RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 10578354 \ CV EXPL 23-2689 Vonnis van 14 februari 2024 in de zaak van [eiseres] , handelend onder de naam [handelsnaam], te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , gemachtigde: mr. I.A.W. van den Broek, tegen CMC MARKETING B.V., te Wijnandsrade, gemeente Beekdaelen, gedaagde partij, hierna te noemen: CMC, gemachtigde: mr. A.W.J.D. Ray-Engels. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het exploot van dagvaarding van 11 april 2023 met producties 1 tot en met 8; - de conclusie van antwoord met producties 1 en 2; - de brief van 16 augustus 2023 waarin een mondelinge behandeling is bepaald; - de producties 9 tot en met 12 van [eiseres] ; - het bericht van CMC van 28 september 2023 met producties 3 tot en met 8; - de e-mail van CMC van 11 oktober 2023 met producties 3 tot en met 8 ter vervanging van de producties 3 tot en met 8 horende bij het bericht van 28 september 2023; - de pleitnotities van [eiseres] ; - de tijdens de mondelinge behandeling ingediende akte vermeerdering eis; - de mondelinge behandeling van 12 oktober 2023, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Partijen hebben met ingang van 1 april 2018 een overeenkomst van opdracht gesloten voor de duur van twaalf maanden. Op 1 april 2019 werd die overeenkomst – onder dezelfde voorwaarden – voortgezet voor onbepaalde tijd. In die overeenkomst is – voor zover relevant – het volgende bepaald: “ Artikel 1 De opdracht 1.1. Opdrachtnemer verplicht zich voor de duur van de overeenkomst de navolgende werkzaamheden te verrichten: 1.2. acquisitie van media-opdrachten binnen vastgestelde doelstellingen zoals vastgelegd in bijlage; 1.3. het schriftelijk vastleggen van afspraken met klanten en het op de juiste wijze doorgeven van offerte-aanvragen en opdrachten aan opdrachtgever en het toezien op een juiste en tijdige aanlevering van reclame-uitingen; 1.4. het beheren van relaties door middel van advisering om relaties te binden en tot uitbreiding van targets te komen voor vervolgopdrachten; 1.5. het onderhouden en up-to-date houden van het relatiebeheersysteem, inclusief agendabeheer. Artikel 2 Uitvoering van de opdracht (…) 2.2. Opdrachtnemer deelt zijn werkzaamheden zelfstandig in. Wel vindt, voor zover dat voor de uitvoering van de opdracht nodig is, afstemming met Opdrachtgever plaats in geval van samenwerking met anderen, zodat deze optimaal zal verlopen. Indien noodzakelijk voor de werkzaamheden richt Opdrachtnemer zich naar de arbeidstijden bij Opdrachtgever. (…) 2.4. Opdrachtnemer is bij het uitvoeren van de overeengekomen werkzaamheden geheel zelfstandig. Hij/zij verricht de overeengekomen werkzaamheden naar eigen inzicht en zonder toezicht of leiding van Opdrachtgever. Opdrachtgever kan wel aanwijzingen en instructies geven omtrent het resultaat van de opdracht. (…) Artikel 5 Opzegging overeenkomst 5.1 Deze overeenkomst kan door beide partijen worden beëindigd, zonder opzegtermijn, indien: (…) Artikel 6 Vergoeding, facturering en betaling 6.1 Opdrachtgever betaalt Opdrachtnemer een vergoeding van 25% over de geacquireerde en betaalde omzet exclusief BTW. Tevens betaalt opdrachtgever bij het behalen van bepaalde omzet enkele extra vergoedingen. 6.3 Opdrachtgever betaalt het gefactureerde bedrag aan Opdrachtnemer binnen 8 dagen na ontvangst van de factuur. (…) Artikel 10 Wijziging van de overeenkomst Wijzigingen van en aanvullingen op deze overeenkomst zijn slechts geldig voor zover deze schriftelijk tussen partijen zijn overeengekomen.” 2.2. Op 1 september 2022 heeft CMC mondeling aan [eiseres] medegedeeld dat de overeenkomst van opdracht per direct werd beëindigd. Bij brief van 1 september 2022 heeft CMC dit aan [eiseres] bevestigd. Voor zover relevant staat in deze brief het volgende: “Over de klanten die je namens CMC Media beheert zullen wij jou nog provisie uitbetalen over de gefactureerde en betaalde omzet tot 31-12-2022. Over de klanten van CMC Media die ik in 2020 aan je heb overgedragen, zal vanaf nu geen provisie meer betaald worden. Dit zijn [naam 1] / [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] .” 