← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2024:6210

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer : 03/264538-23 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 28 augustus 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998, wonende te [adresgegevens verdachte] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.F.E. Sprenkels, advocaat kantoorhoudende te Beek. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 augustus 2024. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de strafzaken tegen [medeverdachte 1] (parketnummer 03/073461-22) en [medeverdachte 2] (parketnummer 03/285601-23). 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: Feit 1: gebruik heeft gemaakt van valse geschriften, te weten een valse salarisspecificatie en een vals bankafschrift, door genoemde valse stukken te verstrekken aan Interbank N.V. ten behoeve van een kredietaanvraag; Feit 2: heeft geprobeerd om Interbank N.V. op te lichten, door een valse salarisspecificatie en een vals bankafschrift te verstrekken ten behoeve van een kredietaanvraag; Feit 3: een geldbedrag van € 20.025, - heeft witgewassen. 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 en feit 2. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het invullen van de kredietaanvraag bij Interbank N.V. heeft uitbesteed aan bekenden. De verdachte wil in verband met zijn eigen veiligheid niet verklaren wie deze bekenden zijn geweest. Indien de verdachte aan dergelijke personen een kredietaanvraag toevertrouwt, had hij de bij de aanvraag gevoegde stukken moeten controleren alvorens deze aan Interbank N.V. werden verstrekt. Door dit niet te doen, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de stukken vervalst konden zijn en is sprake van voorwaardelijk opzet op het gebruik van de geschriften als ware die echt en onvervalst. Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie gerekwireerd tot vrijspraak. De verdachte heeft ter terechtzitting een aannemelijke verklaring gegeven over de herkomst van het geld. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot de feiten 1 en 2 heeft de raadsman betoogd dat de verdachte het invullen van de kredietaanvraag had uitbesteed aan bekenden die daar ervaring mee hadden. De verdachte heeft de stukken van deze bekenden retour ontvangen en was in de veronderstelling dat alles op een correcte manier was ingevuld. De verdachte was te goeder trouw en in de veronderstelling dat de aan hem retour gezonden documenten niet waren vervalst. De verdachte heeft de stukken niet meer bekeken. Hij heeft de aanvraag ondertekend en met de documenten verzonden naar de tussenpersoon die de aanvraag indiende bij Interbank N.V. Hij heeft hierdoor geen opzet gehad op het gebruik van vervalste geschriften en daardoor ook niet geprobeerd Interbank N.V. op te lichten. De verdachte moet ook van feit 3 worden vrijgesproken, nu hij op de terechtzitting een aannemelijke verklaring heeft gegeven over de legale herkomst van het geld. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Vrijspraakoverweging Feit 3 Met de officier van justitie en de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Feit 1 en feit 2 Verbalisant [verbalisant] relateert, voor zover van belang, het volgende: “Op 18 januari 2021 is er door [aangever] bij de politie aangifte gedaan namens de rechtspersoon Internetbank N.V. (de rechtbank begrijpt: Interbank N.V.). (…) Op 19 mei 2020 is er via de kredietbemiddelaar Anderslenen B.V. een kredietaanvraag binnengekomen voor een persoonlijke lening van € 38.900, -. De aanvrager betrof [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] . (…) Op 22 mei 2020 ontving Internetbank N.V. (de rechtbank begrijpt: Interbank N.V.) een kennelijk door [verdachte] ondertekende kredietovereenkomst. Hierbij waren de volgende geschriften gevoegd: - (…) - een salarisspecificatie van de onderneming [naam bv] op naam van [verdachte] , over de perioden februari en maart 2020, waarop vermeld stond dat een bedrag van € 3.102,90 werd gecrediteerd naar [rekeningnummer 1] ; - een bankafschrift ABN Amro rekening [rekeningnummer 1] op naam van [verdachte] over de betreffende de periode 25-03-2020 t/m 30-04-2020, blz. 1 t/m 8, met onder meer salarisbijschrijving van € 3.102,90 op 31 maart 2020 en 30 april 2020. (…) Gedurende dit vooronderzoek nam Internet B.V. (de rechtbank begrijpt: Interbank N.V.) contact op met de afdeling Veiligheidszaken van de ABN AMRO bank. (…) De credit transactie op 31 maart 2020 van € 3.102,90, afkomstig van [naam bv] , is volgens de ABN AMRO bank zichtbaar in de bankmutaties. Echter de