← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2024:8400

RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: C/03/325185 / HA ZA 23-534 Vonnis van 20 november 2024 (bij vervroeging) in de zaak van 1VDH WAREHOUSING & LOGISTICS B.V., te Dirksland,

  1. TVM VERZEKERINGEN N.V., te Hoogeveen, eisende partijen, hierna afzonderlijk te noemen VDH respectievelijk TVM en samen te noemen: VDH c.s. advocaat: mr. M. Spanjaart, tegen 1 [bedrijfsnaam] LOGISTICS B.V., te Venlo,
  2. [bedrijfsnaam] HOLDING B.V., te Venlo, gedaagde partijen, hierna afzonderlijk te noemen [gedaagde sub 1] respectievelijk [gedaagde sub 2] en samen te noemen: [gedaagden] advocaat: mr. V.R. Pool. 1De procedure 1.
  3. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 5- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2 - de akte overlegging producties 6 tot en met 13 van VDH c.s.- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald - de mondelinge behandeling van 5 november 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Daarbij waren aanwezig: namens VDH c.s.: de heer mr. J. Mulder (advocaat in dienst van TVM), bijgestaan door mr. Spanjaart voornoemd, namens [gedaagden] : [bedrijfsjurist] (bedrijfsjurist bij [groep X] ), [medewerker] (hierna [medewerker] , onderdeel van het managementteam van [gedaagden] , bijgestaan door mr. W. Van den Nouland en mr. T.L. van Dongen. - de spreekaantekeningen van VDH c.s. - de spreekaantekeningen van [gedaagden] 1.
  4. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
  5. VDH is een logistieke dienstverlener die in opdracht op- en overslag en transporten verzorgt. TVM is haar aansprakelijkheidsverzekeraar. 2.
  6. [gedaagden] zijn onderdeel van [groep X] . [gedaagde sub 1] is logistiek dienstverlener. 2.
  7. VDH (in de persoon van [naam X] ) en [gedaagde sub 1] (in de persoon van [medewerker] ) zijn in september 2022 met elkaar in gesprek gegaan over een samenwerking. 2.
  8. Op of omstreeks 14 september 2022 heeft VDH aan [gedaagde sub 1] opdracht gegeven om het vervoer van een lading zonnepanelen over de weg te verzorgen van Venlo naar Nenzing, Oostenrijk. 2.
  9. [gedaagde sub 1] heeft LOF Logistiek en Expeditie (hierna: LOF) opdracht gegeven tot het vervoeren van de lading zonnepanelen en LOF heeft op haar beurt deze opdracht (al dan niet deels) uitbesteed aan EMS – Intern, Spedition und Transport GmbH (hierna EMS). 2.
  10. Op 15 september 2022 is de lading zonnepanelen in Venlo in ontvangst genomen. Op de vrachtbrief staat EMS als vervoerder ingevuld (vakje 16). De lading zonnepanelen is echter nooit in Oostenrijk aangekomen. 2.
  11. TVM heeft een onderzoek gedaan. De conclusie is dat LOF, althans iemand die zich daarvoor uitgaf, de goederen heeft gestolen/verduisterd. 2.
  12. De zonnepanelen met kabels waren door [Duits bedrijf] GmbH & Co KG (hierna [Duits bedrijf] ) verkocht aan SST GmbH voor € 116,064,
  13. Voor de waarde exclusief de kabels (die waren niet verloren gegaan) heeft [Duits bedrijf] op 8 november 2022 een schadefactuur voor een bedrag van € 104.083,20 aan VDH gezonden. VDH heeft op 8 december 2022 deze factuur aan [Duits bedrijf] betaald. TVM heeft - onder aftrek van € 23.316,64 voor het eigen risico - deze schade aan VDH onder de verzekeringspolis vergoed. 3Het geschil 3.
  14. VDH c.s. vordert samengevat [gedaagden] te veroordelen tot betaling aan VDH c.s. van € 104.083,20, vermeerderd met de CMR-rente vanaf 15 september 2022, de kosten van expertise van € 1.867,50 en de proceskosten, vermeerderd met rente. 3.
  15. VDH c.s. legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagden] op grond van artikel 17 CMR aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het verlies van de goederen tijdens het internationale vervoer over de weg. Volgens VDH c.s. is geen sprake van beperkte aansprakelijkheid op grond van artikel 23 CMR omdat de vordering onder de CMR-limiet blijft (en overigens omdat de verduistering opzet is in de zin van artikel 29 CMR). 3.
