RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 11131405 \ CV EXPL 24-2773 Vonnis van 28 augustus 2024 in de zaak van VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V., gevestigd te Arnhem, eisende partij, hierna te noemen: VGZ, gemachtigde: Flanderijn, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de schriftelijke weergaven van het mondelinge antwoord. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- [gedaagde] heeft met VGZ een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten. 2.
- [gedaagde] blijft in gebreke met betaling van de zorgpremie, het eigen risico en/of de eigen bijdrage. 3Het geschil 3.
- VGZ vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 2.500,00, vermeerderd met rente over de hoofdsom en kosten. 3.
- Ter onderbouwing van haar vordering voert VGZ (samengevat) het volgende aan. VGZ heeft op grond van een met [gedaagde] gesloten zorgverzekeringsovereenkomst bedragen bij [gedaagde] in rekening gebracht. De totale achterstand bedraagt volgens VGZ € 2.095,
- Daarnaast is [gedaagde] aan haar de wettelijke rente verschuldigd van € 433,
- Voorts stelt VGZ dat [gedaagde] aan haar een vergoeding van € 598,66 voor buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd, te vermeerderen met de daarover verschuldigde BTW van € 125,
- Ter voorkoming van een hoger bedrag aan griffiegeld voor [gedaagde] (als onderdeel van de te liquideren proceskosten bij toewijzing van de vordering) heeft VGZ haar vordering beperkt tot € 2.500,00 van haar totale vordering, waarbij zij haar rechten met betrekking tot invordering van het restant reserveert. 3.
- [gedaagde] is op de rolzitting verschenen. Hij voert geen inhoudelijk verweer en erkent de vordering. [gedaagde] geeft te kennen de helft van het bedrag reeds op 4 juni 2024 te hebben voldaan en voor de rest een betalingsregeling te zullen treffen. Een bewijs van betaling is evenwel niet door [gedaagde] overlegd. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.
- [gedaagde] heeft de door VGZ gevorderde hoofdsom (zoals gespecificeerd in productie 2) erkend, zodat het gevorderde bedrag van € 2.095,05 aan hoofdsom toewijsbaar is. 4.
- [gedaagde] heeft geen zelfstandig verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente. Omdat VGZ haar vordering heeft beperkt tot € 2.500,00, zal van dit onderdeel een bedrag van € 404,95 worden toegewezen. De wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding (22 maart 2024) over de openstaande hoofdsom zal eveneens worden toegewezen. 4.
- De kantonrechter gaat ervan uit dat, mocht [gedaagde] inderdaad op 4 juni 2024 de helft van de vordering (€ 2.500,00) betaald hebben, VGZ in geval van executie van dit vonnis daarmee rekening houdt. 4.
- [gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VGZ worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 137,39 - griffierecht € 372,00 - salaris gemachtigde € 204,00 (1,00 punt × € 204,00) Totaal € 713,39 5De beslissing De kantonrechter 5.
- veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen een bedrag van € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 2.095,05, met ingang van 22 maart 2024, tot de dag van volledige betaling, 5.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 713,39, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus
- VC