transactie op 30 april 2020 had niet plaatsgevonden.” [aangever] heeft namens Interbank N.V. op 18 januari 2021 aangifte gedaan tegen de verdachte wegens valsheid in geschrift en poging tot oplichting. De aangifte vermeldt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende: (p. 37) Ik, [aangever] , ben werkzaam op de afdeling Financial Security & Compliance van Credit Agricole Consumer Finance Nederland B.V., hierna te noemen CACF en bevoegd tot het doen van aangifte van tegen CACF en/of haar dochtermaatschappijen gepleegde strafbare feiten. Interbank N.V. is een dergelijke dochtermaatschappij. (…) De kredietverstrekking bij Interbank N.V. vindt plaats via bemiddeling van landelijk gevestigde assurantietussenpersonen en/of kredietbemiddelaars. Een van deze kredietbemiddelaars is Anderslenen B.V. Op 19-05-2020 is via bemiddeling van Anderslenen B.V. een kredietaanvraag voor een persoonlijke lening op naam van de heer [verdachte] binnengekomen. Vervolgens ontving Interbank N.V. op 22-05-2022 een door de klant ondertekende kredietovereenkomst en de volgende stukken: - een door de klant ondertekende afrekeningsnota/betalingsopdracht waaruit blijkt dat de kredietgelden overgemaakt dienden te worden naar [rekeningnummer 1] op naam van de klant. - (…) - Salarisspecificaties van [naam bv] op naam van [verdachte] , over de perioden februari en maart 2020, waarop staat vermeld dat een bedrag van € 3.102,90 overgemaakt wordt naar [rekeningnummer 1] . De datum in dienst is 01-02-2020, voor onbepaalde tijd. - ABN AMRO rekeningafschrift van [rekeningnummer 1] op naam van [verdachte] , over de periode 25-03-2020 t/m 30-04-2020, bladzijde 1 t/m 8 met onder meer salarisbijschrijvingen van € 3.102,90 op 31-03 en 30-04. (…) Vervolgens heb ik contact opgenomen met Veiligheidszaken van ABN AMRO om meer te weten te komen wat er op de rekening van [verdachte] gebeurt. ABN AMRO kon mij vertellen dat de salarisbijschrijving van 31-03 afkomstig van [naam bv] voorkomt, maar dat de salarisbijschrijving op 30-04 niet klopt. Deze salarisbijschrijving is oorspronkelijk een bedrag van ruim € 400 en is niet afkomstig van [naam bv] , maar van een ander bedrijf. Het afschrift is dus vervalst. (p. 39) Vervolgens heb ik contact opgenomen met veiligheidszaken van de ING bank. [naam bv] bankiert namelijk bij de ING bank. (…) De salarisoverboeking van 31-03 is de enige transactie naar de heer [verdachte] . (…) Kortom er is sprake van valsheid in geschrifte en oplichting. Indien bij Interbank N.V. bekend was geweest dat de overgelegde stukken vals/vervalst waren, was er geen goedkeuring gegeven. Door het tijdig ontdekken van de vervalsingen is uitbetaling van de kredietsom van € 38.900 voorkomen. (p. 57) Dit betreft een salarisspecificatie van maart 2020 ten name van [verdachte] , afkomstig van werkgever [naam bv] , met vermelding van een netto loonbedrag van € 3.102,90. Deze specificatie is overgelegd bij de kredietaanvraag. (p. 69) Dit betreft een e-mail van [medeverdachte 2] aan [aangever] van 27 mei 2020 waarin [medeverdachte 2] onder meer het volgende meedeelt: “Deze loonstro(o)k(

  1. en)komen mij niet bekend voor en kan deze dus ook niet terug vinden in het systeem. In de bijlage heb ik de loonstroken toegestuurd die wel correct en ingediend zijn. En uiteraard uitbetaald.” (p. 71) Dit is een bijlage behorende bij de e-mail van [medeverdachte 2] van 27 mei 2020 en betreft een salarisspecificatie, afkomstig van werkgever [naam bv] , van maart 2020 ten name van [verdachte] met vermelding van een netto loonbedrag van € 183,05. (p. 58) Dit betreft een bankafschrift ten name van [verdachte] van een ABN AMRO-rekening met nummer [rekeningnummer 1] over de periode van 25 maart 2020 t/m 30 april 2020. Op pagina 2 van dit bankafschrift (p. 59 van het dossier) staat een bijboeking van € 3.102,90 met omschrijving “salaris februari 2020”. Op pag. 8 van dit bankafschrift (p. 65 van het dossier) staat een bijboeking op 30 april 2020 van een bedrag van € 3.102,90 met omschrijving “salaris maart 2020”. Dit afschrift is overgelegd bij de kredietaanvraag. Verbalisant [verbalisant] relateert, voor zover van belang, het volgende: “Ik ben in het bezit gekomen van de bankmutaties horende bij de bankrekening [rekeningnummer 2] , over de periode 16 mei 2018 t/m 16 februari 2021, met als rekeninghouder [naam bv] ” Verbalisant [verbalisant] relateert, voor zover van belang, het volgende: “Door mij, [verbalisant] , is de bankrekening [rekeningnummer 2] ( [naam bv] ) gerubriceerd om een overzicht te krijgen van de inkomsten en uitgaven. (…) Ik zag dat door [naam bv] éénmaal