RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 23/177, ROE 23/287, ROE 23/401, ROE 23/402, ROE 23/803, ROE 23/809, ROE 23/891 en ROE 23/893 uitspraak van de meervoudige kamer van 21 augustus 2024 in de zaken tussen NL Werkgeversdiensten B.V., eiseres 1 PQ Werkgeversdiensten B.V., eiseres 2 en PQ Intermediairsdiensten B.V., eiseres 3 (gemachtigden: mr. J.R van Angeren en mr. T.O. Boot), en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister, (gemachtigde: P.L.E. Delahaije). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseressen tegen besluiten over de definitieve tegemoetkoming op grond van de Eerste en Tweede tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-1 en NOW-2). De minister heeft beslist dat eiseressen geen recht hebben op een tegemoetkoming omdat ze niet hebben voldaan aan de daarvoor gestelde voorwaarden. De verleende voorschotten zijn daarom volledig terug- en ingevorderd. Eiseres 1 2. Met het besluit van 27 juli 2022 heeft de minister de definitieve tegemoetkoming aan eiseres 1 op grond van de NOW-1 vastgesteld op nihil en een bedrag van € 265.941,- aan betaalde voorschotten teruggevorderd. Bij besluit van 2 augustus 2022 is dit bedrag van eiseres ingevorderd. Eiseres 1 heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 5 december 2022 (bestreden besluit 1) is de minister bij de vaststelling en terug- en invordering gebleven. Eiseres 1 heeft tegen dat besluit beroep ingesteld (ROE 23/177). 2.1. Met het besluit van 11 november 2022 (bestreden besluit 2) heeft de minister de definitieve tegemoetkoming aan eiseres 1 op grond van de NOW-2 vastgesteld op nihil en een bedrag van € 211.692,- aan betaalde voorschotten teruggevorderd. Op 17 november 2022 heeft de minister een afzonderlijk invorderingsbesluit (bestreden besluit 3) genomen. Eiseres 1 heeft tegen de bestreden besluiten 2 en 3 met instemming van de minister rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank (ROE 23/402 en ROE 23/893). Eiseres 2 3. Met het besluit van 27 juli 2022 heeft de minister de definitieve tegemoetkoming aan eiseres 2 op grond van de NOW-1 vastgesteld op nihil en een bedrag van € 233.865,- aan betaalde voorschotten teruggevorderd. Bij besluit van 2 augustus 2022 is dit bedrag ingevorderd. Eiseres 2 heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het (afzonderlijk) besluit van 5 december 2022 (bestreden besluit 4) is de minister bij de vaststelling en terug- en invordering gebleven. Eiseres 2 heeft tegen bestreden besluit 4 beroep ingesteld (ROE 23/287). 3.1. Met het besluit van 27 januari 2023 (bestreden besluit 5) heeft de minister de definitieve tegemoetkoming aan eiseres 2 op grond van de NOW-2 vastgesteld op nihil en een bedrag van € 164.496,- aan betaalde voorschotten teruggevorderd. Op2 februari 2023 heeft de minister een afzonderlijk invorderingsbesluit (bestreden besluit 6) genomen. Eiseres 2 heeft tegen de bestreden besluiten 5 en 6 met instemming van de minister rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank (ROE 23/803 en ROE 23/809). Eiseres 3 4. Met een besluit van 30 oktober 2022 (bestreden besluit 7) heeft de minister de definitieve tegemoetkoming aan eiseres 3 op grond van de NOW-1 vastgesteld op nihil en een bedrag van € 39.194,- aan betaalde voorschotten teruggevorderd. Op 3 november 2022 heeft de minister een afzonderlijk invorderingsbesluit (bestreden besluit 8) genomen. Eiseres 3 heeft tegen de bestreden besluiten 7 en 8 met instemming van de minister rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank (ROE 23/401 en ROE 23/891). 