlenen. De daarop gerichte beroepsgronden slagen niet. Laad- en losplaats en woon- en leefklimaat 21.11. De rechtbank stelt vast dat verweerders gemachtigde bij de mondelinge behandeling desgevraagd heeft verklaard dat bij het bestreden besluit 5 de akoestische aanvaardbaarheid niet langer is beoordeeld aan de hand van de VNG-richtlijnen. Verweerder heeft op basis van het StAB rapport voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden en een maatwerkbesluit genomen. In aanmerking genomen de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan, de duur van het laden en lossen, de omstandigheid dat dit alleen in de dagperiode plaatsvindt en dat voorschriften zijn gesteld om storende piekgeluiden zo veel mogelijk te beperken, stelt verweerder zich op standpunt dat het woon- en leefmilieu van eisers door de uitbreiding en daarmee samenhangende omstandigheden niet onevenredig wordt aangetast. Na een afweging van het belang van vergunninghoudster en het algemeen belang tegen het belang van eisers heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend. 21.12. De rechtbank overweegt dat verweerder niet gehouden is om voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid aan de VNG-richtlijnen te toetsen. De VNG-richtlijnen zijn met name bedoeld als hulpmiddel bij het vaststellen van bestemmingsplannen en projectbesluiten die nieuwe ontwikkelingen mogelijk maken. 21.13. De rechtbank stelt vast dat door het maatwerkbesluit dat is genomen, wordt verzekerd dat alleen overdag wordt geladen en gelost. Hierdoor wordt de overschrijding van het maximale geluidniveau in de nachtperiode weggenomen. Daardoor wordt aan de in het Abm gestelde geluidnormen voor de avond- en nachtperiode voldaan en is in zoverre een goed woon- en leefklimaat voldoende verzekerd. Verder is het geluid van de airco’s ’s nachts beperkt doordat die niet meer 100% van de tijd in bedrijf mogen zijn. In de avond en nacht dient aan de in het Abm gestelde geluidnormen te worden voldaan en er bestaat niet op voorhand twijfel dat niet aan die geluidnormen kan worden voldaan. De norm voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode heeft verweerder met 3 dB(A) naar 53 dB(A) verhoogd. Hiermee is nog steeds sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening wordt voor een gemengde woonwijk en een woonwijk in een stadscentrum een maximaal equivalent geluidniveau overdag van 55 dB(A) geadviseerd. 21.14. Het voorgaande neemt niet weg dat uit het rapport van de StAB blijkt dat overdag niet aan het in het Abm gestelde maximale geluidniveau wordt voldaan als gevolg van de piekgeluiden die optreden bij het laden en lossen met rolcontainers en het (tegelijk) gebruiken van de hellingbaan met vervoershulpmiddelen met kleine harde wielen. In het Abm zijn deze geluiden in de dagperiode van de beoordeling uitgezonderd omdat die activiteit essentieel is voor de bedrijfsvoering. In het ruimtelijke spoor dient de aanvaardbaarheid daarvan te worden beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat door het alsnog verbinden van de vier voorschriften aan de omgevingsvergunning afdoende is tegemoet gekomen aan de opmerkingen van de StAB en dat hiermee het geluid van de laad- en losactiviteiten overdag zodanig wordt beperkt dat dit aanvaardbaar is te achten. Daarbij heeft de rechtbank nog in aanmerking genomen dat verweerder en vergunninghoudster er niet zonder grond op hebben gewezen dat het een relatief kleine supermarkt is en dat aannemelijk is dat het feitelijke aantal vrachtwagenbewegingen en laad- en losactiviteiten per dag lager is dan het aantal waarvan worst case in het geluidonderzoek van [naam consultancy] is uitgegaan, welke worst case door de StAB om die reden is beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het aantal en de duur van de overschrijdingen van het maximale geluidniveau die alleen door de week en alleen overdag plaatsvinden, na het stellen van voorschriften, in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten. Daarbij heeft verweerder het belang van vergunninghoudster die voor de bedrijfsvoering afhankelijk is van de constante bevoorrading van de