loonbetaling is verricht aan [verdachte] , namelijk op 31 maart 2020. Deze bevindingen komen overeen met de analyse van de bankrekening [rekeningnummer 1] ( [verdachte] ).” De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 14 augustus 2024, voor zover van belang, zakelijk weergegeven: “Ik wilde een krediet aanvragen en ik kende jongens die dit voor mij konden doen. Die jongens heb ik de stukken aangeleverd die bij de bank ingediend moesten worden. Ik was erg enthousiast en wilde graag een mooie auto en die jongens vertelden mij dat ze vaker een kredietaanvraag hadden ingediend. Zij hielpen mij. Ik heb de stukken retour gekregen, niet meer bekeken, ondertekend en opgestuurd naar de bank. Bewijsoverwegingen Inleiding De verdachte heeft op of omstreeks 19 mei 2020 via kredietbemiddelaar Anderslenen B.V. een aanvraag ingediend voor een persoonlijke lening bij Interbank N.V. van € 38.900, -. De verdachte heeft ter onderbouwing van de aanvraag twee salarisspecificaties en een bankafschrift aangeleverd om aan te tonen dat hij over voldoende bestendige inkomsten beschikte om aan de verplichtingen voortvloeiend uit die lening te kunnen voldoen. Feit 1 Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat de verdachte maar éénmaal loon heeft ontvangen van [naam bv] Deze betaling vond plaats op 31 maart 2020. De salarisbetalingen van [naam bv] worden achteraf uitbetaald, zodat de betaling van 31 maart 2020 ziet op de maand februari 2020. In de maand april 2020 heeft de verdachte geen loonuitkering ontvangen van [naam bv] over de maand maart 2020. De rechtbank stelt dan ook vast dat de salarisspecificatie van maart 2020 en het bankafschrift die door de verdachte zijn verstrekt, niet overeenkomen met de werkelijkheid en dus vervalst zijn. Voor een bewezenverklaring van het gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, moet opzet op het gebruik van dat vals of vervalst geschrift als echt en onvervalst bewezen worden. De raadsman heeft betoogd dat opzet niet bewezen kan worden. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt. Het gaat om een relatief eenvoudige kredietaanvraag waarbij in feite niet meer hoeft te worden ingevuld dan gegevens over de aanvrager en zijn inkomen. Daarbij moeten stukken ter onderbouwing worden overgelegd. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zelf de benodigde stukken voor de kredietaanvraag heeft verzameld en deze heeft verstrekt aan bekenden die de aanvraag voor hem in orde zouden maken. Volgens de verdachte heeft hij vervolgens de kredietaanvraag ongezien ondertekend en via een intermediair ingediend. De verdachte wenst in verband met zijn eigen veiligheid de personalia van de bekenden van wie hij de stukken heeft gekregen niet te verstrekken. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, nu hij ervoor heeft gekozen om de relatief eenvoudige aanvraag uit te besteden aan dubieuze personen van wie hij de namen niet durft te noemen, wel degelijk heeft geweten dat de stukken vervalst waren, zodat vol opzet op het gebruik daarvan als echt en onvervalst bewezen is. Feit 2 Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde stelt de rechtbank voorop dat voor een veroordeling ter zake van (poging tot) oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen om daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, waardoor die ander had kunnen worden bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld. Doordat de verdachte gebruik heeft gemaakt van vervalste geschriften bij de aanvraag van het krediet bij Interbank N.V., heeft hij door middel van listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels Interbank N.V. proberen te bewegen om aan hem een persoonlijke lening te verstrekken van € 38.900, -. De lening is uiteindelijk niet aan de verdachte verstrekt, zodat de poging tot oplichting is bewezen. Eendaadse samenloop De rechtbank is van oordeel dat de combinatie van poging tot oplichting (feit 2) en het (daarbij) gebruik maken van vervalste geschriften (feit 1) eendaadse samenloop oplevert. De onder feit 1 en 2 bewezen verklaarde gedragingen leveren namelijk een zodanig samenhangend, zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op, dat verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte T.a.v. feit 1: op of omstreeks 19 mei 2020, in Nederland opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalste salarisspecificatie en een vervalst bankafschrift - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die geschriften echt en onvervalst, bestaande die valsheid hieruit dat - die salarisspecificatie geheel was vervalst en - op