RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03/256193-21 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 7 februari 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, wonende te [adres] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat, kantoorhoudende te Maastricht. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 januari 2024. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Op 24 januari 2024 is het onderzoek ter terechtzitting formeel gesloten en bepaald dat op 7 februari 2024 vonnis wordt gewezen. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte al dan niet samen met een ander of anderen voorbereidingshandelingen voor de handel in en de import en/of export van harddrugs heeft verricht. 3De verweren ten aanzien van SkyECC-berichten Dit onderzoek – Madeliefje – is een uitvloeisel van het onderzoek 26Argus rondom de hack van de cryptocommunicatiedienst SkyECC. Over de rechtmatigheid van die hack, de transparantie daaromtrent en het gebruik van de resultaten heeft de verdediging sinds het begin van deze strafzaak uitgebreid verweer gevoerd. Ter bevordering van de voortgang op zitting en met instemming van de rechtbank zijn de standpunten hieromtrent voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling schriftelijk ingediend, met dien verstande dat deze standpunten ter terechtzitting als herhaald en ingelast zijn beschouwd. In dat kader heeft de rechtbank ontvangen: het formeel pleidooi t.a.v. SkyECC van de raadsvrouw d.d. 9 januari 2024; een reactie van de officier van justitie d.d. 15 januari 2024; een nadere reactie van de raadsvrouw d.d. 16 januari 2024. 3.1 Het standpunt van de verdediging Primair heeft de verdediging bewijsuitsluiting van de SkyECC-chats bepleit wegens schending van het recht op een eerlijk proces ex artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en het daaronder begrepen recht op “equality of arms”. Daartoe heeft zij gesteld dat door een gebrek aan transparantie na afwijzing van onderzoekwensen, de verdediging niet in staat is gesteld die verdediging adequaat te voeren. Subsidiair (1.) heeft de verdediging bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering bepleit wegens schending van het recht op privéleven ex artikel 8 EVRM nu de verkrijging van de SkyECC-chats in Frankrijk onrechtmatig was. Subsidiair (2.) heeft de verdediging bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering bepleit wegens schending van het recht op privéleven ex artikel 8 EVRM nu de verwerking van de SkyECC-chats in Nederland onrechtmatig was. Subsidiair (3.) heeft de verdediging bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering bepleit wegens schending van het recht op privéleven ex artikel 8 EVRM nu de overdracht van de SkyECC-chats tussen Frankrijk en Nederland onrechtmatig was. Verder heeft de verdediging om strafvermindering verzocht nu de door de rechter-commissaris verstrekte toestemming om de Sky-chats van de verdachte te delen met het onderzoeksteam niet bij de stukken is gevoegd. Tot slot heeft de verdediging om strafvermindering verzocht wegens schending van het recht op privéleven ex artikel 8 EVRM nu sprake is van vormverzuimen (ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering) bij de verkrijging van APN-gegevens. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van de verweren van de verdediging. Daartoe heeft zij zich op het standpunt gesteld dat met de beantwoording van de prejudiciële vragen door de Hoge Raad op 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913) en overige jurisprudentie de afgelopen periode – kort gezegd – “de race gelopen is” en het pleidooi van de raadsvrouw geen aanleiding geeft tot een andere conclusie. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bespreking van de verweren stelt de rechtbank voorop de op 13 juni 2023 door de Hoge Raad gegeven prejudiciële beslissing op vragen van de rechtbanken Noord-Nederland en Overijssel (ECLI:NL:HR:2023:913). In deze beslissing heeft de Hoge Raad een kader gegeven voor de beoordeling van verweren als de onderhavige, waar het bewijsmateriaal afkomstig is van (ontsleutelde) communicatie die is verkregen door middel van een hack van de SkyECC servers. De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een andere vaststelling van de feitelijke gang van zaken zoals weergegeven in die beslissing. Zij zal dan ook daarvan uitgaan. Primair verweer: eerlijk proces, transparantie en vertrouwensbeginsel De rechtbank stelt – anders dan de verdediging heeft betoogd – vast dat het bewijsmateriaal in de vorm van SkyECC-chats is verkregen onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten. Van opsporing onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten (zoals bedoeld onder 6.17 tot en met 6.19 in de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad) is geen sprake geweest. Nu