RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 11110317 \ CV EXPL 24-2552 Vonnis van 6 november 2024 in de zaak van [eiser] , H.O.D.N. [handelsnaam], te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. R. Gijsen, tegen 1DOORWERK B.V., te Brunssum,2. DOORWERK B.V., IN HAAR HOEDANIGHEID VAN BEWINDVOERDER OVER DE GOEDEREN VAN [naam onderbewindgestelde], te Brunssum, gedaagde partijen, hierna samen te noemen: Doorwerk, gemachtigde: mr. F.E.L. Teerling. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald - het bericht van 19 september 2024 met producties van [eiser]- de mondelinge behandeling van 1 oktober 2024, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Doorwerk is bij beschikking van 16 november 2017 benoemd tot bewindvoerder van de goederen die (zullen) toebehoren aan [naam onderbewindgestelde] (hierna: [naam onderbewindgestelde] ). 2.2. [naam onderbewindgestelde] huurt met ingang van 1 maart 2018 van [eiser] de woning aan het adres [adres] te [plaats] . 2.3. [naam onderbewindgestelde] heeft op 18 december 2023 bij [eiser] het volgende gemeld: “Vanuit boven de badkamer lekt water naar de plafond beneden in de keuken via hotspot (lampje) en langs de keukenmuur naar de keukenkastjes waardoor de kastjes nat worden en opgeblazen zijn”. 2.4. [eiser] heeft vervolgens Doorwerk geïnformeerd over de door [naam onderbewindgestelde] gemelde lekkage en zich tegenover Doorwerk op het standpunt gesteld dat (eventuele) schade voor rekening van [naam onderbewindgestelde] komt omdat zij de badkamer deels nieuw gevoegd heeft en heeft gekit met “foute acrylaat kit” . 2.5. Bij e-mail van 2 januari 2024 heeft Doorwerk (voor zover hier van belang) als volgt gereageerd: “We begrijpen dat er nodig iets gedaan moet worden en dat er kosten zijn die op mevrouw verhaald gaan worden. Helaas is er binnen het dossier geen ruimte om kosten te kunnen betalen. Het te vorderen bedrag zal moeten worden toegevoegd aan het schuldenoverzicht van mevrouw [naam onderbewindgestelde] . Op het moment dat u kosten gaat vorderen wordt u verzocht ons te voorzien van voor en na foto’s van de schade en de bonnen van het herstel.” 2.6. [naam onderbewindgestelde] heeft in de loop der tijd vaker aan [eiser] verteld dat zij wilde verhuizen. In dat kader heeft [eiser] meermaals aan [naam onderbewindgestelde] verhuurdersverklaringen afgegeven. 2.7. Op 29 januari 2024 hebben [eiser] en Doorwerk telefonisch contact met elkaar gehad. Daarna heeft [eiser] via e-mail aan [naam onderbewindgestelde] drie data voorgesteld voor een gesprek op 30 januari, 31 januari en 1 februari 2024. Deze e-mail heeft [eiser] in cc ook aan Doorwerk verzonden. 2.8. [naam bewindvoerder] (degene die namens Doorwerk het bewind over de goederen van [naam onderbewindgestelde] uitvoert) heeft daarop laten weten niet bij die afspraak aanwezig te kunnen zijn en dat zij wel zou kunnen op 7 of 8 februari 2024. In reactie hierop heeft [eiser] medegedeeld op deze data in het buitenland te zijn. 2.9. [eiser] en [naam onderbewindgestelde] hebben vervolgens met elkaar telefonisch gesproken op 29 januari 2024. [eiser] heeft tijdens dit gesprek aan [naam onderbewindgestelde] een tegemoetkoming in de verhuiskosten aangeboden van € 1.500,00. 2.10. Na het telefoongesprek heeft [naam onderbewindgestelde] nog diezelfde dag via e-mail aan [eiser] medegedeeld dat zij de huurovereenkomst opzegt per 1 april. [naam onderbewindgestelde] heeft die e-mail ook gestuurd aan Doorwerk. 2.11. Na de opzegging heeft [eiser] diezelfde dag (op 29 januari 2024 dus): de e-mail van [naam onderbewindgestelde] doorgezonden aan Doorwerk aan [naam onderbewindgestelde] (cc aan Doorwerk) een e-mail gestuurd waarin hij een voorinspectie op 5 februari en een eindinspectie op 28 maart voorstelt 2.12. [naam onderbewindgestelde] heeft vervolgens in reactie op de e-mail met voorgestelde data via e-mail aan [eiser] medegedeeld dat zij akkoord is. 2.13. De dag erna (30 januari 2024) hebben [eiser] en [naam bewindvoerder] telefonisch met elkaar gesproken. 2.14. Bij brief van 22 maart 2024 heeft de gemachtigde van Doorwerk aan [eiser] medegedeeld dat de huurovereenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd omdat Doorwerk geen toestemming voor de opzegging gegeven heeft. 