2.3. Vanaf 1 oktober 2022 heeft CMC klanten ingelicht over het vertrek van [eiseres] . [eiseres] heeft na 1 oktober 2022 geen taken meer uitgevoerd voor CMC. 2.4. Na 1 september 2022 hebben partijen gecorrespondeerd over de status van de overeenkomst en over een vermeend geldende (wettelijke) opzegtermijn, alsmede over een klantenvergoeding en de bonusaanspraak van [eiseres] . Dit heeft niet geleid tot een oplossing voor het geschil. 3Het geschil 3.1. Na vermeerdering van eis tijdens de mondelinge behandeling (waarop hierna bij de beoordeling wordt ingegaan) vordert [eiseres] – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Primair zal verklaren voor recht dat de overeenkomst die tussen partijen is gesloten en waaraan uitvoering is gegeven kwalificeert als een agentuurovereenkomst; CMC zal veroordelen om aan [eiseres] een schadeloosstelling te voldoen van € 32.653,98; CMC zal veroordelen om aan [eiseres] een klantvergoeding te voldoen van € 18.000,00; CMC zal veroordelen om aan [eiseres] te voldoen de openstaande facturen ad € 11.041,98, vermeerderd met de wettelijke handelsrente of de wettelijke rente; Subsidiair 5. CMC zal veroordelen om aan [eiseres] te voldoen € 21.769,32 ter nakoming van de door CMC gedane toezegging in de brief van 1 september 2022; 6. CMC zal veroordelen om aan [eiseres] te voldoen de openstaande facturen ad € 11.041,98, vermeerderd met de wettelijke handelsrente of de wettelijke rente; Meer subsidiair 7. CMC zal veroordelen om aan [eiseres] te voldoen € 10.884,66, waarbij een redelijke opzegtermijn van twee maanden in acht is genomen; 8. CMC zal veroordelen om aan [eiseres] te voldoen de openstaande facturen ad € 11.041,98, vermeerderd met de wettelijke handelsrente of de wettelijke rente; Zowel primair, subsidiair als meer subsidiair 9. CMC zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te voldoen € 1.345,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente; 10. CMC zal veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.2. CMC voert verweer. CMC concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling De vorderingen 4.1. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling haar eis vermeerderd in die zin dat zij bij primaire vordering onder 2 een bedrag van € 32.653,98 vordert in plaats van € 27.211,65. CMC heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar de kantonrechter gaat daaraan voorbij. Er is naar het oordeel van de kantonrechter namelijk geen sprake van een situatie dat CMC onredelijk wordt benadeeld in haar verweer omdat [eiseres] reeds in het lichaam van de dagvaarding (zie randnummer 16) spreekt over de periode van 1 september 2022 tot 1 maart 2023, waardoor het aannemelijk is dat zij zich in het petitum heeft vergist, en CMC tijdens de mondelinge behandeling gelegenheid heeft gekregen om op de eisvermeerdering te reageren. Evenmin is gebleken van enige andere strijdigheid met de goede procesorde. Daarnaast is de eisvermeerdering tijdig ingediend nu een vermeerdering van eis mogelijk is zolang er nog geen eindvonnis is gewezen (artikel 130 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv)). De eisvermeerdering zoals tijdens de mondelinge behandeling is ingediend, wordt dan ook toegestaan. 4.2. [eiseres] heeft in randnummers 13 en 18 van haar pleitnota verzocht om CMC in het kader van de subsidiaire vordering te verplichten uitvoering te geven aan artikel 7:433 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) respectievelijk om – naar de kantonrechter begrijpt op basis van randnummer 17 van de pleitnotities – de primaire vordering onder 3 (klantenvergoeding) aan te passen en nader te onderbouwen. CMC heeft daartegen bezwaar gemaakt. Voor zover [eiseres] hiermee haar vordering heeft willen vermeerderen, overweegt de kantonrechter dat een vermeerdering van eis niet in een pleitnota kan geschieden en daarom niet zal worden toegestaan (zie Hoge Raad 16 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5493). De kantonrechter gaat dan ook uit van de vordering zoals die uit het petitum van de dagvaarding en uit de akte vermeerdering eis volgt. 