Frankrijk partij is bij het EVRM, volgt hieruit dat het door de Hoge Raad (onder 6.5 en 6.6) gegeven kader in dezen van toepassing is. Dit houdt in dat, waar het de bestreden rechtmatigheid van de verkrijging betreft, het niet aan de Nederlandse strafrechter is om het onderzoek in het buitenland te toetsen. Wel is het de taak van de rechtbank om te waarborgen dat het gebruik van uit het buitenland afkomstig bewijsmateriaal in een Nederlandse strafzaak niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces, zoals gegarandeerd in artikel 6 EVRM en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De verdediging heeft bepleit dat het gebruik van dit bewijsmateriaal wel strijdig is met het recht op een eerlijk proces omdat, kort gezegd, zij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om de opsporing in het buitenland en de verwerking van de SkyECC-chats te toetsen. De rechtbank verwerpt dit verweer. Vooropgesteld geldt het beginsel van equality of arms niet absoluut en heeft de verdediging aldus niet zonder meer recht op een “compleet beeld” zoals zij wenst. Uit het door de Hoge Raad geboden kader volgt bovendien dat bij het beoordelen van verzoeken tot het voegen van stukken bij de processtukken en het verkrijgen van inzage in stukken, de rechter acht kan slaan op de beoordelingsruimte die de Nederlandse strafrechter heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de opsporing in het buitenland. Nu het niet de taak is van de Nederlandse strafrechter om die rechtmatigheid te toetsen, is de verdediging ook niet in haar belang geschaad wanneer zij minder inzicht heeft gekregen in het verloop van het opsporingstraject in het buitenland dan zij wenste. Subsidiair verweer (1.): verkrijging SkyECC-chats in strijd met art. 8 EVRM Op grond van voormeld internationaal vertrouwensbeginsel is het evenmin aan de Nederlandse strafrechter om te toetsen aan artikel 8 EVRM, dat het recht op privacy garandeert. Het uitgangspunt van rechtmatigheid van de verkrijging van het bewijsmateriaal lijdt alleen uitzondering als in de betreffende staat, in dit geval Frankrijk, onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek niet in overeenstemming met de geldende rechtsregels is gebeurd. Daarvan is geen sprake. De rechtbank verwerpt aldus ook het eerste subsidiaire verweer. Subsidiair verweer (2.): verwerking SkyECC-chats in strijd met art. 8 EVRM De rechtbank verwerpt ook dit verweer, in lijn met (onder meer) de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 17 november 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:10865), de rechtbank Den Haag van 12 oktober 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:15468) en de rechtbank Gelderland van 15 mei 2023 (ECLI:NL:RBGEL:2023:2760). Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat de rechters-commissarissen in het onderzoek 26Argus op grond van artikelen 126t en 126uba Sv op 15 december 2020 respectievelijk 7 februari 2021 machtigingen hebben gegeven voor opnemen met een technisch hulpmiddel alsmede het (daarvoor) binnendringen van een geautomatiseerd netwerk. Daartoe waren zij, zoals ook de Hoge Raad in de prejudiciële beslissing heeft overwogen, niet verplicht. Dat neemt echter niet weg dat zo’n machtiging wel een waarborg vormt voor het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Hoewel in artikel 126uba Sv niet staat dat onderzoek gedaan mag worden aan de daarbij verkregen gegevens, kan dat wel worden afgeleid uit het doel van de toepassing van de opsporingsbevoegdheid: het aan de dag brengen van de waarheid. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het doen van onderzoek aan de onderzoeksresultaten van de SkyECC-chats dan ook in artikel 126uba Sv besloten. Daarmee is de inbreuk bij wet voorzien. De rechter-commissaris heeft in de beschikking ex art. 126t Sv uitgebreid uiteengezet op basis waarvan is overgegaan tot het verlenen van de machtiging. Verder is overwogen dat de informatie niet op een andere, effectieve en minder ingrijpende wijze kon worden verkregen en gebruikt. Verder zijn daarbij voorwaarden geformuleerd om privacy schendingen zoveel mogelijk te beperken. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank ook voldaan aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Voorts zijn de Richtlijnen 2002/58/EG en 2016/680 noch de jurisprudentie van het EHRM die ziet op bulkinterceptie van data en mogelijke strijd daarvan met artikel 8 EVRM op de verwerking van het onderhavige bewijsmateriaal van toepassing, zo vloeit voort uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat ook op geen enkele wijze is gesteld, onderbouwd, laat staan aannemelijk gemaakt hoe en in hoeverre de verdachte zelf daadwerkelijk en concreet in zijn privéleven is geschaad. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de SkyECC-chats rechtmatig zijn verwerkt; niet in strijd met artikel 8 EVRM en niet in strijd met het Unierecht. De rechtbank verwerpt derhalve ook dit verweer van de verdediging. Subsidiair verweer (3.): overdracht SkyECC-chats in strijd met art. 8 EVRM Het verweer van de verdediging is gebaseerd op een andere feitelijke en juridische gang van zaken bij de verkrijging en overdacht van de onderzoeksresultaten dan waar de rechtbank van uitgaat. Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank reeds hiervoor heeft overwogen over de verantwoordelijkheid van het onderzoek in Frankrijk en de toepassing van het internationaal vertrouwensbeginsel, ook ten aanzien van art. 8 EVRM, verwerpt de rechtbank ook dit verweer. Niet gevoegde machtiging rechter-commissaris Anders dan de verdediging impliceert is geen afzonderlijke toestemming van de rechters-commissarissen uit het onderzoek 26Argus gevergd voor het gebruiken van de SkyECC-chats uit dat onderzoek voor onderhavig onderzoek. Zulks blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van de rechters-commissarissen d.d. 1 februari 2022 (pg. 624). Immers, de toestemming van de rechters-commissarissen zag enkel op het gebruik en verdere analyse van Sky-communicatie en niet op overdracht naar andere onderzoeken; dat kon de officier van justitie zelfstandig ex art. 126dd Sv. Die toestemming van de officier van justitie bevindt zich ook bij de stukken, gedateerd 3 januari 2022 (pg. 506). De rechtbank verwerpt aldus ook dit verweer. Vormverzuim bij verkrijging APN-gegevens De rechtbank zal anders dan verzocht volstaan met de enkele constatering dat sprake was van een vormverzuim bij de verkrijging van de APN-gegevens. De rechtbank verwijst hiervoor naar de overwegingen en conclusie van de rechtbank Midden-Nederland van 23 augustus 2023 (ECLI:NL:RBMNE:2023:4398). Kort gezegd is inderdaad sprake van onherstelbare vormverzuimen, door het Openbaar Ministerie in de brief van 30 augustus 2022 ook erkend, zoals de ontbrekende rechterlijke toetsing. Echter, gelet op de slechts geringe inbreuk op het privéleven van de verdachte en de omstandigheid dat het zo zeer voor de hand lag dat de rechter-commissaris die toestemming zou hebben gegeven, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het verbinden van consequenties aan dit verzuim. Conclusie De rechtbank verwerpt dus alle verweren van de verdediging over de verkrijging, overdracht en verwerking van de SkyECC-chats, het delen van de onderzoeksresultaten vanuit het onderzoek Argus naar onderhavig onderzoek en de APN-data. Dat maakt dat de SkyECC-chats bruikbaar zijn als bewijs. 4De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Daartoe heeft zij verwezen naar de bekennende verklaring van de verdachte en de inhoud van de SkyECC-chats. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft zich, indien de formele verweren ten aanzien van SkyECC worden verworpen, voor wat betreft het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank acht het ten laste gelegde feit bewezen. Omdat de verdachte ter terechtzitting een bekennende verklaring heeft afgelegd en namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank op grond van artikel 359, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering met een opgave van de bewijsmiddelen. Bewijsmiddelen: de bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 16 januari 2024; proces-verbaal van verhoor verdachte; - het proces-verbaal ter beschikking stelling argus data; - het proces-verbaal van bevindingen. Medeplegen Voor wat betreft het medeplegen heeft de verdachte geen bekennende verklaring afgelegd. Desalniettemin acht de rechtbank ook dit onderdeel bewezen gelet op de bij de Belgische politie afgelegde verklaring van [naam], voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende: U houdt mij voor dat op 7 september 2021 in mijn loods aan de [straat] te Brunssum een Suzuki Swift met IJslandse kentekenplanten is aangetroffen en u vraagt mij welke werken ik aan het uitvoeren was aan dat voertuig. Ik was een verborgen ruimte aan het maken. Ik voer die werken uit samen met [verdachte] . [verdachte] heeft ook de klant aangebracht. U vraagt mij wat ik weet over een zwarte Mercedes Sprinter. Ik weet enkel dat er in dat voertuig een verborgen ruimte zit. U vraagt mij hoe die bij mij in de loods is gekomen. Dat is allemaal gegaan via [verdachte] . [verdachte] heeft mij gevraagd om van die Mercedes een koelwagen te maken en om een verborgen ruimte te maken in dat voertuig. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte in de periode gelegen tussen 1 juni 2020 tot en met 13 december 2021 in Nederland en Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, in elk geval middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, - een of meer anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en - zich of (een) ander(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.