  16. [gedaagden] betwist primair dat sprake is van een vervoerovereenkomst en daarmee dat de CMR van toepassing is. Zij stelt dat sprake is van een expeditie-overeenkomst en betwist dat zij als expediteur is tekortgeschoten in haar verplichting om een vervoerovereenkomst met een vervoerder te sluiten. Subsidiair heeft [gedaagde sub 1] aangevoerd dat ook als sprake is van een vervoerovereenkomst er geen sprake is van schade die zij aan VDH zou moeten vergoeden. 3.
  17. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling Bevoegdheid en toepasselijk recht 4.
  18. Het onderhavig geschil heeft een internationaal karakter omdat er een lading zonnepanelen is verdwenen tijdens een transport van Nederland naar Oostenrijk. Daardoor moet ambtshalve getoetst worden of deze rechtbank bevoegd is kennis te nemen van het geschil. 4.
  19. Partijen verschillen van mening over de vraag of zij een vervoerovereenkomst met elkaar hebben gesloten of een expeditie-overeenkomst. Het antwoord op die vraag is ook van belang om vast te stellen welk toetsingskader voor de bevoegdheid tot uitgangspunt moet worden genomen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een expeditie-overeenkomst. Hieronder (onder het kopje “vervoer of expeditie”) zal dat oordeel nader worden gemotiveerd. 4.
  20. Omdat er sprake is van een expeditie-overeenkomst tussen twee Nederlandse partijen, waarbij heeft te gelden dat zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] is gevestigd te Venlo, is de rechtbank van oordeel dat zij op grond van artikel 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd is kennis te nemen van onderhavig geschil. 4.
  21. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen desgevraagd verklaard dat - ingeval de rechtbank uitgaat van een expeditie-overeenkomst (hetgeen het geval is) - zij het erover eens dat dat de Nederlandse Expeditievoorwaarden van de Nederlandse Organisatie voor Expeditie en Logistiek (FENEX) van toepassing zijn (met uitsluiting van de arbitrageclausule in artikel 23). Partijen zijn het er voorts over eens dat Nederlands recht van toepassing is op grond van een rechtskeuze hiervoor opgenomen in deze FENEX-voorwaarden. De contractspartijen 4.
  22. VDH c.s. heeft in de dagvaarding haar vorderingen ingesteld tegen zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] . VDH c.s. heeft op zitting haar vorderingen jegens [gedaagde sub 2] ingetrokken, omdat partijen het erover eens zijn dat VDH slechts met [gedaagde sub 1] heeft gecontracteerd. VDH c.s. heeft daarom geen belang meer bij een beoordeling en beslissing op haar vorderingen zoals aanvankelijk ingesteld tegen [gedaagde sub 2] . Vervoer of expeditie? 4.
  23. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de contractuele rechtsverhouding tussen VDH en [gedaagde sub 1] een vervoerovereenkomst is of een expeditie-overeenkomst. 4.
  24. De rechtbank stelt voorop dat het antwoord op de vraag of VDH met [gedaagde sub 1] een expeditie-overeenkomst of een vervoerovereenkomst heeft gesloten volgens vaste jurisprudentie moet worden gevonden in de uitleg van de gesloten overeenkomst, waarbij het aankomt op de zin die de partijen bij de overeenkomst onder de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Een opdrachtnemer die niet als vervoerder maar als expediteur wil overtreden, moet dat bij het aangaan van de overeenkomst voldoende duidelijk aan zijn wederpartij kenbaar maken. Doet hij dat niet, dan wordt in beginsel aangenomen dat de overeenkomst een vervoerovereenkomst is. 4.
  25. VDH c.s. stelt zich op het standpunt dat [gedaagde sub 1] is opgetreden als vervoerder van VDH. 4.8.
  26. VDH stelt in dat kader dat zij met [gedaagde sub 1] in september 2022 in eerste instantie in gesprek raakte over transporten van zonnepanelen van de haven te Rotterdam naar Venlo ter opslag. Daarna werd in de gesprekken en in een e-mail aangegeven dat [gedaagde sub 1] ook zonnepanelen van Venlo naar eindafnemers kon vervoeren. In de mail van 7 september 2022 te 13.38 uur schrijft [gedaagde sub 1] (in de persoon van [medewerker] ): “Verder is benoemd dat we ook de last-mile transporten richting eindklanten kunnen aanbieden”. Daarmee heeft [gedaagde sub 1] zich volgens VDH c.s. gepresenteerd als vervoerder. Dat het om vervoer gaat blijkt ook uit het noemen van een vast all-in tarief voor de vracht genoemd in de opdrachtbevestiging en het spreken over “transporten” daarin. Voor het onderhavige transport heeft [gedaagde sub 1] geen factuur gestuurd, maar alle andere facturen die VDH van [gedaagde sub 1] heeft ontvangen vermelden ook steeds een “all in” prijs voor “transport”. Uit dit alles blijkt volgens VDH c.s. dat sprake is van een vervoerovereenkomst. 4.