4.3. Voor zover [eiseres] in de gelegenheid gesteld wil worden om de hoogte van de door haar gevorderde klantenvergoeding nader te onderbouwen, overweegt de kantonrechter daarvoor geen aanleiding te zien. [eiseres] had gelet op het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:935 bekend kunnen zijn met hetgeen in het kader van de stelplicht, om aanspraak te kunnen maken op een klantenvergoeding, van haar wordt verwacht. Daarnaast volgt uit dat arrest dat voordat aan de kwantificering van het voordeel van de principaal kan worden toegekomen, de handelsagent aannemelijk moet maken dat de principaal van door hem aangebrachte klanten of van klanten waarmee hij de overeenkomsten heeft uitgebreid, nog in relevante mate nieuwe transacties kan verwachten. [eiseres] is daarin niet geslaagd. De kantonrechter verwijst naar wat hierna in rov. 4.27 tot en met 4.32 wordt overwogen. De kwalificatie van de tussen partijen gesloten overeenkomst (primaire vordering onder 1) 4.4. Partijen houdt verdeeld of, zoals [eiseres] stelt en CMC betwist, de tussen partijen gesloten overeenkomst als een agentuurovereenkomst kan worden aangemerkt. 4.5. In artikel 7:428 lid 1 BW wordt de agentuurovereenkomst gedefinieerd als een overeenkomst waarbij de principaal aan de handelsagent opdraagt, en deze zich verbindt, om voor een bepaalde of een onbepaalde tijd bij de totstandkoming van overeenkomsten te bemiddelen, en deze eventueel op naam en voor rekening van de principaal te sluiten, zonder aan hem ondergeschikt te zijn. Voorwaarde is tevens dat de handelsagent van de principaal een beloning ontvangt voor de totstandkoming van overeenkomsten die aan zijn bemiddeling toe te schrijven zijn. 4.6. Indien de inhoud van een overeenkomst voldoet aan deze omschrijving, moet de overeenkomst worden aangemerkt als een agentuurovereenkomst en is de agentuurregeling van afdeling 7.7.4 BW van toepassing. Niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de regeling van agentuur te laten vallen (vergelijk Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034, rov. 3.2.2.). Evenmin is van belang welke benaming partijen zelf hebben gegeven aan de overeenkomst (zie bijvoorbeeld Gerechtshof Amsterdam 29 november 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5146, rov. 3.4.). Waar het om gaat, is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de agentuurovereenkomst. 4.7. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat zij de werkzaamheden die genoemd zijn in artikel 1 van de overeenkomst (zie 2.1) uitvoerde en dat zodra een nieuwe opdracht was geworven, deze werd bevestigd aan de hand van een door CMC ter beschikking gestelde template waaruit blijkt dat een overeenkomst tot stand wordt gebracht tussen de (nieuwe) adverteerder/klant en CMC, waarmee wordt uitgegaan van de juistheid daarvan. Hieruit blijkt dat [eiseres] als bemiddelaar werkzaam was, dat deze bemiddelingsactiviteiten aan haar zijn opgedragen door CMC en dat zij zich hiertoe heeft verbonden. Daaraan doet niet af dat CMC onweersproken heeft gesteld dat de werkzaamheden van artikel 1 van de overeenkomst en de werkzaamheden die [eiseres] feitelijk heeft verricht, veel meer omvatten dan de bemiddelingsactiviteiten die een handelsagent verricht nu dat op zichzelf niet maakt dat geen sprake is of kan zijn van een agentuurovereenkomst. 4.8. Voorts heeft [eiseres] onweersproken gesteld dat zij niet ondergeschikt is jegens CMC, hetgeen ook blijkt uit de artikelen 2.2. en 2.4. van de overeenkomst (zie 2.1), zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan, en is vast komen te staan dat sprake is van een duurovereenkomst (zie eveneens 2.1). 4.9. Ten aanzien van de beloning is vast komen te staan dat [eiseres] een variabele beloning/provisie ontving waarvan de hoogte afhankelijk was van de geacquireerde en betaalde omzet exclusief btw (zie 2.1). CMC stelt zich op het standpunt dat die beloning niet kan worden gezien als een directe beloning voor het tot stand brengen van overeenkomsten omdat – naar de kantonrechter begrijpt – [eiseres] ook andere werkzaamheden verrichtte en de beloning dus ook daarop zag. Ook dit maakt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat geen sprake is of kan zijn van een agentuurovereenkomst. De kantonrechter verwijst naar wat hiervoor in rov. 4.7 is overwogen. 