supermarkt en het algemeen belang kunnen laten prevaleren boven het belang van eisers bij zo min mogelijke geluidoverlast. Eisers gemachtigde heeft bij de mondelinge behandeling terecht betoogd dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het grootste deel van de aanbouw en het gebruik van het buitenterrein voor een supermarkt niet bij het vaststellen van het bestemmingsplan is afgewogen, maar dat neemt niet weg dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van andere bedrijven tot en met milieucategorie 2 ter plaatse wel is aangenomen. Verweerder mag de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan bij zijn besluitvorming laten meewegen. Bij de beoordeling moet ‘de afwijking’ immers vergeleken worden met een maximale invulling van de planologische mogelijkheden. Verder geldt dat naarmate de inbreuk op het geldend planologisch regime groter is zwaardere eisen worden gesteld aan de onderbouwing en belangenafweging. Dat betekent concreet qua geluid dat, indien de gestelde geluidsoverlast ook of in verdergaande mate veroorzaakt had kunnen worden door een activiteit die het bestemmingsplan (wel) rechtstreeks toelaat, daarvoor in beginsel een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan voor kan worden verleend. Dat een verdergaande mate van geluidsoverlast reeds mogelijk was op grond van het bestemmingsplan heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt. Verweerders gemachtigde heeft in dit verband bij de mondelinge behandeling betoogd dat bijvoorbeeld ook een transportbedrijf in milieucategorie 2 rechtstreeks is toegestaan. Een transportbedrijf in milieucategorie 2 is echter niet in bijlage 1 bij artikel 7.a van het bestemmingsplan opgenomen. Het is dus niet zo dat er andere bedrijven rechtstreeks zijn toegestaan die meer geluid voor eisers zouden kunnen veroorzaken dan nu bij het laden en lossen ten behoeve van de supermarkt optreedt op een locatie waar dat volgens het bestemmingsplan niet is toegestaan. Dat neemt echter niet weg, zoals hiervoor is overwogen, dat verweerder de akoestische aanvaardbaarheid heeft beoordeeld en zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de afwijking van het bestemmingsplan na afweging van alle in aanmerking te nemen belangen kon worden verleend. De daarop gerichte beroepsgronden slagen niet. 21.15. Ten aanzien van het betoog van eisers gemachtigde over het ontbreken van een onderzoek naar de feitelijke gevelwering verwijst de rechtbank naar hetgeen daarover hierna in het kader van het maatwerkbesluit wordt overwogen. 21.16. Ten aanzien van het betoog van eisers gemachtigde bij de mondelinge behandeling dat alternatieven onvoldoende zijn onderzocht omdat er bijvoorbeeld ook ondergronds of op een andere plaats kan worden geladen en gelost, overweegt de rechtbank dat in de stukken toereikend is onderbouwd waarom de uitbreiding noodzakelijk is voor vergunninghoudster en dat daardoor de locatie van de laad- en losplaats dient te worden verschoven. De ruimtelijk adviseur van vergunninghoudster heeft bij de mondelinge behandeling desgevraagd bevestigd dat ondergronds laden en lossen ter plaatse onmogelijk kan worden gerealiseerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de juistheid daarvan te twijfelen. Als een project op zichzelf aanvaardbaar is, dwingt het bestaan van alternatieven alleen dan tot het onthouden van medewerking, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van één of meerdere alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een gelijkwaardig alternatief met aanmerkelijk minder bezwaren. 