← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2024:8607

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer: 03.138652.22 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 november 2024 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1999, gedetineerd in [naam PI] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.J.H.M. de Crom, mr. M.H.A. Horsch en mr. T. Straten, advocaten, kantoorhoudende te Maastricht. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 14, 15, 16 en 18 oktober 2024. Aan de inhoudelijke behandeling zijn tien pro-formazittingen voorafgegaan. Het onderzoek ter terechtzitting is formeel gesloten op 27 november 2024, waarna meteen uitspraak is gedaan. De verdachte is bij de inhoudelijke behandeling en de uitspraak aanwezig geweest, bijgestaan door zijn advocaten. De officieren van justitie hebben hun eis geformuleerd en de advocaten hebben de verdediging gevoerd. Verder zijn de gedragsdeskundigen van het Pieter Baan Centrum (hierna: het PBC) die over de verdachte hebben gerapporteerd gehoord. Nabestaanden van [slachtoffer 1] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in dit proces en hebben schadevergoedingen gevorderd van de verdachte. Nabestaanden [naam zus 1 slachtoffer 1] en [naam zus 2 slachtoffer 1 ] hebben gebruik gemaakt van hun spreekrecht. Het slachtoffer van de misbruikzaak uit 2018/2019, [slachtoffer 2] , heeft zich ook als benadeelde partij gevoegd en een schadevergoeding gevorderd. Dit slachtoffer heeft ook gebruik gemaakt van het spreekrecht. De benadeelde partijen werden bijgestaan door mr. P.G.J.M. Boonen, mr. F.W. Oehlen, mr. A.F.G. Pennino en mr. A.P.M. Janssen (advocaten van de nabestaanden van [slachtoffer 1] ) en mr. K.D. Regter (advocaat van [slachtoffer 2] ). 2De tenlastelegging Het betreft het onderzoek naar de verdwijning in Kerkrade van de 9-jarige [slachtoffer 1] , die op 1 juni 2022 zoek raakte en op 4 juni 2022 dood werd gevonden in Geleen. In dit vonnis zal hierna alleen de voornaam worden gebruikt van het slachtoffer. De zaak gaat tevens over het bezit en verspreiden van kinderporno en het seksueel misbruik van een andere minderjarige in de periode van 8 december 2018 tot en met 9 maart 2019. Van dat misbruik werd een video gemaakt. De volledige tenlastelegging is als Bijlage I aan dit vonnis gehecht. Aan de verdachte zijn 8 verwijten gemaakt. De feiten 1 tot en met 5 hebben betrekking op [slachtoffer 1] en komen er, kort gezegd, op neer dat de verdachte: [slachtoffer 1] heeft ontvoerd; [slachtoffer 1] MDMA (xtc) en sildenafil (de werkzame stof in Viagra) heeft laten innemen en hem daardoor zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht; [slachtoffer 1] seksueel heeft misbruikt; [slachtoffer 1] al dan niet met voorbedachten rade heeft gedood; het lichaam van [slachtoffer 1] heeft verborgen in een achtertuin van een woning. Onder de feiten 6 tot en met 8 is aan de verdachte - kort gezegd - tenlastegelegd dat hij een gewoonte heeft gemaakt van het bezitten en verspreiden van kinderporno en dat hij kinderporno heeft vervaardigd, door heimelijk een video te maken waarop te zien is dat een slapende of bewusteloze minderjarige, het slachtoffer [slachtoffer 2] , door de verdachte wordt betast. Dat laatste levert ook het verwijt van seksueel misbruik van deze minderjarige op. 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie Ter zake van de feiten 1 tot en met 5: de feiten in relatie tot [slachtoffer 1] De officieren van justitie achten bewezen de verdachte op 1 juni 2022 [slachtoffer 1] in Kerkrade ontvoerd en meegenomen naar zijn woning in Geleen. Daar heeft de verdachte [slachtoffer 1] zwaar mishandeld door hem te dwingen pillen in te nemen die MDMA en sildenafil bevatten. De verdachte heeft [slachtoffer 1] seksueel misbruikt door met zijn penis anaal bij [slachtoffer 1] binnen te dringen en vervolgens heeft hij [slachtoffer 1] vermoord door hem met een kussen te verstikken/smoren. Tot slot heeft de verdachte het lichaam van [slachtoffer 1] verborgen in de achtertuin van een afgebrande woning. Ter zake van de feiten 6 tot en met 8: kinderporno en ontucht met een minderjarige De officieren van justitie achten verder bewezen dat de verdachte jarenlang, vanaf 13 december 2018 tot en met 4 juni 2022, kinderporno in bezit heeft gehad en ook bij herhaling kinderporno heeft verspreid. Ook heeft de verdachte kinderporno gemaakt en daarvoor een jongen, slachtoffer [slachtoffer 2] , seksueel misbruikt toen deze sliep. [slachtoffer 2] was toen nog geen 18 jaar. Het misbruik moet hebben plaatsgevonden in de periode van 8 december 2018 tot en met 9 maart 2019. 