RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 10914103 \ CV EXPL 24-623 Vonnis van 14 augustus 2024 in de zaak van [eiser] H.O.D.N. [handelsnaam 1], wonende en zaak doende te [woonplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: ARAG SE, tegen [gedaagde] H.O.D.N. [handelsnaam 2], wonende te [woonplaats 2] en zaak doende te [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1De procedure 1.
- Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - het verwijzingsvonnis van de kantonrechter te Nijmegen van 5 januari 2024 met aangehecht het exploot van dagvaarding van 12 december 2023 met producties 1 tot en met 4 - het exploot van oproeping van 22 januari 2024 - de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord - de conclusie van repliek, met producties 5 en
- 1.
- Hoewel daartoe bij brief van de griffie van 3 april 2024 in de gelegenheid gesteld, heeft [gedaagde] geen conclusie van dupliek genomen. 1.
- Daarna is vonnis bepaald. 2Het geschil 2.
- [eiser] vordert [gedaagde] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad tegen behoorlijk bewijs van kwijting te veroordelen tot betaling van:
- een bedrag van € 595,69, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 514,13 (hoofdsom) vanaf 12 december 2023 tot aan de datum der voldoening,
- de kosten van deze procedure vermeerderd met de nakosten. 2.
- Ter onderbouwing van zijn vordering voert [eiser] (samengevat) het volgende aan. [eiser] heeft met [gedaagde] een overeenkomst gesloten tot het maken van Google street view, een logo en bijkomende werkzaamheden. [gedaagde] heeft de factuur van 10 juli 2023 van € 514,13 ondanks aanmaningen en sommatie, niet voldaan en [gedaagde] is volgens [eiser] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de verbintenis en is met de betaling van het verschuldigde in verzuim. 2.
- Daarnaast is [gedaagde] de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW aan [eiser] verschuldigd. [eiser] berekent de rente tot en met 7 december 2023 op € 4,
- Voorts stelt [eiser] dat [gedaagde] aan [eiser] een vergoeding van € 77,12 voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is. 2.
- [gedaagde] voert verweer. Hiertoe heeft hij gesteld dat hij in het verleden is benaderd door [eiser] in verband met het maken van publiciteit voor zijn snackbar in [vestigingsplaats] . [gedaagde] heeft hiermee ingestemd. Afgesproken was dat [eiser] na het maken van de foto’s weer zou langskomen om over de financiële kant van de zaak te praten. Op het moment dat [eiser] langs kwam was [gedaagde] niet aanwezig maar op zijn werk in Brunssum. Een vriend van [gedaagde] , door [gedaagde] aangeduid met [naam 1] , was wel aanwezig en heeft [gedaagde] gebeld om te overleggen. [naam 1] heeft vervolgens een formulier ingevuld en ondertekend. [gedaagde] stelt dat [naam 1] hiertoe niet bevoegd was. Toen [gedaagde] te horen kreeg wat het ging kosten, vond hij dat teveel. [eiser] ging toch door met de werkzaamheden. [eiser] heeft gezegd dat annulering niet telefonisch kon maar alleen per e-mail. 2.
- [eiser] heeft bij conclusie van repliek zijn standpunt uitgewerkt en aangevoerd dat er op 4 juli 2023 een afspraak met [gedaagde] is gemaakt, omdat [gedaagde] had aangegeven op 5 juli 2023 niet aanwezig te kunnen zijn. [gedaagde] was op 4 juli 2023 niet aanwezig. [naam 2] , door [gedaagde] [naam 1] genoemd, die zich als manager voorstelde, was wel aanwezig en heeft de overeenkomst in die hoedanigheid ondertekend. [eiser] heeft op 4 juli 2023 telefonisch contact gehad met [gedaagde] , waarbij [gedaagde] heeft aangegeven dat [naam 2] bevoegd was om te tekenen. Tijdens het telefoongesprek heeft [gedaagde] nog twee extra opdrachten gegeven die zijn opgenomen in de overeenkomst. 2.
- [eiser] heeft – zo stelt hij verder bij repliek – de opdracht per e-mail van 4 juli 2023 om 23.49 uur aangeleverd aan [gedaagde] . Conform de overeenkomst biedt [eiser] een bedenktijd van vijf dagen op basis van de kwaliteit van de verrichte dienst (artikel 9 Algemene Voorwaarden Google Business View). Annulering diende, onder vermelding van de reden daarvan, binnen vijf dagen per e-mail aan [eiser] te gebeuren. [gedaagde] heeft per e-mail van 10 juli 2023 om 19.07 uur geannuleerd. Dit was buiten de bedenktijd waardoor [eiser] de annulering niet heeft geaccepteerd. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de stellingen van [gedaagde] als ongegrond en onbewezen gepasseerd dienen te worden en handhaaft zijn vordering. 3De beoordeling 3.
- [gedaagde] heeft geen conclusie van dupliek genomen en daarmee zijn verweer niet nader onderbouwd. Dit had wel op zijn weg gelegen, gelet op de repliek van [eiser] . 3.
- [eiser] heeft gelet hierop zijn vordering betreffende de hoofdsom van € 514,13 voldoende onderbouwd. Het verweer van [gedaagde] is door [eiser] voldoende besproken en weersproken bij repliek. De door [eiser] gegeven bedenktijd heeft [gedaagde] laten verstrijken, hetgeen [gedaagde] niet meer weersproken heeft, zodat de vordering betreffende de onbetaald gelaten factuur zal worden toegewezen. 3.
- [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke handelsrente, zodat die eveneens wordt toegewezen. 3.
- De door [eiser] gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen, omdat [gedaagde] de verschuldigdheid daarvan op grond van de tussen hen gesloten overeenkomst niet heeft betwist en het gevorderde bedrag van € 77,12 overeenkomt met het in het Besluit bepaalde tarief. 3.
- [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - dagvaarding € 107,84 - griffierecht € 218,00 - salaris gemachtigde € 270,00 (2,00 punten × € 135,00) - nakosten € 67,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 663,34 4De beslissing De kantonrechter 4.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 595,69, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 514,13, vanaf 12 december 2023, tot de dag van volledige betaling, 4.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op € 663,34, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus
- MW