21.17. Met betrekking tot het (niet nader onderbouwde) betoog dat de waardevermindering van de woning van eisers tussen de € 100.000 en € 150.000 bedraagt en dat dit een dermate grote schade is dat verweerder de omgevingsvergunning om die reden niet mocht verlenen, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de gevolgen van de verlening van de omgevingsvergunning voor eisers dermate onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen dat verweerder om die reden (in het kader van de belangenafweging) de omgevingsvergunning had moeten weigeren. Daarbij is van belang dat de supermarkt ter plaatse positief is bestemd. Het gaat (alleen) om de gevolgen van de afwijking van het bestemmingsplan die de omgevingsvergunning mogelijk maakt. Zoals bij de mondelinge behandeling aan de orde is gesteld, kunnen eisers een verzoek om tegemoetkoming in planschade indienen zodra de omgevingsvergunning onherroepelijk is. Ter voorlichting van eisers wijst de rechtbank erop dat bij planschade een vergelijking wordt gemaakt tussen de gevolgen van de verlening van de omgevingsvergunning en hetgeen het geldend bestemmingsplan maximaal mogelijk maakt. Daarbij wordt een normaal maatschappelijk risico van tenminste 2% van de waarde van de onroerende zaak vóór de planologische wijziging gehanteerd. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit tot een dermate hoge planschade zal leiden dat de omgevingsvergunning onuitvoerbaar moet worden geacht. Conclusie ten aanzien het beroep van eisers tegen de omgevingsvergunning voor uitbreiding 21.18. Zoals onder 21.2 al geconcludeerd, is het beroep van eisers tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond. Het beroep van eisers dat van rechtswege is gericht tegen het bestreden besluit 5 is ongegrond. 21.19. De bestreden besluiten 1 en 2 komen deels voor vernietiging in aanmerking, namelijk voor zover daarbij een onvoldoende motivering is gegeven en geen voorschriften aan de omgevingsvergunning zijn verbonden. Dit gebrek is gerepareerd, deels met het eerste wijzigingsbesluit en volledig met het tweede wijzigingsbesluit. Dat betekent dat de omgevingsvergunning zoals die luidt na de beide wijzigingsbesluiten in stand blijft. De gegrondverklaring van het beroep van eisers tegen de bestreden besluiten 1 en 2 betreft daarmee een formele gegrondverklaring zonder materiële gevolgen wat betreft de omgevingsvergunning. Het maatwerkbesluit De besluitvorming en de standpunten van partijen 22. De StAB heeft op 23 februari 2023 van verslag en advies gediend in de samenhangende procedure over de omgevingsvergunning voor de uitbreiding van de supermarkt (21/2282). In dat rapport is onder meer aangegeven dat niet is uitgesloten dat er in de nachtperiode (door de bakwagen) wordt geladen en gelost, waardoor de (door verweerder) aanvaardbaar geachte waarde voor het maximale geluidniveau in de nacht wordt overschreden. Verder heeft de StAB aangegeven dat uit analyse en herberekeningen blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bij de woning van eisers in de dagperiode tot 53 dB(A) zal bedragen. 23. Naar aanleiding van de inhoud van het StAB-rapport van 23 februari 2023 heeft verweerder op 6 juni 2023 ambtshalve zijn voornemen kenbaar gemaakt aan vergunninghoudster om maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) voor de inrichting te stellen. Vergunninghoudster heeft aangegeven daaraan te kunnen voldoen en zich daarin te kunnen vinden. 24. Bij besluit van 29 juni 2023 heeft verweerder de volgende maatwerkvoorschriften gesteld: 1. Het laden en lossen dient uitsluitend te gebeuren in de dagperiode (7:00 tot 19:00 uur). 2. De airconditioningsinstallatie op het dak van het kantoor/de kantine mag gedurende de nachtperiode van 23:00 tot 7:00 uur maximaal 75% van de tijd in bedrijf zijn. 3. Op de gevel van de woning van eisers mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als gevolg van de activiteiten alsmede het inwerking zijn van de technische installaties vanwege de inrichting gelegen aan het [adres 1] in de dagperiode 53 dB(A), in de avondperiode 45 dB(A) en in de nachtperiode 40 dB(A) niet overschrijden. Daarbij wordt rekenpunt 12 van het rekenmodel van de StAB (hoek woning) gehanteerd. 25. Eisers hebben tegen dat besluit bezwaar gemaakt en aangevoerd dat de gestelde maatwerkvoorschriften onvoldoende zijn voor een toelaatbaar geluidniveau ten aanzien van de woning van eisers. Namens eisers heeft Econsultancy op 11 augustus 2023 aangegeven dat de maximale geluidniveaus zodanig hoog zijn dat een goed woon- en leefklimaat niet kan worden gegarandeerd te meer nu een onderzoek naar de geluidwering en het binnenniveau in de woning ontbreekt. Omdat de koelmotoren een significante bijdrage kunnen leveren aan het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bepleit Econsultancy om het uitschakelen van de koelmotoren toe te voegen aan het maatwerkbesluit. 