dat bankafschrift twee betalingen van [naam bv] aan verdachte vermeld staan (te weten op 31 maart en 30 april 2020) terwijl alleen de betaling van 31 maart 2020 daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, en bestaande dat gebruik hieruit dat hij, verdachte, die geschriften heeft overgelegd bij het aanvragen van een krediet bij Interbank N.V.; T.a.v. feit 2: op of omstreeks 19 mei 2020 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, Interbank N.V. te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten te bewegen tot de afgifte van een kredietsom van € 38.900 met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid via bemiddeling van Anderslenen B.V. een kredietaanvraag heeft gedaan en schriftelijke bescheiden aan Anderslenen B.V. en Interbank N.V. heeft doen toekomen, waaronder een vervalste salarisspecificatie, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert de volgende strafbare feiten op: T.a.v. feit 1 en feit 2: eendaadse samenloop van opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, en poging tot oplichting. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De straf 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een voorwaardelijke taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis en een proeftijd van 3 jaren. De officier van justitie heeft bij het bepalen van de strafeis acht geslagen op de richtlijnen van het Openbaar Ministerie. In strafverminderde zin heeft de officier van justitie rekening gehouden met het gegeven dat het bij een poging is gebleven en de bank geen nadeel heeft geleden, het blanco strafblad van de verdachte en dat de bewezen verklaarde feiten 4 jaren geleden gepleegd zijn. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht om in geval van veroordeling rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) met 16 maanden. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft bij het indienen van een kredietaanvraag bij Interbank N.V. vervalste stukken ingediend. Daardoor heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het gebruik van vervalste geschriften in eendaadse samenloop met poging tot oplichting. De verdachte heeft hierdoor het vertrouwen van Interbank N.V. beschadigd. De omstandigheid dat als gevolg daarvan geen directe financiële schade is aangericht, nu Interbank N.V. de fraude ontdekte en geen krediet heeft verstrekt, doet niet af aan de ernst van het bewezenverklaarde. Door aldus te handelen heeft verdachte het vertrouwen geschaad dat door geldverstrekkers, zoals banken, in personen mag worden gesteld. De verdachte heeft miskend dat de integriteit van het financiële verkeer staat of valt met het vertrouwen dat gesteld wordt en gesteld moet kunnen worden in personen en bedrijven die gebruik wensen te maken van financiële diensten en in de juistheid van de inhoud van verstrekte gegevens. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de opgelegde straffen in soortgelijke zaken en concludeert dat doorgaans voor de bewezen verklaarde feiten een gevangenisstraf wordt opgelegd. De rechtbank heeft ook geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Uitgangspunt is volgens de uitleg die de Hoge Raad aan de redelijke termijn heeft gegeven, dat een strafzaak in eerste aanleg met een vonnis dient te zijn afgerond binnen twee jaar vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens een verdachte een handeling is verricht waaraan deze redelijkerwijs de verwachting kan ontlenen dat tegen hem strafvervolging kan worden ingesteld. De termijn van twee jaar is voor de verdachte aangevangen met zijn verhoor op 6 april 2021 en is op de datum van het onderhavige eindvonnis met ruim 16 maanden overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze termijnoverschrijding zouden kunnen rechtvaardigen, is niet gebleken. Door deze gang van zaken heeft de verdachte langdurig in onzekerheid verkeerd over de uitkomst van deze strafzaak. De rechtbank houdt bij de strafbepaling rekening met de proceshouding van de verdachte. Hoewel hij zich bij de politie op zijn zwijgrecht heeft beroepen, heeft hij op de terechtzitting een uitgebreide verklaring afgelegd en aangetoond dat hij inziet dat hij anders had moeten handelen. De verdachte is geen doorgewinterde oplichter en heeft een foute keuze gemaakt toen hij 22 jaar oud was. De verdachte is zich bewust van de ernst van de feiten en lijkt te hebben geleerd van zijn fouten. De rechtbank houdt hier ten voordele van de verdachte rekening mee in de strafbepaling en acht om voornoemde omstandigheden een gevangenisstraf niet op zijn plaats. De officier van justitie heeft een