5. De rechtbank heeft de beroepen op 21 maart 2024 gevoegd op zitting behandeld. Eiseressen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens zijn namens eiseressen verschenen [naam 1] (algemeen directeur) en [naam 2] (werkzaam bij eiseres 2). De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Relevante feiten en omstandigheden ‘het businessmodel’ 6. De bedrijven van eiseressen maken onderdeel uit van de moedervennootschap Periodieq B.V. en zijn actief in de payrollsector. Eiseressen hebben toegelicht dat hun juridische constructie verschilt van reguliere payrollbedrijven. Zij nemen voor opdrachtgevers uit diverse bedrijfstakken het volledige werkgeverschap over. Zij sluiten daartoe payrollovereenkomsten en nemen voor de opdrachtgevers alle werknemers in dienst. De opdrachtgevers hebben geen loonheffingennummer. De werknemers vallen onder het reguliere ontslagrecht en werken op basis van contracten voor zowel bepaalde als onbepaalde tijd. Doordat eiseressen het volledige personeelsbestand van opdrachtgevers (voor wie de werknemers feitelijk werken) overnemen, worden eiseressen aangemerkt als werkgever in de sector waar de werknemers werkzaam zijn. Hierdoor vallen de werknemers van eiseressen onder sector cao’s en de betreffende bedrijfstakpensioenfondsen. Ook kunnen eiseressen zich verzekeren tegen het verzuim van werknemers. Dat alles is bij reguliere payrollorganisaties niet mogelijk. Ook dragen eiseressen als juridisch werkgever alle werkgeverslasten. Ze zijn daardoor verantwoordelijk voor het doorbetalen van loon bij ziekte, dragen de eventuele ontslagkosten en betalen verzekeringen zoals arbeidsongeschiktheids- en pensioenverzekeringen. 6.1. De opdrachtgevers houden op hun beurt werkgeversvoordelen zoals pensioenfranchise, premiekortingen en no-riskvoordeel. Ook blijven zij leiding en toezicht houden over de werknemers. Zij bepalen de hoogte van het loon en voeren beoordelingsgesprekken. ‘de omzet’ 7. De omzet van eiseressen bestaat uit de totale loonsom van de werknemers die werkzaamheden verrichten voor de opdrachtgevers, vermeerderd met een vergoeding voor eiseressen. ‘corona’ 8. Als gevolg van de coronamaatregelen moesten diverse opdrachtgevers hun bedrijven sluiten en hun werkzaamheden staken. Eiseressen hebben desondanks het loon van de betreffende werknemers doorbetaald. 9. Eiseressen hebben daarnaast in hun hoedanigheid van juridisch werkgever NOW-aanvragen ingediend. De ontvangen voorschotten op deze subsidie hebben eiseressen deels betaald aan de opdrachtgevers, omdat deze uiteindelijk de loonkosten van de werknemers betalen. Het doorbetalen is gebeurd in de vorm van korting op de facturen die eiseressen hebben gestuurd aan de opdrachtgevers. Totstandkoming van de bestreden besluiten 10. Eiseressen hebben vervolgens individueel aanvragen ingediend voor de definitieve vaststelling van de tegemoetkoming op grond van de NOW-1 en NOW-2. Daarop hebben zij aangegeven dat het omzetverlies van het concern minder is dan 20%, maar op werkmaatschappijniveau meer dan 20%. Bij deze aanvragen hebben eiseressen geen goedkeurende accountantsverklaring gevoegd. Daarna is de minister overgegaan tot de besluitvorming als beschreven onder de inleidende rubriek. Beoordeling door de rechtbank 11. De rechtbank beoordeelt de definitieve vaststellingen van de tegemoetkoming op grond van de NOW-1 en de NOW-2 en de terug- en invorderingen van de verleende voorschotten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseressen. 12. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 13. In de kern betogen eiseressen dat de NOW-1 en NOW-2, gelet op de specifieke vorm van hun bedrijfsvoering, niet toegesneden zijn op hun activiteiten. Voor het geleden omzetverlies zou daarom niet gekeken moeten worden naar het omzetverlies van het concern of de afzonderlijke werkmaatschappijen, maar naar het omzetverlies van hun opdrachtgevers. Verder voeren eiseressen aan dat eiseres 1 is opgericht in 2019, maar dat pas omzet is gegenereerd vanaf de maanden januari en februari 2020. Daarom zou als referentieperiode niet het (gehele) jaar 2019 genomen moeten worden, maar de maanden januari en februari 2020. De rechtbank zal het beroep op exceptieve toetsing van de regelingen beoordelen, waaronder of de bestreden besluitvorming voor eiseressen als onevenredig, in de zin van onevenwichtig, beoordeeld moet worden. Exceptieve toets artikel 6, vijfde lid, van de NOW-1 14. Eiseressen hebben een beroep gedaan op exceptieve toetsing van de NOW-regelingen. In hun visie bevatten de NOW-regelingen een omissie ten aanzien van de manier waarop de omzet van payrollwerkgevers als eiseressen