3.2 Het standpunt van de verdediging Ter zake van de feiten 1 tot en met 5: de feiten in relatie tot [slachtoffer 1] De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte een gedetailleerde en op een groot aantal punten bekennende verklaring heeft afgelegd en dat zijn verklaringen, afgelegd in het 7e en 8e verhoor, kunnen worden gevolgd. Dat betekent dat bewezen kan worden dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft ontvoerd, seksueel heeft misbruikt, MDMA en sildenafil heeft laten innemen en dat hij [slachtoffer 1] heeft gedood, waarna hij diens lichaam heeft verborgen in de tuin van een woning in Geleen. De verdediging heeft beargumenteerd waarom er geen sprake is geweest van moord, maar ‘alleen’ van doodslag door het smoren/verstikken van [slachtoffer 1] met een kussen. Voorts kan naar het oordeel van de verdediging niet bewezen worden dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de inname van MDMA en sildenafil. Ter zake van de feiten 6 tot en met 8: kinderporno en ontucht met een minderjarige Deze feiten heeft de verdachte bekend en voor het gepleegd hebben van deze feiten bestaat ook ander bewijs, zij het dat volgens de verdediging niet bewezen kan worden dat de verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het verspreiden van kinderporno. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Vooraf: De rechtbank zal hierna uiteenzetten welke vaststellingen zij kan doen op basis van de bewijsmiddelen die als bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen. Een belangrijk bewijsmiddel in deze zaak zijn de verklaringen van de verdachte zelf. De verdachte heeft uitgebreide verklaringen afgelegd en veel tot in detail verteld. De verdachte is 12 keer door de politie verhoord en ook ter terechtzitting heeft hij een verklaring afgelegd. De beoordeling van de verklaringen van de verdachte in het licht van de feiten 6,7 en 8: Ter zake van de feiten 6, 7 en 8 (het bezit, verspreiden en maken van kinderporno en het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer 2] ) geldt dat het dossier voldoende objectief bewijs bevat dat steun biedt aan de bekennende verklaring van verdachte. Op zijn gegevensdragers is immers kinderporno aangetroffen, waaronder een door de verdachte vervaardigde video waarop te zien is dat hij [slachtoffer 2] seksueel betast. Deze drie feiten zal de rechtbank dan ook bewezen verklaren. De verdachte heeft in de bewezenverklaarde periode van 13 december 2018 tot en met 4 juni 2022, dus gedurende een periode van bijna 3,5 jaar, op diverse telefoons en een laptop in totaal 12.902 kinderpornografische afbeeldingen in zijn bezit gehad, waarmee de verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het bezit van kinderporno. Hoewel de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen kan vaststellen dat de verdachte in die periode ook kinderporno heeft verspreid, heeft dit niet op zodanige schaal en omvang plaatsgevonden dat ten aanzien van dit verspreiden gesproken kan worden van een ‘gewoonte maken’. De verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook partieel worden vrijgesproken. De beoordeling van de verklaringen van de verdachte in het licht van de zaak [slachtoffer 1]: In relatie tot de feiten die over [slachtoffer 1] gaan, zijn de verklaringen van de verdachte meer problematisch. De verdachte heeft namelijk in zijn in totaal 12 afgelegde verklaringen wisselend verklaard en heeft daarbij – ook naar eigen zeggen – vaak gelogen en allerlei details verzonnen. De verdachte heeft uiteenlopende versies voorgespiegeld van wat er zou zijn gebeurd. Hij blijkt volgens de gedragsdeskundigen van het PBC bovendien verhoogd suggestibel en kan dus mogelijk dingen bevestigen die niet waar zijn. Ook heeft de verdachte bij herhaling laten blijken rekening te houden met zijn eigen belangen en – juridisch verwoord – proces-strategische afwegingen gemaakt. Zo bespreekt de verdachte in opgenomen gesprekken met zijn toenmalige vriendin diverse keren wat zij zou moeten zeggen tegen de politie en tegen het PBC over zijn drugsgebruik. Als de verdachte gebruik weet te maken van een telefoonkaart van een medegedetineerde en denkt dat hij niet afgeluisterd wordt, geeft hij haar in verschillende gesprekken op 14 en 15 juli 2022 mee dat zij een eerder door haar afgelegde verklaring kan wijzigen. Zij zou, zo houdt de verdachte haar voor, kunnen verklaren dat het haar achteraf is opgevallen dat hij die woensdag (de rechtbank begrijpt: op 1 juni 2022) grote ogen had en ze daaraan zag dat hij iets gebruikt had, ook al heeft zij eerder verklaard dat zij niets aan hem gemerkt had. Ook in het kader van het onderzoek in het PBC wil hij dat