4.10. Alles overziend is de kantonrechter van oordeel dat de tussen partijen gesloten overeenkomst kwalificeert als een agentuurovereenkomst tussen [eiseres] als handelsagent en CMC als principaal. Dit betekent dat de door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen en dat de bepalingen van afdeling 7.7.4 BW van toepassing zijn. Eveneens betekent dit dat de stellingen van partijen die gebaseerd zijn op het uitgangspunt dat geen sprake is van een agentuurovereenkomst, geen bespreking en beoordeling behoeven. De schadeloosstelling wegens onregelmatige opzegging (primaire vordering onder 2) 4.11. Aan haar vordering tot schadeloosstelling legt [eiseres] de stelling ten grondslag dat CMC door op 1 september 2022 per direct op te zeggen in plaats van met een opzegtermijn van vijf maanden, een te korte opzeggingstermijn heeft gehanteerd en daarom schadeplichtig is. De overeenkomst kan pas eindigen met ingang van 1 maart 2023. 4.12. CMC stelt zich op het standpunt dat – voor zover zou worden uitgegaan van een agentuurovereenkomst – de wettelijke opzegtermijn vijf maanden bedraagt. Uitgaande van de opzegging door CMC per 1 september 2022 zou de overeenkomst dan per 1 maart 2023 eindigen. CMC acht het echter niet redelijk om artikel 7:437 lid 3 BW hier toe te passen en beroept zich daarom op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Daarom verzoekt CMC de kantonrechter om uit te gaan van een einde per 1 februari 2023. 4.13. De kantonrechter overweegt als volgt. Artikel 7:437 lid 1 BW bepaalt dat een agentuurovereenkomst die is aangegaan voor onbepaalde tijd met het recht van tussentijdse opzegging kan worden beëindigd met inachtneming van de overeengekomen opzegtermijn. Bij een looptijd van de agentuurovereenkomst van meer dan twee jaar kan de opzegtermijn niet korter zijn dan drie maanden (artikel 7:437 lid 2 BW). Partijen kunnen daar niet van afwijken (artikel 7:445 lid 1 BW). Als partijen geen opzegtermijn zijn overeengekomen dan bedraagt de opzegtermijn vijf maanden, aangezien de agentuurovereenkomst een looptijd heeft gehad van tussen de drie en zes jaar (artikel 7:437 lid 1 BW). Opzegging behoort plaats te vinden tegen het einde van een kalendermaand (artikel 7:437 lid 3 BW). 4.14. In dit geval is komen vast te staan dat partijen geen opzeggingstermijn zijn overeengekomen, nu beide partijen dat hebben gesteld. Dit betekent dat de wettelijke termijn van vijf maanden geldt en dat CMC, door op 1 september 2022 per direct op te zeggen, de opzeggingstermijn niet in acht heeft genomen. De agentuurovereenkomst zou, bij inachtneming van de wettelijke opzegtermijn, hebben geduurd tot 1 maart 2023. 4.15. De kantonrechter gaat voorbij aan het verzoek van CMC om op grond van de redelijkheid en billijkheid uit te gaan van een einddatum van 1 februari 2023. Het is namelijk op grond van artikel 150 Rv aan CMC om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan worden afgeleid dat toepassing van artikel 7:437 lid 3 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn en met de enkele stelling dat zij het niet redelijk vindt om in deze artikel 7:437 lid 3 BW toe te passen heeft zij dat niet gedaan. 4.16. De partij die de overeenkomst heeft beëindigd zonder inachtneming van de wettelijke opzegtermijn en zonder dat de wederpartij daarin toestemt, is schadeplichtig ex artikel 7:439 lid 1 BW, tenzij zij de overeenkomst doet eindigen om een dringende, aan de wederpartij onverwijld meegedeelde reden. Dringende redenen zijn omstandigheden van zodanige aard dat van de partij die de overeenkomst doet eindigen, redelijkerwijs niet gevergd kan worden de overeenkomst, zelfs tijdelijk, in stand te laten (artikel 7:439 lid 2 BW). In de wetgeschiedenis worden als voorbeelden van dringende redenen voor de principaal genoemd: faillietverklaring van de handelsagent, het aannemen van steekpenningen door de handelsagent en het inbreuk maken op bepalingen van de overeenkomst, welke de handelsagent verbieden voor eigen rekening te handelen dan wel op te treden als vertegenwoordiger van concurrerende ondernemingen. 