berekend wordt. Daardoor is de regeling onzorgvuldig tot stand gekomen en in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het zorgvuldigheidsbeginsel. Verder zijn de regelingen in strijd met het evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel. 14.1. Primair voeren eiseressen daarvoor aan dat strikte toepassing van artikel 6 van de NOW-1 ertoe leidt dat eiseressen voor de NOW geen omzetdaling hebben gehad, terwijl dat wel het geval had moeten zijn omdat de opdrachtgevers van eiseressen massaal met omzetdaling werden geconfronteerd. Artikel 6 van de NOW-1 maakt ten onrechte geen onderscheid tussen uitzendbureaus en payrollwerkgevers. Dat is onzorgvuldig omdat uitzendbureaus eenvoudig uitzendovereenkomsten kunnen beëindigen en payrollbedrijven te maken hebben met het reguliere ontslagrecht. 14.2. Artikel 6 van de NOW-1 is volgens eiseressen in strijd met het evenredigheidsbeginsel omdat ten onrechte geen rekening wordt gehouden met de manier waarop zij als payrollwerkgevers omzet genereren (de loonsom van de werknemers vermeerderd met een vergoeding voor eiseressen). Die omzet wordt gegenereerd door de opdrachtgevers. De omzetdaling voor artikel 6 van de NOW-1 zou dan ook berekend moeten worden op het niveau van de opdrachtgevers en niet op het niveau van eiseressen. 14.3. Er is in de visie van eiseressen strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat zij zijn te beschouwen als externe personeels-B.V.’s en ten onrechte niet op dezelfde manier behandeld worden als een personeels-B.V. die opereert binnen een groep van vennootschappen. 15. De rechtbank overweegt dat in onder meer de uitspraak van 28 januari 2021 de Centrale Raad van Beroep (de Raad) een kader voor exceptieve toetsing heeft geformuleerd. De rechtbank ontleent hieraan de volgende overwegingen. 15.1. Een algemeen verbindend voorschrift dat geen wet in formele zin is, kan door de bestuursrechter in een zaak over een besluit dat op zo’n voorschrift berust, worden getoetst op rechtmatigheid. In het bijzonder gaat het daarbij om de vraag of het voorschrift niet in strijd is met hogere regelgeving. De bestuursrechter komt tevens de bevoegdheid toe te bezien of het betreffende algemeen verbindend voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag biedt voor het in geding zijnde besluit. Bij die indirecte toetsing van het algemeen verbindend voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer, waarbij de toetsing wordt verricht op de wijze als door de Raad is uiteengezet in zijn uitspraak van 1 juli 2019. Zoals in die uitspraak is overwogen, kan de enkele strijd met formele beginselen als het beginsel van zorgvuldige besluitvorming (artikel 3:2 van de Awb) en het motiveringsbeginsel niet leiden tot het onverbindend achten van een algemeen verbindend voorschrift. Als de bestuursrechter als gevolg van een gebrekkige motivering of onzorgvuldige voorbereiding van het voorschrift niet kan beoordelen of er strijd is met hogere regelgeving, de algemene rechtsbeginselen of het evenredigheidsbeginsel, kan hij het voorschrift wel buiten toepassing laten en een daarop berustend besluit vernietigen. Specifiek voor de NOW-1 concludeert de Raad dat de NOW-1 een noodmaatregel is waarbij snel een zeer groot aantal werkgevers duidelijkheid moest worden verschaft over de aard en de inhoud van de regeling. Hierdoor heeft de NOW-1 noodgedwongen een generiek en grofmazig karakter en kan er niet steeds maatwerk worden geboden. 15.2. Hoewel er strikt genomen voor het totstandbrengen van de NOW-2 meer tijd is geweest - de regeling is in werking getreden op 26 juni 2020 - ziet de rechtbank onvoldoende grond om tot een andere benaderingswijze te komen. De rechtbank betrekt daarbij dat de minister veel beslissingsruimte heeft bij de totstandkoming van een subsidieregeling zoals de NOW. De regeling is het resultaat van een politiek-bestuurlijke afweging, waarvan de bestuursrechter het resultaat in beginsel accepteert. Dit betekent dat de bestuursrechter de NOW terughoudend toetst. Strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel? 16. Eiseressen hebben aangevoerd