zij daar wat over zegt. Zij antwoordt overigens dat zij niet gaat liegen. Deze aanwijzingen of suggesties aan zijn (thans) ex-vriendin houden verband met een specifiek deel van de verklaringen van de verdachte. De verdachte heeft als rode draad door vrijwel al zijn verklaringen benadrukt dat hij excessief drugs had gebruikt op 1 juni 2022. Voorafgaand aan de opmerking tegen zijn toenmalige vriendin, vertelde de verdachte aan haar dat hij begrepen heeft dat het Openbaar Ministerie mogelijk moord ten laste zal leggen en dat dit betekent dat hij misschien wel levenslang zal krijgen. Deze gesprekken met zijn (toenmalige) vriendin laten naar het oordeel van de rechtbank zien dat de verdachte probeert de zaak in zijn voordeel te manipuleren. De verdachte zegt verder tijdens een getapt telefoongesprek op 1 juli 2022: “Kijk, het kan twee kanten opgaan. De ene kant is het van eh… kan ik alles op tafel gooien wat ik nog weet, maar dan heb ik een… ja…heel groot probleem. En ik kan ook met de advocaten nu kijken zodat ik nog een toekomst heb.” En op 6 juli 2022, een dag voor zijn 5e verhoor, zegt de verdachte tegen zijn toenmalige vriendin: “Er is een plan. Maar dat is niet het volledige. Bepaalde dingen moet ik open gaan gooien.” In zijn daarop volgende 5e verhoor legt de verdachte een uitgebreide verklaring af. Tijdens zijn 6e verhoor, afgelegd op 26 juli 2022, komt hij echter voor een deel terug op die 5e verklaring. Tijdens dat 6e verhoor confronteren verbalisanten de verdachte meermaals met onderzoeksbevindingen die in hun ogen niet lijken te stroken met de door de verdachte op dat moment afgelegde verklaring. Een dag na zijn 6e verhoor, op 27 juli 2022, zegt de verdachte tegen zijn toenmalige vriendin dat de politie zo veel weet dat hij het beter zelf al kan zeggen. Kennelijk op basis van die conclusie start de verdachte tijdens zijn 7e verhoor met aan te geven dat hij wil terugkomen op dingen die hij eerder heeft verklaard en dat hij soms heeft gelogen uit schaamte. De verdachte legt dan in zijn 7e verhoor op 6 september 2022 een zeer uitgebreide en gedetailleerde verklaring af. Dat doet hij nogmaals in zijn 8e verhoor een dag later, op 7 september 2022. De verdachte start die 8e verklaring met mee te delen dat hij dingen wil aangeven die anders zijn gelopen, dat hij nu gaat proberen om het hele verhaal te vertellen hoe het wel is gebeurd, dat hij eerder uit schaamte dingen niet heeft verteld of heeft achtergehouden en dat het tot aan de woning is gegaan zoals hij gisteren (naar de rechtbank begrijpt: in zijn 7e verhoor) heeft verteld. In de daaropvolgende 4 laatste verhoren heeft de politie ingezoomd op bepaalde onderdelen van de eerder door de verdachte afgelegde verklaringen. In deze verklaringen is de verdachte niet teruggekomen op zijn verklaringen van het 7e en 8e verhoor en ook ter terechtzitting heeft de verdachte daar nadrukkelijk naar verwezen. Al met al blijft het, zoals door de deskundigen van het PBC ook wordt gerapporteerd, moeilijk een inschatting te maken of de uitspraken van verdachte waarheidsgetrouw zijn en of hij wel het achterste van zijn tong heeft laten zien. Dat maakt dat de rechtbank de verklaringen van de verdachte met behoedzaamheid beschouwt en grote waarde hecht aan objectief ander bewijs. Alles overziende, leidt dit andere, objectieve, bewijs de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte (grotendeels) gevolgd kan worden in hetgeen hij in zijn 7e verklaring naar voren heeft gebracht over hetgeen heeft plaatsgevonden tot [slachtoffer 1] en hij in zijn woning in Geleen aankwamen, en in zijn 8e verklaring over hetgeen zich daarna heeft afgespeeld. Ook de verklaring van de verdachte ter terechtzitting op 14 oktober 2024 acht de rechtbank betrouwbaar. Deze verklaringen passen immers (grotendeels) bij het andere, objectieve, bewijs in dit dossier. Van belang daarbij is (ook) het volgende. De verdachte heeft, zoals gezegd, in het 8e verhoor te kennen gegeven dat zijn in het 7e verhoor afgelegde verklaring klopte, voor zover die betrekking had op wat er gebeurd is voordat hij met [slachtoffer 1] bij zijn woning kwam. In zijn 8e verhoor heeft de verdachte uitgebreid verklaard over wat er vervolgens in de woning is gebeurd. Dit 8e verhoor vond plaats in het bijzijn van zijn advocaat en aan het begin van het 8e verhoor werd afgesproken dat zijn advocaat zou ingrijpen als de verdachte dingen zou gaan vertellen die niet kloppen. Daarna kwam de verdachte zonder onderbrekingen aan het woord over wat er in de woning is gebeurd. Het risico dat hem tijdens dat verhoor suggesties zouden kunnen worden gedaan die hij in strijd met de waarheid zou kunnen