2.15. [eiser] ’ gemachtigde heeft in reactie daarop het standpunt ingenomen dat de huurovereenkomst wel rechtsgeldig is opgezegd. 2.16. [naam onderbewindgestelde] heeft de woning niet verlaten per 1 april 2024. 2.17. [eiser] heeft bij brief van 9 april 2024 Doorwerk aansprakelijk gesteld voor schade op grond van art. 1:445 BW en 6:162 BW. 2.18. Bij e-mail van 10 april 2024 heeft Doorwerk aan [eiser] medegedeeld dat zij geen aansprakelijkheid erkent. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert: I. voor recht te verklaren dat de huurovereenkomst met ingang van 1 april 2024 is geëindigd, II. Doorwerk (in haar hoedanigheid van bewindvoerder) te veroordelen het gehuurde te ontruimen en te verlaten, III. voor recht te verklaren dat Doorwerk in persoon en in haar hoedanigheid van bewindvoerder hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die aan de woning van [eiser] is ontstaan als gevolg van: a. de werkzaamheden aan de badkamer (verwijderen en opnieuw voegen en kitten met de onjuiste kit) en/of, b. het niet tijdig leeg en ontruimd opleveren van de woning door [naam onderbewindgestelde] , IV. Doorwerk in persoon en in haar hoedanigheid van bewindvoerder te veroordelen tot betaling van: a. een redelijke vergoeding voor het gebruik van de woning, vast te stellen op de laatst geldende huurprijs van € 776,00 per maand en te verhogen tot € 821,00 per maand vanaf 1 juli 2024 b. € 925,00 per maand vanaf 1 mei 2024 verminderd met de betalingen die Doorwerk op grond van IV. sub a daadwerkelijk heeft betaald, c. een voorschot op de schade van € 11.374,00 terzake de herstelwerkzaamheden aan de badkamer en de keuken, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024 (althans de dag van dagvaarding) en voor het overige op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, d. een voorschot op de schade terzake de annulering van renovatiewerkzaamheden van € 6.050,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024 (althans de dag van dagvaarding) en voor het overige op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, e. de schade terzake de opslagkosten van € 121,00 per maand vanaf 1 april 2024 tot een maand na de dag dat de woning zal zijn ontruimd en verlaten, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de eerste dag van de maand waarop de betaling verschuldigd zal zijn. f. de proceskosten en de nakosten. 3.2. Doorwerk voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, nader ingegaan worden. 4De beoordeling 4.1. De kantonrechter dient in dit geding te beoordelen of de huurovereenkomst door opzegging is geëindigd en of Doorwerk in haar hoedanigheid van bewindvoerder en in persoon schade aan [eiser] dient te vergoeden. De kantonrechter is van oordeel dat de overeenkomst niet door opzegging is geëindigd. Verder is de kantonrechter van oordeel dat Doorwerk (uitsluitend in haar hoedanigheid van bewindvoerder) een voorschotbedrag van € 500,00 aan schade aan [eiser] dient te vergoeden. Hoe de kantonrechter tot dat oordeel is gekomen zal hieronder uitgelegd worden. geen einde huurovereenkomst 4.2. De goederen van [naam onderbewindgestelde] zijn onder bewind gesteld. Het gevolg hiervan is – kort gezegd – dat [naam onderbewindgestelde] niet zonder toestemming/medewerking van haar bewindvoerder, Doorwerk, een rechtshandeling kan verrichten. De opzegging van de huurovereenkomst is een rechtshandeling. 4.3. [eiser] heeft niet aangetoond dat [naam onderbewindgestelde] de huurovereenkomst met toestemming/medewerking van Doorwerk opgezegd heeft. 4.3.1. [eiser] stelt in dat verband dat Doorwerk wist wat er op 29 januari 2024 besproken zou worden, namelijk de wens van [naam onderbewindgestelde] om de huur op te zeggen. [eiser] stelt dat Doorwerk liet weten niet bij het gesprek aanwezig te kunnen zijn. De kantonrechter vindt dat uit dit betoog niet blijkt van toestemming/medewerking van Doorwerk. Doorwerk heeft slechts laten weten niet bij het gesprek aanwezig te kunnen zijn en heeft alternatieve data voorgesteld. Zelfs als Doorwerk wist dat bij dit gesprek de mogelijke beëindiging van de huurovereenkomst aan de orde zou komen, kan [eiser] uit de afmelding van Doorwerk niet de