26. Bij het bestreden besluit 6 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het besluit van 29 juni 2023 gehandhaafd. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat een geluidwering van 20 dB als normaal kan worden beschouwd en dat de woning van eisers die geluidwering gezien de leeftijd van de woning en de bouwtekening ook heeft. Bij die geluidwering en een equivalent geluidniveau in de dagperiode van 53 dB(A) blijft de binnenwaarde in de verblijfsruimtes van eisers woning onder het aan te houden maximum van 35 dB(A). Ten aanzien van het maximaal geluidniveau wijst verweerder erop dat dit wordt veroorzaakt door het overdag laden en lossen met rolcontainers en palletwagens. In het Abm wordt uitputtend geregeld dat het maximale geluidniveau van 70 dB(A) in de dagperiode geen betrekking heeft op geluid als gevolg van laad- en losactiviteiten. Verweerder acht zich daarom niet bevoegd een en ander verder in te perken door het opleggen van een maatwerkvoorschrift. Ten slotte wijst verweerder erop dat bij het bestreden besluit 5 voor wat betreft het onderdeel gebruik alsnog het voorschrift aan de omgevingsvergunning is verbonden dat leveranciers bij het stilstaan bij de inrichting en bij het laden en lossen hun koelmotoren dienen uit te schakelen. Dit is gedaan uit ruimtelijk ordeningsoogpunt en is handhaafbaar. Akoestisch levert dit echter geen relevante bijdrage aan het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, zoals de StAB ook heeft vastgesteld, aldus verweerder. 27. Eisers voeren in beroep aan dat de beroepsgronden uit de samenhangende procedures als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd en dat het rapport van de StAB dient als nadere onderbouwing. Volgens eisers zijn hun bezwaren ten onrechte niet gehonoreerd. Gewezen wordt op een aanvullende notitie van Econsultancy van 30 oktober 2023, waarin wordt aangevoerd dat bij het vaststellen van de maatwerkvoorschriften een afweging in het ruimtelijke spoor wordt gemist. Bij de geconstateerde maximale geluidniveaus als gevolg van laden en lossen in de dagperiode kan een aanvaardbare binnenwaarde niet worden gegarandeerd omdat daarvoor volgens Econsultancy een gevelwering van minimaal 31 dB nodig is. Niet is onderzocht of de woning van eisers daarover beschikt. Het juridisch kader 28. Op 1 januari 2024 is het Activiteitenbesluit ingetrokken, de Wet milieubeheer gewijzigd en de Omgevingswet in werking getreden. Op deze zaak is het recht van toepassing zoals dat gold tot 1 januari 2024. Dat volgt uit artikel 4.5 van de Invoeringswet Omgevingswet. 29. De relevante wet- en regelgeving, zoals deze luidde ten tijde van de bestreden besluiten, is weergegeven in de bijlage bij deze uitspraak. Het oordeel van de rechtbank 30. De rechtbank overweegt als volgt over het maatwerkbesluit. 30.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de inrichting die vergunninghoudster drijft een type B inrichting is waarop de in artikel 2.17 van het Abm gestelde geluidgrenswaarden van toepassing zijn. Artikel 2.17 bevat een uitputtende regeling en er moet van worden uitgegaan dat deze regeling in beginsel voldoende bescherming biedt tegen geluidhinder. Op grond van artikel 2.20, eerste lid, van het Abm is verweerder bevoegd om in afwijking van de waarden als bedoeld in artikel 2.17 en 2.17a, van het Abm bij maatwerkvoorschrift andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidsniveau vast te stellen. Ingevolge artikel 2.20, vijfde lid, van het Abm kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen welke technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht en welke gedragsregels in acht worden genomen teneinde aan de geldende geluidsnormen te voldoen. Verweerder komt beleidsruimte toe bij de beslissing of het gebruik maakt van de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen en dient daarbij een belangenafweging te maken. 