bevestigen, werd daarmee ondervangen. Bovendien heeft de rechtbank bij haar keuze voor dit 7e en 8e verhoor ook betrokken een getapt telefoongesprek dat de verdachte op 8 september 2022 (een dag ná zijn 8e verhoor) voerde met zijn toenmalige vriendin. Als verdachte in dit gesprek wordt gevraagd door zijn toenmalige vriendin hoe de verhoren gingen, antwoordt verdachte dat het wel heftig was en dat hij alles op tafel heeft gegooid nu. Alles. Die verklaringen van de verdachte en de overige bewijsmiddelen leiden de rechtbank tot de volgende conclusies over hetgeen op die noodlottige eerste dag van juni 2022 is gebeurd. De verdwijning van [slachtoffer 1] Op 1 juni 2022, kort na 17:53 uur, vertrok [slachtoffer 1] vanaf de woning van zijn zus [naam zus 1 slachtoffer 1] aan de [adres 1] in Kerkrade. [slachtoffer 1] verbleef daar op dat moment. Op camerabeelden is te zien dat omstreeks 17:54 uur een blauwe Volkswagen Lupo, met daarin naar later kon worden vastgesteld de verdachte, de doodlopende straat, de [adres 1] , inrijdt en vervolgens kennelijk keert en de [straatnaam 1] in rijdt in zuidelijke richting. De partner van [naam zus 1 slachtoffer 1] , [naam partner zus] , hierna aangeduid als ‘ [naam partner zus] ’, komt op datzelfde moment aanlopen vanaf de woning [adres 1] over de stoep van de [straatnaam 1] , eveneens in zuidelijke richting, op korte afstand gevolgd door [slachtoffer 1] op zijn step. Bijna van minuut tot minuut is aan de hand van camerabeelden en locatiegegevens van het Google-account van de verdachte gereconstrueerd hoe [slachtoffer 1] en [naam partner zus] zich vervolgens naar een speelveldje hebben begeven, gelegen tussen de flats aan de [straatnaam 2] / [straatnaam 3] in Kerkrade, en dat zij daarbij continu, gedurende 12 minuten, door de verdachte werden gevolgd, eerst in zijn auto en later ook te voet. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij [slachtoffer 1] zag dichtbij diens woning en dat hij [slachtoffer 1] vervolgens is gaan volgen om hem ergens mee naar toe te nemen, naar een plek waar niemand hen zou zien, om daar seksuele handelingen met hem te verrichten. De verdachte heeft verklaard dat hij, na het parkeren van zijn auto, is gaan voetballen op een nabij gelegen speelveldje. Dat past ook bij het volgende. Tussen 18:06 uur en 18:49 uur vonden geen verplaatsingen plaats volgens de locatie-gegevens van het Google-account van de verdachte. Om 18:05 uur is op camerabeelden te zien dat [naam partner zus] de Albert Heijn binnenliep, gelegen aan de [straatnaam 3] . Om 18:12 uur verliet [naam partner zus] deze winkel weer. [slachtoffer 1] was in dat tijdsbestek op het speelveldje en [naam partner zus] verklaarde later dat hij [slachtoffer 1] daar wat te drinken heeft gegeven en daarna is doorgelopen naar huis. Op dat moment was [slachtoffer 1] in gezelschap van twee jongetjes en een volwassen man. Om 18:33 uur is er een locatiegegeven opgeslagen op de telefoon van de verdachte, die zich op dat moment exact bevindt op het speelveldje tussen de flats aan de [straatnaam 2] / [straatnaam 3] . Uit de verklaringen van kinderen die op dat speelveldje waren en de verklaring van hun vader volgt dat de verdachte en [slachtoffer 1] toen en daar op het speelveldje gevoetbald hebben en dat zij omstreeks 18:45 uur samen zijn vertrokken. Om 18:49 uur reed de Volkswagen Lupo weg vanaf de plaats waar het voertuig vermoedelijk was geparkeerd, nabij het speelveldje. De auto sloeg rechtsaf de ventweg van de [straatnaam 2] in Kerkrade in en voegde vervolgens in op de hoofdrijbaan van de [straatnaam 2] in noordelijke richting, richting de [straatnaam 1] . Volgens de verdachte had hij [slachtoffer 1] in zijn auto (de Volkswagen Lupo) meegenomen met de smoes dat hij [slachtoffer 1] naar huis zou brengen en had hij vlak na het wegrijden bij het speelveldje tegen [slachtoffer 1] , die als bijrijder in de auto was gestapt, gezegd dat hij op de grond moest gaan zitten voor de bijrijdersstoel. Toen [slachtoffer 1] vroeg waarom, heeft de verdachte op niet zo’n lieve toon gezegd dat [slachtoffer 1] gewoon moest luisteren, waarna er paniek bij [slachtoffer 1] is ontstaan. Verdachte heeft [slachtoffer 1] vervolgens bij zijn nek gepakt en naar beneden geduwd, alwaar [slachtoffer 1] moest blijven zitten, waarna [slachtoffer 1] nog meer in paniek raakte, schreeuwde en huilde. Dat [slachtoffer 1] door de verdachte in de auto naar beneden is geduwd, wordt in zoverre door camerabeelden bevestigd, dat daarop de auto van de verdachte is te zien om 18:50 uur, rijdend over de [straatnaam 1] in Kerkrade. Op dat moment is op de camera-beelden niet zichtbaar dat er nog iemand