4.17. Voor zover CMC bedoelt te stellen dat de discussie over (de hoogte van) een bonus die door haar werd toegekend, dat de samenwerking met [eiseres] niet meer zo enthousiast en prettig verliep als in voorgaande jaren en dat [eiseres] minder beschikbaar en bereikbaar was voor collega’s van CMC, dringende redenen zijn in de zin van artikel 7:439 BW overweegt de kantonrechter dat dit standpunt niet juist is. Het gestelde komt namelijk qua ernst niet in de buurt van de in de wetsgeschiedenis genoemde voorbeelden. Dit betekent dat [eiseres] op grond van artikel 7:439 BW recht heeft op schadeloosstelling wegens onregelmatige opzegging van de agentuurovereenkomst door CMC. De vraag is dan hoe hoog die schadeloosstelling dient te zijn. De hoogte van de schadeloosstelling (primaire vordering onder 2) 4.18. [eiseres] stelt dat de schade moet worden berekend over de periode van zes maanden, te weten vanaf 1 september 2022 tot 1 maart 2023. [eiseres] meent dat zij recht heeft op een vergoeding van € 5.442,33 per maand, dat is het gemiddelde van de vergoeding die zij over de twaalf maanden voorafgaand aan de verbreking van het contract op 1 september 2022 heeft ontvangen, hetgeen tot 1 maart 2023 neerkomt om € 32.653,98. 4.19. CMC stelt zich primair op het standpunt dat de vordering van [eiseres] moet worden afgewezen, mede gelet op het reeds door CMC betaalde bedrag van € 4.642,25 dan wel € 4.616,77. Subsidiair stelt CMC zich op het standpunt dat de schadeloosstelling moet worden vastgesteld op maximaal € 8.809,93. Volgens CMC moet er worden uitgegaan van een langere referentieperiode, te weten van 1 april 2018 tot 1 september 2022. [eiseres] heeft over die periode een gemiddelde vergoeding ontvangen van € 26.904,45 en per maand betreft dat een gemiddelde beloning van € 2.242,03. De vergoeding bedraagt € 13.452,18 (6 x € 2.242,03) en daarop moet het reeds door CMC betaalde bedrag van € 4.642,25 in mindering worden gebracht. 4.20. De kantonrechter stelt voorop dat bij de berekening van de schadeloosstelling ervan moet worden uitgegaan dat de agentuurovereenkomst, bij inachtneming van de wettelijke opzegtermijn, zou hebben geduurd tot 1 maart 2023. Omdat de overeenkomst met ingang van 1 september 2022 is beëindigd, is CMC aan [eiseres] een som verschuldigd gelijk aan de beloning over de tijd dat de agentuurovereenkomst bij regelmatige beëindiging had behoren voort te duren, bij de vaststelling waarvan rekening wordt gehouden met de in de voorafgaande tijd verdiende provisie en met alle ter zake in acht te nemen factoren (artikel 7:441 lid 1 BW). 4.21. Hoewel in de wet niet is vastgelegd welke referentieperiode moet worden gebruikt bij het bepalen van de ‘voorafgaande tijd’, volgt uit de rechtspraak dat het criterium van twaalf maanden vaak als richtsnoer wordt gebruikt. Ook door de wetgever is een tijdvak van twaalf maanden genoemd, zij het dat daarbij is opgemerkt “(…), omdat een tijdvak van twaalf maanden niet als enig criterium kan worden aanvaard. Er kunnen zich allerlei figuren voordoen, waarbij de toepassing daarvan onmogelijk of dwaas zou zijn. Men denke aan agentuurovereenkomsten die betreffen zeer kostbare goederen of prestaties, doch die slechts weinig talrijke transacties meebrengen: (…); het kan voorkomen dat geen enkele transactie is tot stand gebracht in de loop van de twaalf maanden die aan de verbreking voorafgingen.” (Kamerstukken II 1970-71, 11022, nr. 4, p. 24). De kantonrechter ziet op basis hiervan en de door CMC naar voren gebrachte argumenten, aanleiding om in het onderhavige geval af te wijken van een referentieperiode van twaalf maanden en uit te gaan van een langere termijn, te weten 1 april 2018 tot 1 september 2022. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt. 4.22. CMC heeft naar voren gebracht dat zij in 2021 en deels in 2022 een substantieel hogere omzet heeft gehad dan in andere jaren doordat ondernemers in de loop van 2021 een volledige focus hadden op de inzet van reclame teneinde daarmee te kunnen meeliften op de economische groei, terwijl ondernemers in 2020 juist in kosten gingen snijden en vooral op het gebied van marketing/reclame geen uitgaven meer deden. Nu [eiseres] deze stelling van CMC niet heeft weersproken, gaat de kantonrechter uit van de juistheid daarvan en dit betekent dat de door [eiseres] gehanteerde periode 31 augustus 2021 tot en met 31 augustus 2022 niet representatief is voor de gehele periode waarin zij als handelsagent actief is geweest. De kantonrechter acht het dan ook niet redelijk om die periode te hanteren als referentieperiode. 