30.2. De rechtbank ziet in hetgeen namens eisers is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder, gelet op de betrokken belangen, niet in redelijkheid de maatwerkvoorschriften heeft kunnen vaststellen. Met deze maatwerkvoorschriften zijn tekortkomingen die de StAB heeft gesignaleerd, weggenomen. Voor verdergaande maatwerkvoorschriften bestond uit een oogpunt van het bieden van voldoende bescherming tegen geluidhinder geen aanleiding of geen ruimte. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat bij het opleggen van maatwerkvoorschriften geen ruimtelijke afweging plaatsvindt zoals Econsultancy bepleit. Die afweging komt aan bod bij de omgevingsvergunning voor de uitbreiding die de rechtbank hiervoor heeft besproken. Uit het StAB rapport blijkt dat de overschrijding in de dagperiode van het maximaal geluidniveau wordt veroorzaakt door laden en lossen van rolcontainers en palletwagens. Omdat sprake is van een uitputtende regeling en in artikel 2.17, eerste lid, onder b, van het Abm is bepaald dat in de dagperiode de in tabel 2.17a opgenomen maximale geluidniveaus niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten, heeft verweerder terecht erop gewezen dat hij dienaangaande geen maatwerkvoorschrift kan vaststellen zoals Econsultancy in het kader van een goed woon- en leefklimaat bepleit. Aan het geldende maximale geluidniveau van 70 dB(A) veroorzaakt door de installaties, toestellen en activiteiten wordt voldaan indien laad- en losactiviteiten daarvan worden uitgezonderd. Verweerder heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat de etmaalwaarde van 35 dB(A) die op grond van artikel 2.20, tweede lid, van het Abm dient te worden gewaarborgd, niet wordt overschreden nu mag worden uitgegaan van een als normaal te beschouwen gevelwering van 20 dB. Daaraan dient een woning te voldoen en er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat deze woning daaraan niet zou voldoen. In dit geval is dus, anders dan eisers gemachtigde onder meer bij de mondelinge behandeling heeft betoogd, niet vereist dat verweerder een onderzoek uitvoert naar de geluidwering van eisers woning. Verweerder heeft verder terecht erop gewezen dat hij voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau een hogere waarde heeft vastgesteld en dat de maximale etmaalwaarde van 35 dB(A) is gewaarborgd. De redenering van Econsultancy dat bij het optreden van een maximaal geluidniveau een binnenwaarde van 35 dB(A) moet worden gewaarborgd vindt geen steun in de wet. 30.3. Uit het voorgaande volgt dat het beroep van eisers tegen de gestelde maatwerkvoorschriften ongegrond is. De omgevingsvergunning voor de verandering van de uitweg De aanvraag, de besluitvorming en de standpunten van partijen 31. Op 1 augustus 2022 heeft vergunninghoudster een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het verplaatsen en verbreden van de bestaande inrit ten behoeve van het laden en lossen van de supermarkt na de uitbreiding. De inrit was voorheen 21,2 meter breed en wordt 29,1 meter breed. De verandering is nodig in verband met de uitbreiding van de supermarkt en de daardoor verplaatste laad- en losplaats. In een memo van 16 januari 2022 zijn de voordelen opgesomd van de nieuwe situatie ten opzichte van de (voorheen) bestaande situatie. Dat betreft met name de verkeersveiligheid omdat de route in de nieuwe situatie korter wordt en er niet meer door vrachtverkeer op de openbare weg (de [straat 1] ) hoeft te worden gemanoeuvreerd. 32. Bij besluit van 9 augustus 2022 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning op grond van artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingswet (Wabo) voor het veranderen van een inrit/uitweg aan vergunninghoudster verleend. Verweerder heeft onderkend dat de aanvraag niet strookt met het bepaalde in de Beleidsregel omgevingsvergunning activiteit inrit 2020 ter bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving. Volgens verweerder weegt het belang van het veilig tijdelijk parkeren op het eigen terrein en het veilig kunnen manoeuvreren zwaarder dan het belang dat op dit punt met de Beleidsregel is gediend. Verweerder acht het onevenredig voor vergunninghoudster om in dit concrete geval te moeten voldoen aan de maximaal toegestane breedte van een inrit op basis van de Beleidsregel. Ook het feit dat de uitrit uitkomt op een kruispunt acht verweerder in dit geval geen beletsel omdat de verkeersveiligheid in de nieuwe situatie juist verbetert. 