anders dan de verdachte in de auto zit. Wel is te zien dat de verdachte zijn rechterarm gestrekt voor zich houdt, ter hoogte van het dashboard aan de bijrijderskant, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank zou kunnen passen bij het bij de nek pakken van [slachtoffer 1] en naar beneden drukken, waarover de verdachte heeft verklaard. Dat de verdachte [slachtoffer 1] daadwerkelijk in Kerkrade heeft ontvoerd, volgt ook uit het tragische vervolg van die dag. Er is tevens forensisch bewijs dat past bij het meevoeren van [slachtoffer 1] in de auto van verdachte: vezels vanaf de vloer op de bijrijdersplaats komen overeen met de vezels van de jas van [slachtoffer 1] . Tevens is er een DNA-spoor, afkomstig van een deurgreep van de auto, waaraan [slachtoffer 1] als donor van DNA kan hebben bijgedragen. [slachtoffer 1] was, zo kan aldus worden vastgesteld, vanaf ongeveer 18:49 uur niet meer vrij om te gaan en staan waar hij wilde, en was dan ook, juridisch vertaald, vanaf dat moment wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd. Dat betekent dat het tenlastegelegde onder feit 2, de wederrechtelijke vrijheidsberoving, door de rechtbank bewezen zal worden verklaard. Wat vond er plaats in de woning van de verdachte? Na een tussenstop bij een zwembad in Langraaf, waar de verdachte de step van [slachtoffer 1] heeft achtergelaten, is op de camerabeelden te zien dat de verdachte in Geleen vanaf de [straatnaam 16] linksaf de [straatnaam 17] op reed en daar zijn auto omstreeks 19:18 uur parkeerde. Om 19:26 uur is er een locatiegegeven opgeslagen van het Google-account, en wel in het appartementencomplex waar de verdachte woonachtig is, gelegen aan de [straatnaam 17] te Geleen. Volgens de verdachte was [slachtoffer 1] toen nog bij hem en zijn zij beiden zijn woning ingegaan. In de woning zelf is er ook, zij het summier, forensisch DNA-bewijs van [slachtoffer 1] ’s aanwezigheid aangetroffen. Vast staat dus dat [slachtoffer 1] vanaf kort na 19:18 uur in de woning van de verdachte is geweest. Deze vaststelling staat ook niet ter discussie. Wat er zich in de woning heeft afgespeeld, is niet van minuut tot minuut vast te stellen. Hiervoor moet de rechtbank zich grotendeels baseren op wat de verdachte heeft verklaard bij zijn 8e verhoor en ter terechtzitting, zij het dat niet alles wat de verdachte verklaart voetstoots kan worden aangenomen, zoals hiervoor al bij de inleidende opmerkingen is uitgelegd. De delen van de verklaring van de verdachte over wat hij met [slachtoffer 1] gedaan heeft die de rechtbank in de bewijsmiddelen weergeeft, worden in elk geval op hoofdlijnen bevestigd door ander bewijs. [slachtoffer 1] ’s lichaam is op 4 juni 2022, omstreeks 09:00 uur, op aanwijzen van de verdachte aangetroffen in de tuin van de woning aan de [adres 2] te Geleen. Dit betrof een op dat moment niet bewoonde woning. [slachtoffer 1] is dan overleden. Het lichaam lag, verpakt in vuilniszakken, onder een overkapping op opgestapelde houtblokken. [slachtoffer 1] was naakt en om zijn handen en buik was tape gewikkeld. Het lichaam was opvallend schoon. Op de houtblokken bevond zich ook een vuilniszak met daarin kleding van [slachtoffer 1] en een prop tape. Over deze aspecten van de zaak heeft de verdachte verklaard dat hij het lichaam van [slachtoffer 1] na diens overlijden heeft schoongespoeld onder de douche, dat hij tape heeft aangebracht om het lichaam, dat hij [slachtoffer 1] in vuilniszakken heeft verpakt en daarna heeft weggebracht naar de plek waar [slachtoffer 1] later werd gevonden. De verdachte heeft aldus het lichaam weggevoerd en verborgen, naar eigen zeggen om te voorkomen dat het lichaam van [slachtoffer 1] onmiddellijk zou worden gevonden. De zak met kleding en de prop tape heeft de verdachte vervolgens ook naar diezelfde plek gebracht. Een patholoog van het NFI heeft het lichaam van [slachtoffer 1] onderzocht en geconcludeerd dat het overlijden van [slachtoffer 1] kan worden verklaard op basis van (samen)drukkende krachtinwerking ter hoogte van de hals (wurging en/of strangulatie) en/of de neus en mond (smoring). Dat smoren past bij de verklaring van de verdachte dat hij [slachtoffer 1] een kussen op het gezicht heeft geduwd totdat [slachtoffer 1] niet meer bewoog; een verklaring die op haar beurt past bij de om 21.36 uur in de telefoon van de verdachte ingevoerde zoekvraag ‘verstikking met een kussen’. De beschrijving van de patholoog van het letsel dat is veroorzaakt door verwurging en/of strangulatie past bij de verklaring van de verdachte dat hij [slachtoffer 1] eerder ook nog in een houdgreep heeft gehouden en daarbij een deel van zijn luchtwegen heeft