RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 10965043 \ CV EXPL 24-1144 Vonnis van 24 juli 2024 in de zaak van [eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigde: [gemachtigde] , tegen [gedaagde] , gevestigd te [vestigingsplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , vertegenwoordigd door [naam] , CFO van [gedaagde] . 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek, tevens akte houdende vermeerdering van eis. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- [eiseres] heeft voor [gedaagde] bemiddeld bij de totstandkoming van een distributieovereenkomst tussen [gedaagde] en een derde partij. 2.
- [eiseres] heeft aan [gedaagde] op 26 mei 2023 via e-mail bericht: Zoals vorige week telefonisch besproken zal [eiseres] in totaal EUR 15,000 ex BTW in rekening brengen als compensatie voor haar bijdrage in de totstandkoming van het contract tussen [derde-partij] (…) en [gedaagde] (…) Deze compensatie zal in 6 gelijke termijnen in rekening worden gebracht van 1 juni tot 1 december
- 2.
- [gedaagde] heeft hierop op 25 mei 2023 via e-mail geantwoord: Dit is akkoord en conform onze afspraak. (…) 2.
- [eiseres] heeft [gedaagde] voor deze bemiddeling facturen gestuurd, maar die heeft [gedaagde] op één na niet betaald. 3Het geschil 3.
- [eiseres] vordert na vermeerdering van eis - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 16.285,94, vermeerderd met rente en kosten. 3.
- Ter onderbouwing van haar vordering voert [eiseres] (samengevat) het volgende aan. [eiseres] heeft bemiddeld bij de totstandkoming van een distributieovereenkomst tussen [gedaagde] en een derde partij. Voor deze bemiddeling is een vergoeding overeengekomen van € 18.500,00 inclusief btw (de kantonrechter begrijpt: € 18.150,00). De betaling van dit bedrag zou in zeven gelijke termijnen geschieden van elk € 2.592,
- Bij dagvaarding heeft [eiseres] aanvankelijk 3 openstaande facturen van totaal € 7.715,58 gevorderd. Na eisvermeerdering in de conclusie van repliek vordert [gedaagde] in totaal 6 openstaande facturen van elk € 2.592,86, in totaal € 15.557,
- Hierop strekt in mindering een bedrag van € 1.326,58 inclusief btw dat [eiseres] nog aan [gedaagde] verschuldigd is. Daardoor resteert een hoofdsom van € 14.230,
- 3.
- Daarnaast stelt [eiseres] dat [gedaagde] aan haar de wettelijke handelsrente verschuldigd is. [eiseres] berekent de wettelijke handelsrente tot en met 8 mei 2024 op € 1.138,
- Voorts stelt [eiseres] dat [gedaagde] aan haar een vergoeding van € 917,31 voor buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd. 3.
- [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] erkent dat zij 1 klant via [eiseres] heeft gekregen, maar geeft aan dat de omzet vanuit deze klant erg laag is. Daarnaast is [gedaagde] van mening dat de door [eiseres] in rekening gebrachte kosten voor de bemiddeling te hoog zijn. [gedaagde] acht een bedrag van € 5.000,00 exclusief btw (zijnde € 6.050,00 inclusief btw) reëel. Rekening houdend met het reeds betaalde bedrag van € 2.592,00, is [gedaagde] bereid tot betaling van een bedrag van € 3.458,00 inclusief btw. 3.
- Op de eisvermeerdering van [eiseres] bij conclusie van repliek heeft [gedaagde] geen verweer meer gevoerd. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- Uit de vaststaande feiten volgt dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] aan [eiseres] € 15.000,00 ex btw verschuldigd is voor haar diensten. Van eventuele voorbehouden ten aanzien van de omzet uit deze overeenkomst is geen sprake. Daarmee staat vast dat [gedaagde] aan [eiseres] voor haar bemiddeling een vast bedrag van € 15.000,00 exclusief btw, zijnde € 18.150,00 inclusief btw, verschuldigd is. 4.2 Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] eenmaal € 2.592,86 inclusief btw aan [eiseres] heeft betaald. Eveneens staat vast dat [eiseres] € 1.326,58 inclusief btw aan [gedaagde] is verschuldigd. [eiseres] heeft dit bedrag op haar vordering in mindering gebracht. 4.
- Daarmee komt de nog openstaande hoofdsom van [eiseres] uit op € 14.230,
- De vordering van € 14.230,58 is aldus toewijsbaar. 4.
- [gedaagde] heeft geen zelfstandig verweer gevoerd tegen de tot en met 8 mei 2024 berekende wettelijke handelsrente van € 1.138,05, zodat deze zal worden toegewezen. De daarnaast gevorderde wettelijke handelsrente met ingang van 8 mei 2024 over de openstaande hoofdsom zal worden toegewezen met ingang van 9 mei
- Er is geen grond om over 8 mei 2024 twee keer wettelijke handelsrente toe te wijzen. 4.
- [eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Voor de hoogte hiervan hanteert [eiseres] de staffel zoals opgenomen in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen tot een bedrag van € 760,78, passend bij de in de dagvaarding gevorderde hoofdsom van € 7.715,
- Bij eisvermeerdering in repliek zijn de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten weliswaar verhoogd naar € 917,31, namelijk ook ten aanzien van de 3 latere openstaande facturen. [eiseres] heeft echter niet gesteld dat voor het innen van deze facturen ook daadwerkelijk buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. 4.
- Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen: - hoofdsom € 14.230,58 - wettelijke handelsrente € 1.138,05 - buitengerechtelijke incassokosten € 760,78 + Totaal € 16.129,41 4.
- [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 116,22 - griffierecht € 1.409,00 - salaris gemachtigde € 678,00 (2,00 punten × € 339,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.338,22 5De beslissing De kantonrechter 5.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 16.129,41, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de openstaande hoofdsom van € 14.230,58, met ingang van 9 mei 2024, tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.338,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 24 juli
- VC