dat artikel 6, vijfde lid, van de NOW-1 buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De NOW gaat er kennelijk vanuit dat uitzendbureaus en payrollwerkgevers op dezelfde wijze aanspraak kunnen maken op NOW-subsidie. In de NOW-1 is niet geregeld wat is beoogd, namelijk dat de subsidiëring voor payrollwerkgevers op dezelfde wijze wordt geregeld als voor uitzendbureaus. Daarbij is miskend dat de payrollwerkgevers en de uitzendwerkgevers van elkaar verschillen. Wanneer er bij de inlener geen omzet meer gegenereerd kan worden, kan de uitzendovereenkomst door toepassing van het uitzendbeding in veel gevallen direct worden stopgezet door de inlener. Dat is bij een payrollwerkgever niet zo. De werknemer heeft een reguliere arbeidsovereenkomst met de payrollwerkgever, die onder het normale ontslagstelsel valt. Dat betekent in de visie van eiseressen dat bij terugval in werk bij de opdrachtgevers bij eiseressen niet automatisch een omzetdaling te zien is, omdat zij nog steeds een vergoeding voor de loonkosten van de opdrachtgevers ontvangen. 16.1. De rechtbank volgt niet de stelling van eiseressen dat het betoog moet leiden tot het buiten toepassing laten van artikel 6, vijfde lid, van de NOW-1 voor de bedrijven van eiseressen. De rechtbank erkent dat er verschil kan zijn in de wijze waarop uitzendbureaus en payrollbedrijven hun activiteiten uitvoeren en in de juridische kaders waaraan zij gebonden zijn. Dit zal er in de regel toe kunnen leiden dat een payrollbedrijf minder snel met omzetdaling te maken heeft omdat hij de loonkosten kan doorfactureren aan de opdrachtgevers. Gelet op het van toepassing zijnde ontslagstelsel zal ook minder snel afscheid genomen kunnen worden van werknemers. Dit leidt er echter op zichzelf niet toe dat er sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel bij het totstandkomen van de NOW of van zodanige onzorgvuldigheid bij de uitwerking daarvan dat die moet leiden tot het buiten toepassing laten van artikel 6, vijfde lid, van de NOW-1 in het geval van eiseressen. Het karakter van de NOW is immers dat hij een grofmazige regeling bevat, waarin niet voor alle typen bedrijfsvoering regelingen op maat ontwikkeld konden worden. Dit geldt te meer voor de stelling van eiseressen dat zij binnen de groep “payroll-bedrijven” om verschillende redenen een unieke positie innemen. Van de minister hoefde niet verwacht te worden om bij de totstandkoming van de NOW deze zodanig in te richten dat ondernemingen, ongeacht de inrichting van hun bedrijfsvoering, voor subsidies in aanmerking komen. Strijd met het evenredigheidsbeginsel? 17. Ook op grond van het evenredigheidsbeginsel willen eiseressen een exceptieve toetsing van artikel 6, vijfde lid, van de NOW-1. Eiseressen willen dat de subsidie berekend wordt op het niveau van de opdrachtgevers en de werknemers in dienst van eiseressen. Eiseressen hebben ook op deze wijze gehandeld. Zij hebben de NOW-subsidies aangevraagd en deze doorberekend aan de opdrachtgevers door korting op de facturen te geven. De terugvordering van de NOW-subsidies bij eiseressen kan ertoe leiden dat eiseressen op hun beurt weer deze kortingen terugvorderen bij de opdrachtgevers. Die zijn uiteindelijk de dupe en zullen het vertrouwen in eiseressen verliezen. Bovendien zal dit alsnog leiden tot ontslagen bij de opdrachtgevers. De minister houdt ten onrechte geen rekening met de belangen van de opdrachtgevers en de opdrachtgevers hadden geen alternatief. Zij konden geen NOW aanvragen omdat ze geen loonheffingennummer meer hebben. 17.1. Naar het oordeel van de rechtbank leidt ook dit betoog niet tot het buiten toepassing laten van artikel 6, vijfde lid, van de NOW-1. Dat eiseressen als payrollbedrijf alle werknemers van de opdrachtgever overnemen, is de keuze van eiseressen zelf. Dat maakt ook niet dat er geen aanspraak zou kunnen zijn op NOW-subsidies, als aan alle voorwaarden daarvoor wordt voldaan. Daarbij komt dat voor alle bedrijven de voorwaarde geldt dat er sprake moet zijn van een omzetverlies van tenminste 20%. Op concernniveau (het concern Periodieq BV) is daarvan volgens de toelichting van eiseressen geen sprake. 