afgesloten. Verder waren er volgens de patholoog aanwijzingen voor seksuele geweldpleging. Geconstateerd werden huidscheuren ter hoogte van de anus, die het gevolg waren van overrekking. De hoeveelheid, de lokalisatie, het verloop en het aspect van de huidscheuren zijn suggestief voor een ontstaan door penetratie (met bijvoorbeeld een lichaamsdeel of een voorwerp). Lichtmicroscopisch onderzoek toonde een vitale wondreactie van circa meerdere minuten tot enkele tientallen minuten oud. In elk geval was er enige overleving van dit letsel, wat de rechtbank tot de conclusie brengt dat het letsel bij leven is toegebracht, wederom conform de verklaring van de verdachte dat hij [slachtoffer 1] heeft bevolen zijn kleding uit te doen en op zijn knieën te gaan zitten, waarna de verdachte geprobeerd heeft met zijn penis bij [slachtoffer 1] anaal binnen te dringen, terwijl [slachtoffer 1] zich verzette. Nu de bevindingen van de patholoog passen bij een daadwerkelijke penetratie, gaat de rechtbank ervan uit dat ook daadwerkelijk sprake is geweest van penetratie en niet slechts van een poging daartoe. Dat past ook bij de verklaring van de verdachte die ter terechtzitting, geconfronteerd met de bevindingen van de patholoog, immers letterlijk aangaf: ‘Toen ik [slachtoffer 1] probeerde te penetreren was mijn penis stijf, maar toen ik door wilde duwen, werd die weer slap, dus er is een moment geweest waarschijnlijk dat ik in hem ben geweest’. Bij toxicologisch onderzoek op lichaamsmateriaal van [slachtoffer 1] is MDMA aangetoond in de maaginhoud (passend bij orale inname) en het bloed. Volgens de toxicoloog betreft dit een hoge concentratie waarbij toxische verschijnselen kunnen optreden. In de maaginhoud en het bloed werd verder het erectiemiddel sildenafil aangetoond. Door de patholoog is aangegeven dat de intoxicatie met MDMA, al dan niet in combinatie met sildenafil, mogelijk ook kan hebben geleid tot of bijgedragen hebben aan het overlijden. De verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer 1] , die dit niet wilde, een XTC-pil, waarvan de werkzame stof MDMA betreft, en een pil Viagra, waarvan de werkzame stof sildenafil betreft, heeft laten innemen. Tot zover bestaat er geen verschil van inzicht tussen de officieren van justitie, de verdediging en de rechtbank. Kort samengevat kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 1] in de woning door de verdachte seksueel is misbruikt door penetratie, pillen heeft moeten innemen waarin MDMA en sildenafil zaten, en dat [slachtoffer 1] vervolgens in de woning is gedood door de verdachte door hem te smoren met een kussen. Na het overlijden van [slachtoffer 1] heeft de verdachte het lichaam van [slachtoffer 1] weggevoerd en verborgen in de achtertuin van een afgebrande woning. Feit 3, het seksueel misbruik van [slachtoffer 1] , en feit 5, het wegvoeren en verbergen van zijn lichaam kunnen aldus zonder nadere motivering van de rechtbank eveneens bewezen worden verklaard. Ten aanzien van feit 1 (moord of doodslag) en feit 4 (zware mishandeling) zijn er verschillen van inzicht die nadere bespreking van deze feiten nodig maken. Feit 1: Vastgesteld kan worden dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft gedood door hem te smoren. De intoxicatie met MDMA, al dan niet in combinatie met sildenafil, kan, naar het oordeel van de rechtbank, hebben bijgedragen aan het overlijden. De verdachte heeft verklaard dat hij dit smoren gedaan heeft door een kussen op het gezicht van [slachtoffer 1] te duwen en geduwd te houden tot [slachtoffer 1] niet meer bewoog. De door de patholoog geconstateerde verwurging en/of strangulatie heeft op een eerder moment in tijd plaatsgevonden, te weten, toen de verdachte [slachtoffer 1] (enige tijd voorafgaand aan het smoren) in een houdgreep nam. Naar het oordeel van de rechtbank kan die handeling geen bijdrage geleverd hebben aan de dood van [slachtoffer 1] . Daarom zal de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging onder feit 1 partieel worden vrijgesproken. Ook zal de verdachte partieel worden vrijgesproken van de tenlastegelegde verdrinking, nu er in het dossier onvoldoende bewijs is dat daarvan sprake is geweest. Bewezen kan derhalve worden verklaard dat de verdachte [slachtoffer 1] opzettelijk heeft gedood door hem te smoren met een kussen, waarbij intoxicatie met MDMA, al dan niet in combinatie met sildenafil, kan hebben bijgedragen aan het overlijden, hetgeen in elk geval doodslag oplevert. Was er sprake van voorbedachte raad? Het Openbaar Ministerie is van oordeel dat er naast opzet ook sprake is geweest van voorbedachte raad. De verdediging heeft gemotiveerd aangevoerd dat