conclusie trekken dat Doorwerk akkoord was met een opzegging van de huurovereenkomst. Uit de omstandigheid dat Doorwerk alternatieve data voorstelde, kan eerder worden afgeleid dat zij bij het gesprek aanwezig wilde zijn. 4.3.2. [eiser] stelt ook dat hij tijdens het telefoongesprek van 29 januari 2024 met Doorwerk heeft gezegd dat hij bereid was de schade aan de badkamer voor eigen rekening te nemen en dat hij daarnaast € 1.500,00 aan verhuiskostenvergoeding aanbood. Volgens [eiser] is Doorwerk daarmee akkoord gegaan. Omdat Doorwerk dit betwist en [eiser] zijn stelling op dit punt niet nader heeft kunnen onderbouwen, is niet vast komen te staan dat Doorwerk tijdens dit telefoongesprek heeft ingestemd met een opzegging van de huurovereenkomst door [naam onderbewindgestelde] . 4.3.3. [eiser] wist dat de goederen van [naam onderbewindgestelde] onder bewind zijn gesteld. In dat verband heeft [eiser] op 29 januari 2024 Doorwerk van de opzegging en de verdere afhandeling (voorinspectie en oplevering) in kennis gesteld. Hij heeft echter niet gevraagd of Doorwerk instemde met de opzegging. 4.3.4. Vast staat dat [naam bewindvoerder] (van Doorwerk) en [eiser] elkaar telefonisch hebben gesproken op 30 januari 2024. Partijen zijn het er niet over eens wat toen gezegd is. Volgens [eiser] heeft hij gevraagd of Doorwerk de opzegging had ontvangen en heeft [naam bewindvoerder] dat bevestigd. Ook stelt [eiser] gezegd te hebben dat hij wilde dat geen andere personen op het adres ingeschreven stonden en dat [naam bewindvoerder] toen niet heeft gezegd dat de opzegging buiten haar om of zonder haar instemming was gedaan. Doorwerk heeft een geheel andere lezing over de inhoud van dit telefoongesprek. Volgens Doorwerk heeft [naam bewindvoerder] gezegd niet in te stemmen met de opzegging. Gelet op deze gemotiveerde betwisting van de zijde van Doorwerk is niet komen vast te staan wat partijen besproken hebben. Hierdoor kan uit het feit dat partijen op 30 januari 2024 telefonisch contact hebben gehad niet afgeleid worden dat Doorwerk de gestelde toestemming/medewerking verleend heeft. Maar zelfs als het gesprek is verlopen op de wijze als [eiser] gesteld heeft, kan de kantonrechter daaruit niet de conclusie trekken dat Doorwerk met de opzegging instemde. Uit [eiser] ’ lezing blijkt namelijk niet dat [naam bewindvoerder] op 30 januari 2024 heeft ingestemd, want volgens [eiser] heeft [naam bewindvoerder] simpelweg niets gezegd toen over de opzegging werd gesproken. Daaruit valt geen instemming/toestemming af te leiden. 4.3.5. Het eerstvolgende contact tussen partijen heeft plaatsgevonden door middel van de brief van 22 maart 2024 waarin Doorwerk aan [eiser] medegedeeld heeft dat de huuropzegging ongeldig was. Het enkele (gestelde) feit dat Doorwerk nadat zij eind januari 2024 van de opzegging op de hoogte werd gesteld tot 22 maart 2024 niet gereageerd zou hebben, maakt nog niet dat zij daardoor (stilzwijgend) heeft ingestemd/toegestemd met de opzegging. [eiser] heeft daar ook niet gerechtvaardigd op mogen vertrouwen. Hij had expliciet aan Doorwerk moeten vragen of zij met de opzegging instemde. 4.4. Aangezien [eiser] er niet in is geslaagd aan te tonen dat [naam onderbewindgestelde] met medewerking/toestemming van Doorwerk de huurovereenkomst opgezegd heeft, is deze opzegging ongeldig. Die ongeldigheid zou slechts geen werking jegens [eiser] hebben als hij niet op de hoogte was van het bewind. [eiser] was echter wel daarvan op de hoogte (zie art. 1:439 lid 1 BW). 4.5. Uit het voorgaande volgt dat de in onderdeel I gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen. 4.6. Omdat de huurovereenkomst tussen [eiser] en [naam onderbewindgestelde] niet is geëindigd, is er geen grond om Doorwerk te veroordelen het gehuurde te ontruimen en te verlaten. Onderdeel II van [eiser] ’ vordering wordt dus eveneens afgewezen. niet toewijsbare (schade)vergoeding 4.7. De huurovereenkomst tussen [naam onderbewindgestelde] en [eiser] is niet geëindigd. De gevorderde verklaring voor recht dat Doorwerk aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het niet tijdig leeg en ontruimd opleveren van de woning (onderdeel III sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.