17.2. De rechtbank verwijst verder naar de uitspraak van de Raad van 16 mei 2024 waarin de Raad heeft geoordeeld dat de minister er bewust voor heeft gekozen om degene die het personeel uitleent in aanmerking te laten komen voor NOW, en niet de inlener (de opdrachtgever van eiseressen). Gelet op deze bewuste keuze ziet de rechtbank ook geen grond om het bepaalde in artikel 6, vijfde lid, van de NOW-1 op grond van het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing te laten. 17.3. Eiseressen willen in het kader van de evenredigheid en vanwege hun bijzondere positie als payrollbedrijven dat de subsidie berekend wordt op het niveau van de opdrachtgevers, zodat de subsidie aansluit bij de omzetdaling van de opdrachtgevers. Die opdrachtgevers kunnen, aan de hand van berekeningen van de omzetdaling, in lijn met de voorwaarden van de NOW de hoogte van de (fictieve) NOW-subsidie berekenen. Gelet op wat onder 17.2 is overwogen (de bewuste keuze van de minister in dit verband), ziet de rechtbank geen grond om eiseressen hierin te volgen. 17.4. Eiseressen hebben verder aangegeven de verleende kortingen misschien terug te zullen vorderen van de opdrachtgevers. De rechtbank overweegt dat de argumenten die eiseressen in dit verband naar voren brengen, voor een deel gestoeld zijn op toekomstig onzekere gebeurtenissen. Gesteld noch gebleken is dat eiseressen de verleende kortingen daadwerkelijk gaan terugvorderen. Voor zover dat leidt tot een aantasting van het vertrouwen van de opdrachtgevers in eiseressen, speelt dat in die rechtsverhouding en raakt dat niet de verhouding tussen de minister en eiseressen. 17.5. De rechtbank onderschrijft de stelling van eiseressen dat de opdrachtgevers niet zelf de NOW-subsidies konden aanvragen omdat zij geen loonheffingennummer meer hadden. De rechtbank erkent daarnaast dat bij een aantal opdrachtgevers de omzetdaling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Voor dit punt is ook aandacht geweest nadat de NOW-regelingen zijn ingevoerd. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op de brief van de minister van3 juni 2020 en een mondelinge behandeling in de Eerste Kamer op 6 juli 2020. De strekking is dat uitzendbureaus en payrollbedrijven onder dezelfde voorwaarden als andere bedrijven aanspraak kunnen maken op NOW-subsidies. Over de verhouding met hun opdrachtgevers heeft de minister naar voren gebracht dat het, gelet op de grote verscheidenheid van situaties die het kan betreffen, aan de uitzendbureaus en payrollbedrijven is om in overleg te treden over de nadelige gevolgen van optredende omzetdalingen. Dit betekent dat niet gezegd kan worden dat er voor de door eiseressen gestelde problematiek geen aandacht is geweest. De rechtbank ziet verder geen grond om het standpunt van de minister, dat ziet op overleg tussen uitzendbureaus en payrollbedrijven en hun opdrachtgevers, voor kennelijk onredelijk te houden. Ook hierin ligt daarom geen reden om artikel 6, vijfde lid, van de NOW-1 buiten toepassing te laten. Strijd met het gelijkheidsbeginsel? 18. Eiseressen hebben verder een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Zij zien zichzelf als een externe personeels-B.V. en voeren aan dat ze daarom ten onrechte niet gelijk behandeld worden met intra-groep personeels-B.V.’s. Bij die laatste bedrijfsvorm wordt de omzet van de (interne) opdrachtgevers wél meegenomen. 18.1. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat er geen grond is om eiseressen gelijk te stellen aan een intra-groep personeels-B.V. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat er geen sprake is van een organisatorische verbondenheid tussen eiseressen en hun opdrachtgevers. Eiseressen hebben weliswaar het personeel van de opdrachtgevers in dienst, maar die opdrachtgevers vormen niet samen met eiseressen een concern. In zoverre is al geen sprake van gelijke gevallen. De rechtbank overweegt verder dat ook hier geldt dat de NOW onvermijdelijk als gevolg heeft dat hij niet naadloos toegesneden is op alle vormen van bedrijfsuitoefening en op de wijze waarop de omzet wordt gegenereerd. Tussenconclusie 19. De grond dat, artikel 6, vijfde lid, van de NOW-1 buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met het zorgvuldigheids-, evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel, treft geen doel. Overgang van onderneming 20. Subsidiair hebben eiseressen betoogd dat artikel 6, eerste lid, van de NOW-1 buiten toepassing moet worden gelaten en dat artikel 6, derde lid, moet worden toegepast om de referentieomzet te bepalen. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de onderneming van eiseres 1 in 2019 is opgericht, maar dat pas in 2020 omzet is gegenereerd. Op 1 januari 2020 heeft, volgens de stelling van eiseressen, eiseres 1 het volledige personeelsbestand van Fulfilment Solutions B.V. overgenomen en op 14 januari 2020 heeft eiseres 1 het volledige personeelsbestand van Bio Brothers overgenomen. 20.1. De minister heeft er in bestreden besluit 2 op gewezen dat artikel 6, eerste lid, van de NOW niet van toepassing is bij het vaststellen van de referentieomzet, omdat er geen volledige omzet is in 2019. Daarom is artikel 6, derde lid, van de NOW van toepassing. De rechtbank volgt dit standpunt van de minister. Dit maakt dat er voor eiseres 1 voor het bepalen van de referentieomzet gekeken moet worden naar de omzet in de maanden januari en februari 2020. Voor NOW-subsidie kan eiseres 1 dan in aanmerking komen, mits voldaan is aan alle andere vereisten. Evenwichtigheid van de besluitvorming 21. Uit de bovenstaande overwegingen volgt dat de toetsing van artikel 6, vijfde lid, van de NOW-1 aan de bovengenoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur er niet toe leidt dat deze bepaling uit die regeling buiten toepassing moet worden gelaten. Gelet op wat eiseressen hebben aangevoerd, zal de rechtbank de bestreden besluiten vervolgens wel nog rechtstreeks toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Daarbij is van belang of ‘onder de streep’ de besluitvorming zodanig onevenwichtig uitpakt dat die niet ongewijzigd in stand kan blijven. Bij het beoordelen van de evenredigheid en, als uitkomst daarvan, de evenwichtigheid gaat het volgens vaste rechtspraak niet om nadelige uitkomsten tegen te gaan, maar om het voorkomen van onnodig nadelige gevolgen. 21.1. Eiseressen hebben de volgende voorschotten ontvangen aan NOW-1 subsidies. Eiseres 1: € 265.941,- Eiseres 2: € 233.865,- Eiseres 3: € 39.194,- + Totaal € 539.000,- In het kader van de NOW-2 zijn de volgende voorschotten ontvangen: Eiseres 1: € 211.692,- Eiseres 2: € 164.496,- Eiseres 3: niet bekend + Totaal € 276.188,- 21.2. Niet in geschil is dat de minister de uitbetaalde voorschotten volledig terugvordert en dat eiseressen zich daarmee geconfronteerd zien met forse terug te betalen bedragen. 21.3. Eiseressen hebben betoogd dat zij bij terugvordering van het volledige bedrag aan verstrekte voorschotten in grote financiële problemen zullen komen. Het geconsolideerde resultaat na belastingen over de jaren 2020 en 2021 bedraagt in totaal € 632.806,-. Het totaal aan verstrekte kortingen over de verschillende NOW-periodes bedraagt € 579.672,-. Als zij dit uit hun eigen inkomsten moeten financieren, is het resultaat van beide boekjaren slechts € 53.672,-. 21.4. De rechtbank overweegt dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseressen door het terugbetalen van de gevorderde bedragen in grote financiële problemen zullen komen, in die zin dat bijvoorbeeld de continuïteit van de ondernemingen gevaar loopt. 21.5. Zoals ter zitting desgevraagd is gebleken, hebben eiseressen de voorschotten niet volledig gebruikt. De ‘schade’ voor eiseressen bestaat eruit dat zij een korting hebben gegeven op de facturen die zij hebben ingediend bij hun opdrachtgevers: eiseressen hebben dit verwoord als het ‘doorgeven’ van de NOW-subsidies. In beroep hebben eiseressen een bijlage overgelegd met een overzicht van deze kortingen in het kader van de NOW-1. De kortingen zijn berekend op in totaal € 142.082,40. Voor de drie eiseressen is dit in totaal (€ 142.082,40 minus € 9.502,78
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.