voorbedachte raad niet aan de orde is. Daartoe heeft zij betoogd dat de verdachte geen vooropgezet plan had om [slachtoffer 1] te doden, dat paniek bij de verdachte overheerste en dat hij dus niet meer in staat was zich rekenschap te geven van wat hij ging doen. Volgens de verdediging kan deze contra-indicatie voor voorbedachte raad gebaseerd worden op de bevindingen van de gedragsdeskundigen van het PBC. De rechtbank overweegt als volgt. Wil er volgens vaste jurisprudentie sprake zijn van voorbedachte raad, dan moet een verdachte niet louter gehandeld hebben in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Vastgesteld moet worden dat een verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op een te nemen of genomen besluit om iemand om het leven te brengen. Hij moet zo de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Het criterium “enige tijd” is niet erg concreet: het kan gaan om een lang van te voren bedacht plan, maar ook om relatief korte tijd. Bij de beantwoording van de vraag of van voorbedachte raad sprake is geweest, moeten er in een specifieke zaak feiten en omstandigheden worden vastgesteld en afgewogen. Feiten en omstandigheden die zowel voor als tegen voorbedachte raad pleiten, moeten worden beoordeeld. Als kan worden vastgesteld dat een verdachte tijd had om zich te beraden, kunnen er desalniettemin contra-indicaties zijn die maken dat hij niet met voorbedachte raad handelde. Daarbij mag de rechtbank ook kijken naar gedragingen die vooraf zijn gegaan aan het doden. Voor de beoordeling van voorbedachte raad kan in deze zaak in elk geval worden vastgesteld dat de verdachte op 1 juni 2022 om 21:36 uur een heel concreet voornemen heeft laten zien om [slachtoffer 1] om het leven te brengen. Dat is het tijdstip waarop de verdachte een zoekopdracht op zijn telefoon heeft gegeven: verstikking met een kussen. Kort daarna, om 21:38 uur, is er nóg een concrete, bewuste handeling van de verdachte. Dit is het tijdstip waarop de verdachte een geluidsbox heeft geactiveerd, door deze via Bluetooth verbinding te laten maken met zijn telefoon, waarna hij Spotify heeft geopend op zijn telefoon om muziek af te spelen. Die handelingen, niet alleen los van elkaar, maar ook in samenhang met elkaar, duiden niet op handelen in volledige paniek. Niet op handelen door iemand die volledig de grip op zijn handelen kwijt is, zoals is betoogd door de verdediging. Je moet immers je telefoon pakken, waarover de verdachte heeft verklaard dat hij dat ook is gaan doen door vanuit de badkamer naar de woonkamer te lopen en daar zijn telefoon te pakken, en coherent genoeg kunnen nadenken om zo’n zoekopdracht te geven en enkele minuten later je muziek aan te zetten. De verdachte heeft [slachtoffer 1] vervolgens daadwerkelijk met een kussen gesmoord, dan wel verstikt. De verdachte heeft dus uitgevoerd wat hij in zijn telefoon had ingevoerd. Ook met die uitvoering is enige tijd gemoeid geweest, te meer daar de verdachte [slachtoffer 1] na de eerste keer dat hij [slachtoffer 1] smoorde met het kussen ook nog diverse keren met het kussen in het gezicht heeft geslagen, omdat [slachtoffer 1] bleef schreeuwen, tegenstribbelen en huilen, waarna de verdachte het kussen nogmaals op het gezicht van [slachtoffer 1] drukte en gedrukt bleef houden tot het moment dat [slachtoffer 1] , die tegenstribbelde, niet meer bewoog. Zoals hiervoor overwogen kijkt de rechtbank voor de beoordeling of er sprake is geweest van voorbedachte raad ook naar gedragingen die vooraf gingen aan het doden [slachtoffer 1] . Dan valt op dat de verdachte in het hele voortraject vanaf het moment dat hij [slachtoffer 1] zag, een berekenende, planmatige manier van handelen heeft laten zien. In zijn verklaringen geeft de verdachte bij herhaling aan hoe hij die afwegingen maakte, toen hij eenmaal in de woning met [slachtoffer 1] was. Zo verklaarde de verdachte onder meer: “Ik ging naar de badkamer toe, heb toen die ecstasy pil gepakt. Toen dacht ik van: ik wacht nog even met ecstasy geven, want toen kwam dat ja, die gevoelen weer naar boven van hé ik wil iets met hem doen. Ik heb hem toen naar de badkamer meegenomen.” “Ik gaf [slachtoffer 1] xtc om hem goed te laten voelen, om te hopen dat hij ook zou gaan voelen wat ik voelde en daarmee bedoel ik: dat ik seksueel opgewonden was en dat [slachtoffer 1] dan ook seksueel opgewonden zou worden.” “Voor ’t douchen toen dacht ik van: ik geef hem Viagra. Toen heb ik hem Viagra gegeven. Hij vroeg toen van hé wat is dat dan? Heb ‘m eigenlijk ja, gedwongen om dat te nemen omdat die dat niet wilde. Ik dacht toen van: hé zal ik hem mij laten pijpen.” “Toen die de badkamer in kwam