RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/319826 / HA ZA 23-292 Vonnis bij vervroeging van 16 oktober 2024 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. M.C.L.G.J. Ruyters-Stevens, tegen [gedaagde] , te [woonplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. L.P.H. Hameleers. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1-9- de conclusie van antwoord met producties 1-5- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald - de akte wijziging van eis van [eiser] met producties 10-13 - het B-formulier van [eiser] van 19 januari 2024 met productie 14, welke productie gelijk is aan productie 13 - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 februari 2024- de mondelinge behandeling van 6 september 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] is op 5 maart 2010 als bedrijfsleider op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden van de besloten vennootschap [naam bv 1] te [vestigingsplaats] (hierna: [naam bv 1] ). [naam bv 1] is opgericht op 25 maart 2010. Van 25 maart 2010 tot 15 april 2019 was [eiser] als gezamenlijk bevoegd bestuurder van [naam bv 1] ingeschreven in de Kamer van Koophandel. Per 25 maart 2010 is [naam bv 2] bestuurder en enig aandeelhouder van [naam bv 1] (productie 4 conclusie van antwoord). [gedaagde] is bestuurder en enig aandeelhouder van [naam bv 2] . 2.2. Bij brief van 22 maart 2019 heeft het Finanzamt Kleve [eiser] aangesproken voor een totaalbedrag van € 85.446,61 aan belastingschulden 2014, 2015, 2016 en december 2017-december 2018 van [naam bv 1] (productie 2 dagvaarding). 2.3. [gedaagde] heeft een door [eiser] opgesteld document ondertekend, waarin het volgende staat: “Ich, [gedaagde] , uneingeschränkter Geschäftsführer und alleiniger Inhaber von [naam bv 1] erkläre folgendes. Herr [eiser] war als Geschäftsführer mit beschränkte Befugnisse eingetragen in dem Handelsregister (Kamer van Koophandel) weil er bei Anfang von [naam bv 1] in 2010 der einzige war mit die Lizenzen für eine Touringcar Firma. In seinem Arbeitsvertrag steht auch nicht „Geschäftsführer“ sondern „Betriebsleiter“ um damit an zu deuten dass er nicht als Geschäftsführer tätig ist. Alle Entscheidungen mit Bezug auf [naam bv 1] sind dann auch ausschliesslich nur durch mich genommen worden. Auch war er nie anwesend bei Besprechungen in sache Jarhresberichten usw. Hat diese natürlich dann auch niemals mit unterschrieben. Herr [eiser] wusste nichts von mögliche deutsche Mwst-erklärungen und die Korrespondenz darüber. Dafür übernehme ich die volle Verantwortung und Haftung. Falls gewünscht kann ich alles mit Dokumenten belegen. [plaats] den 8. April 2019 [gedaagde] “ Het document is afgedrukt op briefpapier van [naam bv 1] (productie 3 dagvaarding). 2.4. Bij brief van 22 oktober 2019 heeft het Finanzamt Kleve [eiser] aansprakelijk gesteld voor een totaalbedrag van € 56.568,53 aan belastingschulden 2014, 2015, 2016 en januari 2018-augustus 2019 van [naam bv 1] (productie 4 dagvaarding). 2.5. Op 6 februari 2023 heeft de belastingdeurwaarder een akte van betekening van een (vervangende) Europese uniforme titel en bevel tot betaling voor een bedrag van € 23.675,11 aan [eiser] betekend. De kosten van het exploot bedragen € 2.146,-- (productie 6 dagvaarding). 2.6. [eiser] heeft op 15 juni 2023 na daartoe verkregen verlof beslag gelegd op onroerende zaken van [gedaagde] , welk beslag op 16 juni 2023 is overbetekend aan [gedaagde] (productie 9 dagvaarding). 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert - na wijziging van eis - dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te voldoen al datgene waartoe [eiser] ingevolge het door de daartoe bevoegde autoriteit van Duitsland tegen [eiser] uitgevaardigde (vervangende) Europese titel is veroordeeld en wel tot betaling van een bedrag ad € 23.675,11, en de hoofdsom te vermeerderen met de kosten van het exploot van betekening ten bedrage van € 2.146,-- alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente die verschuldigd is vanaf 13 maart 2020 ad p.m., subsidiair: [gedaagde] veroordeelt tot nakoming van zijn toezegging om [eiser] ter zake de Mwst-schuld aan het Finanzamt te vrijwaren, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 35.000,- ten behoeve van eiser indien gedaagde na betekening van het ten deze te wijzen vonnis op enigerlei wijze in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen, voorts: [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding, waaronder ook de kosten van beslaglegging. 3.2. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Niet ter discussie staat dat [eiser] een belastingschuld van [naam bv 1] heeft betaald. [eiser] heeft bij akte gesteld dat hij die belastingschuld inclusief kosten tot een totaalbedrag van € 27.325,00 volledig heeft betaald. Dat heeft [gedaagde] niet (meer) betwist. De rechtbank begrijpt dat in dat totaalbedrag een som van € 1.503,89 aan rente is begrepen. Dat is immers hetgeen resteert als op het totaalbedrag het bedrag van de Europese titel (€ 23.675,11) en de kosten van het exploot (€ 2.146,--) in mindering worden gebracht. 4.2. [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] hem persoonlijk heeft gevrijwaard van de belastingschuld en daarbij verwezen naar het document dat als productie 3 bij dagvaarding was gevoegd (geciteerd onder 2.3 hiervoor, hierna: het document). [gedaagde] heeft daartegen aangevoerd dat hij het document niet heeft getekend om [eiser] te vrijwaren, maar omdat hij anders niet met het Finanzamt kon communiceren en omdat [eiser] zich anders ziek zou melden. 4.2.1. De rechtbank ziet zich daarmee gesteld voor de vraag hoe het document moet worden uitgelegd en oordeelt als volgt. [eiser] en [gedaagde] waren allebei bestuurder in (het grootste gedeelte van) de tijd waarvoor de belastingaanslagen zijn opgelegd. Beiden hadden daarom de plicht om aangifte te doen en zij zijn hoofdelijk aansprakelijk voor deze schuld(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.