  27. [gedaagde sub 1] is van mening dat zij is opgetreden als expediteur en dat zij zich ook als zodanig bij het aangaan van de overeenkomst jegens VDH heeft gepresenteerd. 4.9.
  28. Tijdens de zitting heeft [medewerker] hierover verklaard dat hij namens [gedaagde sub 1] in september 2022 de telefonische gesprekken en ook een fysiek gesprek met [naam X] van VDH heeft gevoerd die tot de samenwerking tussen VDH en [gedaagde sub 1] hebben geleid. Volgens [medewerker] waren zij beiden goede bekenden van elkaar in de kleine logistieke wereld. Daardoor wisten zij over en weer heel goed wat ze deden in de markt: [naam X] wist dat [gedaagde sub 1] net als VDH een expeditiebedrijf was wat ook aan warehousing (opslag) deed. Er is dan ook tussen hen gesproken over het aangaan van een samenwerking waarbij het idee was dat Cabooter Logistisc een soort verlenging in het oosten zou zijn van de expeditie die VDH in het westen deed, aldus [medewerker] . 4.9.
  29. Ook uit een whatsapp gesprek tussen [medewerker] en [naam X] blijkt volgens [gedaagde sub 1] dat expeditie werd aangeboden. [medewerker] appte namelijk op 7 september 2022 om 12.44 uur aan VDH: “We kunnen ook bieden op de last leg, daar we een expeditie afdeling hebben die zich bezig houdt met FTL/PTL [lees: full truck loads/part truck loads]”. De mail die [medewerker] ongeveer een uur later heeft verstuurd en waarnaar VDH verwijst met de inhoud: “Verder is benoemd dat we ook de last-mile transporten richting eindklanten kunnen aanbieden”, moet in samenhang met deze app worden gelezen. Dan is volgens [gedaagde sub 1] duidelijk dat het gaat om een aanbod tot expeditie. 4.9.
  30. Verder blijkt het bestaan van een expeditie-overeenkomst volgens [gedaagde sub 1] ook uit een verwijzing daarnaar onderaan de diverse facturen die Cabooter Logistisc in het kader van de samenwerking naar VDH heeft gestuurd. Op de facturen van [gedaagde sub 1] staat namelijk vermeld: “Op al onze werkzaamheden zijn, afhankelijk van de aard van de aard van de werkzaamheden , naast de Transport en Logistiek Nederland algemene Betalingsvoorwaarden van toepassing:
  31. Voor Expeditie: De Nederlandse Expeditievoorwaarden van den Nederlandse Organisatie voor Expeditie en Logistiek (FENEX) met uitsluiting van artikel 23 (arbitrageclausuele) Nederlands recht is van toepassing. De rechtbank te Roermond is de bevoegde rechter.Wij treden enkel en uitsluitend op als Expediteur. Commissie is in de prijs inbegrepen.
  32. Voor opslag: (…)
  33. Voor Physical Distribution (…) Voor alle genoemde voorwaarden geldt dat steeds de laatst gedeponeerde versie van toepassing is.” 4.9.
  34. Tot slot voert [gedaagde sub 1] nog aan dat [groep X] zich op haar website als organisator van vervoer presenteert en niet als vervoerder. Zij geeft op haar website uitdrukkelijk aan dat zij werkt met een netwerk van vervoerders, aan wie zij de opdrachten uitbesteedt. Ter zitting heeft [gedaagde sub 1] verder nog verklaard dat in het handelsregister alleen is vermeld dat zij zich met expeditiewerkzaamheden bezig houdt en dat ze zelf ook geen vrachtwagens of chauffeurs in dienst heeft (behoudens een trekker die speciaal is aangeschaft om een werknemer aan het werk te houden, die alleen van en naar een railterminal rijdt). Op de door [gedaagde sub 1] overgelegde screenshots van haar website is een foto afgebeeld van een trekker met trailer waarop groot “ [bedrijfsnaam] ” staat vermeld, maar dat is niet meer dan een reclame-uiting, aldus [gedaagde sub 1] . 4.