4.23. Voorts heeft CMC naar voren gebracht dat door uit te gaan van de periode 1 april 2018 tot 1 september 2022, de totale looptijd van de samenwerking, het slechte coronajaar 2020 wordt verdisconteerd en gecorrigeerd met de opbloei en uitzonderlijke omzetten in 2021 en 2022. De jaren 2018 en 2019 zijn reguliere jaren, zodat een gewogen gemiddelde ontstaat dat als representatief uitgangspunt kan dienen. Nu [eiseres] enkel heeft aangevoerd dat het niet redelijk is om een coronajaar – naar de kantonrechter begrijpt 2020 – mee te nemen in de berekening, is als onweersproken komen vast te staan dat 2018 en 2019 reguliere jaren zijn en dat het coronajaar 2020 wordt verdisconteerd en gecorrigeerd met 2021 en 2022. Ten aanzien van 2020 overweegt de kantonrechter dat [eiseres] geen omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan het niet redelijk zou zijn om dat jaar te betrekken bij de berekening, zodat aan haar stelling wordt voorbijgegaan. Dit betekent dat eveneens is komen vast te staan dat de referentieperiode van 1 april 2018 tot 1 september 2022 representatief is voor de gehele periode waarin [eiseres] als handelsagent actief is geweest en dat op die basis de schadeloosstelling kan worden berekend. 4.24. Aangezien [eiseres] de berekening van CMC over de periode 1 april 2018 tot 1 september 2022 niet heeft betwist, gaat de kantonrechter uit van de juistheid daarvan en zal de door [eiseres] gevorderde schadeloosstelling worden toegewezen tot een bedrag van € 13.452,18. Op dit bedrag zal geen € 4.642,25 dan wel € 4.616,77 in mindering worden gebracht omdat [eiseres] heeft betwist dat CMC dit heeft betaald in het kader van de door haar gedane toezegging op 1 september 2022 en CMC haar stelling verder niet heeft onderbouwd. Dit had gelet op artikel 150 Rv wel op haar weg gelegen om te doen. Daarom wordt het door CMC tijdens de mondelinge behandeling gedane bewijsaanbod gepasseerd. De klantenvergoeding (primaire vordering onder 3) 4.25. [eiseres] onderbouwt haar vordering met de stelling dat zij voor het huidige/komende jaar/de komende jaren een aantal contracten heeft gesloten met nieuwe en/of reeds bestaande klanten en dat daarmee een aanzienlijke omzet is gemoeid. Zij heeft nieuwe relaties geworven en bestaande relaties nog meer weten te binden aan CMC. Met meerdere klanten heeft zij nieuwe contracten afgesloten met meer omzet dan voorheen. [eiseres] verwijst naar productie 6 bij dagvaarding waarin zij een overzicht heeft gegeven van de partijen die in ieder geval nog een contract hebben gesloten voor 2023/2024 of van de overeenkomsten die zij heeft gesloten voor de periode na 1 september 2022. Het gaat om een omzet van in ieder geval € 114.000,00 voor CMC en dat is een aanzienlijk voordeel. Ook verwijst [eiseres] naar haar producties 9, 10 en 12. 4.26. CMC stelt zich primair op het standpunt dat een klantenvergoeding niet aan de orde is omdat geen sprake was van een agentuurovereenkomst. Subsidiair betwist CMC de hoogte van het gevorderde bedrag nu [eiseres] niet onderbouwt op welke wijze is voldaan aan de criteria van artikel 7:442 lid 1 BW. CMC stelt zich – samengevat weergegeven – op het standpunt dat geen sprake is van nieuwe klanten die door [eiseres] zijn aangebracht dan wel dat [eiseres] een aanmerkelijke uitbreiding van bestaande klanten heeft gerealiseerd, waarvan CMC nog aanzienlijke voordelen heeft. 4.27. De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [eiseres] op tijd heeft aangegeven dat zij een klantenvergoeding verlangt (artikel 7:442 lid 3 BW) en dat geen van de in artikel 7:442 lid 4 BW beschreven situaties zich hier voordoet. Beoordeeld moet dus worden of aan de in artikel 7:442 lid 1 BW vermelde criteria voor toekenning van de klantenvergoeding is voldaan. Het gaat er dan om dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.