33. Eisers hebben daartegen bezwaar gemaakt bij verweerder en aangevoerd dat de omgevingsvergunning niet kon worden verleend omdat artikel 2, tweede lid, onder 3, van de Beleidsregel verbiedt om een uitweg toe te staan die uitkomt op een kruispunt. Verder heeft verweerder ten onrechte geen akoestisch onderzoek uitgevoerd en het belang van eisers ten onrechte niet beoordeeld. Verwezen wordt naar de rapporten van 24 januari 2022 en 14 februari 2022 van Econsultancy. Tevens is gewezen op de lopende handhavingszaak tegen het laad- en losperron. Eisers vinden de nieuwe route niet verkeersveilig voor passerende voetgangers en ander verkeer komend van het [adres 1] . Ook daarom is de omgevingsvergunning volgens hen in strijd met de Beleidsregel verleend. 34. Bij het bestreden besluit 3 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en zijn besluit van 9 augustus 2022 onder aanvulling van de motivering gehandhaafd. Verweerder heeft naar aanleiding van het bezwaar onderkend dat de uitweg voor een deel uitkomt op de kruising van de [straat 1] met de [`straat] hetgeen strijdig is met de Beleidsregel. Verweerder heeft gebruik gemaakt van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid omdat de supermarkt voor zijn bedrijfsvoering afhankelijk is van regelmatige bevoorrading en de diepte van het eigen terrein aan de achterzijde onvoldoende is om op een andere wijze dan is aangevraagd een vrachtwagen (nagenoeg) geheel op eigen terrein te kunnen laden en lossen. Een vrachtwagen zou dan meer manoeuvreerbewegingen op de openbare weg moeten maken, achteruit het trottoir moeten kruisen en niet is uit te sluiten dat voor het laden en lossen dan stilgestaan moet worden op het trottoir en mogelijk ook op de rijbaan. Daarvan ondervindt doorgaand verkeer hinder. Verder wijst verweerder erop dat de feitelijke situatie maakt dat er geen andere mogelijkheid is om op een andere locatie te laden en te lossen dan aan de achterzijde van de supermarkt. Een andere locatie aan de achterzijde of vanaf de openbare weg brengt meer overlast voor de omgeving met zich mee omdat verplaatsingsmiddelen voor producten dan over een langere afstand moeten rijden. De verkeersveiligheid is met laden en lossen vanaf de openbare weg niet gediend volgens verweerder. De weigeringsgrond van het uitkomen van een uitweg bij een kruising beoogt de verkeersveiligheid te dienen. De onderhavige uitweg komt voor een klein gedeelte uit op een t-splitsing van erftoegangswegen. Gelet op de aard en ligging van de wegen is de verkeersintensiteit niet hoog (geschat op maximaal 200 mvb/etmaal). Er geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur en mede gelet op de aanwezige bocht in de weg en hetgeen daarover bekend is, is er geen reden om aan te nemen dat die snelheid niet wordt aangehouden. Het verkeer ter plaatse is met de situatie bekend en het beperkte aantal voertuigen dat de laad- en loszone aandoet beschikt veelal over de (verplichte) beveiligingssystemen. Het voordeel van de aangevraagde wijze van uitwegen is dat het trottoir niet langer achteruit gekruist hoeft te worden, er geen (minder) manoeuvreerbewegingen op de openbare weg hoeven plaats te vinden en er bij het oprijden van het terrein vanaf de zuidzijde voldoende zicht bestaat op tegemoetkomend verkeer en op voetgangers op het trottoir aan de zijde van de uitweg. Om de verkeersveiligheid verder te waarborgen heeft verweerder twee voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbonden wat betreft de (verplichte) aanrijroute en de wijze van wegrijden (stapvoets) van het eigen terrein. 35. In beroep hebben eisers hun bezwaren ten aanzien van het geluidsaspect en het niet vergunde laad- en losperron herhaald. Ook herhalen eisers hun betoog dat de nieuwe uitweg niet verkeersveilig(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.