  35. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 1] bij het aangaan van de overeenkomst duidelijk aan VDH kenbaar heeft gemaakt dat zij als expediteur wilde optreden. Daarvoor vindt de rechtbank van doorslaggevend belang wat [medewerker] hierover ter zitting onweersproken heeft gesteld over zijn verhouding tot [naam X] en wat in het hiervoor geciteerde whatsappbericht van 7 september 2022 duidelijk staat, namelijk dat vanuit [gedaagde sub 1] wordt aangeboden om hun expeditieafdeling de “last leg” oftewel de “last-mile” oftewel “het laatste stukje transport” naar de eindafnemer te laten regelen. De printscreen van dit Whatsapp bericht is tijdens de mondelinge behandeling getoond aan de rechter en aan VDH c.s. en VDH c.s. heeft het bestaan van het bericht daarop niet weersproken. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat dit bericht door [gedaagde sub 1] aan VDH is verstuurd. Het e-mailbericht van ongeveer een uur later diezelfde dag bouwt voort op het whatsappbericht zodat bij het aanbieden van ‘de last-mile transporten richting eindklanten’ wordt gedoeld op expeditie. Dit aanbod tot expeditie is vervolgens door VDH aanvaard doordat zij daartoe op of omstreeks 13 september 2022 een opdracht heeft gegeven. Als zij het expeditie-aanbod van [gedaagde sub 1] niet had willen aanvaarden, had zij dat daarbij duidelijk moeten vermelden. Het vermelden in de onderwerpregel “uitgaande transporten” is daartoe onvoldoende, omdat dit net zo goed kan slaan op het expeditie-aanbod. Voor die uitvoering – het feitelijke vervoer – heeft [gedaagde sub 1] derden (LOF) ingeschakeld die de lading zonnepanelen door een (onder)vervoerder heeft laten ophalen. 4.
  36. De overige omstandigheden van het geval zijn omstandigheden die niet van doorslaggevend belang zijn voor de vraag of er sprake is van expeditie of vervoer. Het hanteren van een “all in” prijs en het gebruik van het woord “transport” kan zowel bij expeditie als bij vervoer en is in die zin niet van doorslaggevend belang. Ook de omschrijving van de handelsactiviteiten van een bedrijf op haar website en bij de kamer van koophandel is niet van doorslaggevend belang, al wijzen beide in dit geval op expeditie. Wat verder nog wijst op expeditie is dat [gedaagde sub 1] nadien consequent heeft herhaald – althans in ieder geval op haar facturen – dat zij enkel en uitsluitend optrad als expediteur, de commissie in de prijs was inbegrepen en dat de Fenex-condities van toepassing waren, welke rekeningen door VDH daarna telkens zonder kritiek op die duiding/omschrijving werden voldaan. Pas toen onderhavig geschil ontstond is bezwaar gemaakt tegen de expediteurshoedanigheid van [gedaagde sub 1] . Slotsom 4.
  37. De conclusie moet zijn dat VDH c.s. het bestaan van de door haar gestelde vervoerovereenkomst, tegenover de gemotiveerde betwisting door VDH dat er sprake is van een expeditie-overeenkomst, onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat partijen een expeditie-overeenkomst met elkaar hebben gesloten. De dwingendrechtelijke regels van de het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (CMR) zijn daarom niet van toepassing. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde sub 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de expeditieovereenkomst, zodat een grondslag voor toewijzing van de vorderingen van VDH c.s. ontbreekt. De vorderingen van VDH c.s. zullen om die reden worden afgewezen. Het debat over de vorderingsgerechtigdheid van enerzijds VDH en anderzijds TVM behoeft om die reden geen bespreking meer. De proceskosten 4.
  38. VDH c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde sub 1] worden begroot op: - griffierecht € 5.737,00 - salaris advocaat € 3.858,00 (2 punten × € 1.929,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 9.773,00 5De beslissing 5.
  39. wijst de vorderingen van VDH c.s. af, 5.
  40. veroordeelt VDH c.s. in de proceskosten van [gedaagde sub 1] ter hoogte van € 9.773,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als VDH c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 5.
  41. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr A.M. Koster-van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 20 november
  42. SS ECLI:NL:GHAMS:2020:2624

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.