← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2024:359

RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 10696250 \ CV EXPL 23-3874 Vonnis van de kantonrechter van 24 januari 2024 in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CS FACTORING B.V., gevestigd te Bunschoten-Spakenburg, eisende partij, gemachtigde mr. M.G. Orie, tegen: [gedaagde] , wonende [adres] , [woonplaats] , gedaagde partij, procederende in persoon. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek. 1.
  2. Hoewel daartoe bij brief van de griffier van 15 november 2023 in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij geen conclusie van dupliek genomen. 1.
  3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Het geschil 2.
  4. Eisende partij vordert – samengevat – gedaagde partij hoofdelijk te veroordelen tot betaling van: - een bedrag van € 10.937,50, - vermeerderd met de boeterente van 13,9% vanaf 7 april 2022 tot de dag van algehele voldoening, - een bedrag van € 884,38 aan buitengerechtelijke kosten, - de proceskosten, - de nakosten. 2.
  5. Eisende partij legt daaraan, kort gezegd, het volgende ten grondslag. Op 9 oktober 2021 heeft eisende partij aan Taxi Centrale Maastricht B.V. (hierna: TCM) een geldlening verstrekt. Op 17 februari 2023 is TCM uitgeschreven uit de Kamer van Koophandel. In de periode van 15 december 2022 tot en met 16 januari 2023 heeft eisende partij gedaagde partij in zijn hoedanigheid van borg meerdere malen aangeschreven. Gedaagde partij blijft in gebreke met terugbetaling van een bedrag van € 10.937,
  6. Naast terugbetaling van de lening maakt eisende partij op grond van artikel 3.
  7. van de toepasselijke algemene voorwaarden aanspraak op betaling van de verschenen boeterente van 13,9 % en de buitengerechtelijke kosten groot € 884,
  8. 2.
  9. Gedaagde partij stelt dat hij bereid is om de kwestie op te lossen, maar wel naar verhouding van inkomen. Hij heeft hiertoe meerdere pogingen gedaan. Momenteel is hij in afwachting van een reactie van eisende partij. 2.
  10. Eisende partij heeft bij repliek het verweer van gedaagde partij als volgt besproken. Gedaagde partij heeft bij eisende partij noch bij haar gemachtigde ooit enig voorstel gedaan. Dat is ook de reden waarom eisende partij heeft besloten om gedaagde partij in rechte te betrekken. 2.
  11. Gedaagde partij heeft hierop, hoewel zij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet meer gereageerd. 3De beoordeling 3.
  12. De gevorderde hoofdelijke veroordeling zal worden afgewezen nu slechts één gedaagde partij wordt gedagvaard en derhalve hoofdelijke veroordeling achterwege kan blijven. 3.
  13. Eisende partij heeft haar vordering betreffende de hoofdsom voldoende onderbouwd en gedaagde partij heeft daar geen verweer tegen gevoerd. De gevorderde hoofdsom van € 10.937,50 zal dus worden toegewezen. 3.
  14. De vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van € 884,38 wordt toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen en het geëiste bedrag gelijk is aan het bedrag dat op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is toegelaten. De boeterente van 13,9 % over het openstaande bedrag wordt ook toegewezen, omdat eisende partij genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald. 3.
  15. Gedaagde partij zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op: dagvaarding € 110,03 griffierecht € 514,00 salaris gemachtigde € 792,00 (2 x tarief € 396,00) totaal € 1.416,03 3.
  16. De gevorderde nakosten worden, met inachtneming van de richtlijnen van het LOVCK, toegewezen op de hierna in het dictum te vermelden wijze. 4De beslissing De kantonrechter 4.
  17. veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van: € 10.937,50 aan hoofdsom, te vermeerderen met de boeterente van 13,9% daarover vanaf 7 april 2022 tot de dag van volledige betaling, € 884,38 aan buitengerechtelijke kosten, 4.
  18. veroordeelt gedaagde partij in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 1.416,03, 4.
  19. veroordeelt gedaagde partij als deze niet binnen twee weken na aanschrijving door eisende partij volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op: - € 132,00 aan salaris gemachtigde, - te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, 4.
  20. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 4.
  21. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken. type: JEC

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.