voorwaardelijke taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis geëist. De rechtbank vindt dit ook een passende straf en zal deze opleggen. Door een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen wil de rechtbank de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en de verdachte ervan weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. De proeftijd zal de rechtbank op 1 jaar bepalen. De door de officier van justitie geëiste proeftijd van 3 jaren is onvoldoende onderbouwd. De bewezen verklaarde feiten zijn ruim 4 jaren geleden gepleegd en de verdachte is in de tussentijd, maar ook daarvoor, niet in aanraking gekomen met politie en justitie. Een proeftijd van langer dan 1 jaar acht de rechtbank onder die omstandigheden niet opportuun. Gelet op de aard van de op te leggen straf – een geheel voorwaardelijke straf – volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt zij aan deze overschrijding geen gevolgen voor de straf. Alles overwegende zal aan de verdachte een voorwaardelijke taakstraf worden opgelegd van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis met een proeftijd van 1 jaar. 7De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 55, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht. 8De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij; Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezen verklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uren; beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen; bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 1 jaar zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit vonnis is gewezen door mr. L.E.M. Hendriks, voorzitter, mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe en mr. S.L.M. van Venrooij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.P. Huntjens en mr. D.R.C. Custers, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 augustus 2024. Buiten staat Mr. L.E.M. Hendriks en de griffier, mr. D.R.C. Custers, zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat T.a.v. feit 1: hij op of omstreeks 19 mei 2020 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(
  2. e)of vervalst(
  3. e)salarisspecificatie en/of bankafschrift, - zijnde (een) geschrift(
  4. en)dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat/die geschrift(
  5. en)echt en onvervalst, bestaande die valsheid hieruit dat - die salarisspecificatie geheel was vervalst, althans dat die salarisspecificatie een loonbetaling van het bedrijf [naam bv] van 3.102,90 euro vermeldde over de maand april 2020, terwijl het bedrijf in die periode geen uitbetaling aan verdachte heeft gedaan en/of - op/in dat bankafschrift twee betalingen van [naam bv] aan verdachte vermeld staan (te weten op 31 maart en 30 april 2020) terwijl alleen de betaling van 31 maart 2020 daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, en bestaande dat gebruik hieruit dat hij, verdachte dat/die geschrift(
  6. en)heeft overgelegd bij het aanvragen van (een) krediet/kredieten bij Interbank N.V.; T.a.v. feit 2: hij op of omstreeks 19 mei 2020 te Heerlen, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, Interbank N.V. te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten te bewegen tot de afgifte van een kredietsom van €38.900 met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid via bemiddeling van Anderslenen B.V. een kredietaanvraag heeft gedaan en/of een of meer schriftelijke bescheiden aan Anderslenen B.V. en/of Interbank N.V. heeft doen toekomen, waaronder (een) valse of vervalste salarisspecificatie(s), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; T.a.v. feit 3: hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 januari 2020 tot en met 31 mei 2020, in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, (van) een voorwerp, te weten een geldbedrag van 20.025 euro, althans een of meer voorwerpen - heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of - gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dat/die voorwerp(
  7. en)- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie met onderzoeksnummer LB2R021012 (onderzoek Wijlre), gesloten op 1 juni 2022, (digitaal) doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 393. Proces-verbaal van verdenking van 12 februari 2021, pag. 96 en 97. Een geschrift, te weten een schriftelijke aangifte van Interbank N.V. van 18 januari 2021, pag. 35 tot en met 79. Proces-verbaal van bevindingen van 5 maart 2021, pag. 80 tot en met 84 Proces-verbaal van bevindingen van 29 december 2021, pag. 85 tot en met 88.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.