dacht ik van hé: ik ga ‘t hier doen (rechtbank: het gaat dan over het seksueel misbruik). Ik denk dat ik ook hé dat ik zoiets had hé op de badkamer ja, dat niemand ‘m zou of dat niemand ons zou horen of zo. Ik dacht hé: [slachtoffer 1] kan gaan huilen of gaan schreeuwen of zo maar de badkamer hé daar heb je die kamer naast hé, je hebt die slaapkamer d’r naast, je hebt de woonkamer. De woonkamer daar heb ik de buurman. En in de badkamer heb ik geen, geen buurman aan de andere kant.” “Op een gegeven moment doet die deur op slot van de badkamer. Daar werd ik geïrriteerd van. Dus ik bons op die deur van en zeg dat die open moest doen. Nou ik hoorde niks. Dus toen dacht ik van hé, hij gaat naar de andere kant. Dus ik rende daar naartoe. Toen zei ik van: ja, je gaat nu terug, maak die deur daar open. En hij kon zelf niet d’r uit, want die kamer stond vol met spullen. Ben toen teruggelopen naar hem, naar die deur. Ik zei van: die deur niet meer op slot maken.” “Ik denk wel dat ik mij herinner dat ik toen ben weggelopen en mijn telefoon heb gepakt. Ik ben die gaan pakken en ik heb opgezocht: verstikking met een kussen. Uiteindelijk ging ik het ook uitvoeren. Ik zei dat hij stil moest zijn. Dat gebeurde niet. Er stond een kussen bij mijn wasmachine. Dat kussen heb ik op zijn gezicht uitgedrukt met kracht.” “Ik ben toen weggelopen. Tot ik geschreeuw hoorde. Ja, was gewoon heel hard geschreeuw. En ik ren naar de badkamer toe en ik pak hem in de houdgreep vast. Hij beet mij. Dus ik pak die handdoek en duw die handdoek d’r tussen. Op dat moment dat ik ‘m vasthield viel die op de grond. Ik weet nog dat die hard met z’n hoofd op de grond kwam of zoiets, waardoor die weer begon te huilen. Ik ging weg. Dat geschreeuw bleef aan m’n kop. Ik ben zo van hé: wat moet ik nou? Ja, wat moet ik met ‘m? Ik ben toen de telefoon gaan pakken. Ik heb opgezocht van verstikking met een kussen. Van wat gebeurt er eigenlijk mee. Ik weet ik ben op een gegeven moment naar de badkamer gelopen. ’t Kussen lag daar dus ik pak dat kussen en leg dat kussen op zijn gezicht. Dan was die aan ’t tegenstribbelen. ’t Geschreeuw bleef, hij was aan ’t huilen ook. Ik weet nog dat ik hem met dat kussen op z’n gezicht geslagen heb en geschreeuwd naar hem van dat die, dat die ja, lijkt: hou je kop nu dicht. M’n JBL-box staat op m’n wasmachine. Ik heb toen muziek aangezet. Ik werd boos op ‘m, want hij ging schreeuwen. Ik heb toen weer die kussen gepakt en weer op z’n gezicht geduwd. Hij was tegen aan ’t stribbelen. Toen dan op een gegeven moment bewoog hij niet meer.” “Eh ja, op een gegeven moment kreeg ik ‘t in m’n kop van hij moet nou ja, eigenlijk eh ja, moet die nu dood. (..) Ja, toen, toen ik dat ging opzoeken. Met dat geschreeuw en gejank van hem en opeens was gewoon iets van ja hij moet, hij moet dood. (..) Ja, dat, dat geschreeuw bleef aan, Je werd, werd helemaal gek van ‘m. Ik zag toen die kussen in de, in die badkamer liggen. En ja, ik kreeg ineens in mijn kop van zoek, zoek dat op. Hé dus dat verstikken met een kussen”. Al deze voorbeelden duiden op diverse weegmomenten, waarbij de verdachte berekenend te werk is gegaan. Daaraan doet niet af dat de gedragsdeskundigen van het PBC, gebaseerd op de geconstateerde geestelijke stoornissen, waaronder stoornissen in middelengebruik, en de verklaringen van de verdachte, een glijdende schaal hebben beschreven. In die glijdende schaal nam de keuze- en handelingsvrijheid van de verdachte volgens de gedragsdeskundigen af. Weliswaar hebben geestelijke stoornissen, waar de rechtbank later nog op zal terugkomen, dus een rol gespeeld, maar ook weer niet zodanig dat ten tijde van het ombrengen van [slachtoffer 1] geen afwegingen meer door de verdachte konden worden gemaakt. De verdachte stelt dat hij door zijn excessieve drugsgebruik het overzicht totaal is verloren en handelde terwijl hij dingen zag en hoorde die er niet waren. De rechtbank stelt vast dat er voor die stelling geen feitelijke grondslag is te vinden in het dossier. Zijn toenmalige vriendin heeft ook verklaard dat zij gedurende een later die avond (vanaf 23:41 uur) gevoerd, bijna half uur durend videogesprek helemaal niets aan de verdachte heeft gemerkt. In haar verhoor bij de politie verklaarde zij immers dat de verdachte op dat moment gewoon normaal was (en haar zelfs - naar het oordeel van de rechtbank berekenend - tijdens dit videogesprek (in strijd met de waarheid) in de waan had gelaten dat hij gewoon had gewerkt die dag). Ook in een getapt telefoongesprek van 18 juni 2022 bevestigt zij dit nogmaals als zij tegen verdachte zegt: “Want ik heb helemaal niets aan jou gezien die dag. Jij zei dat je gebruikt had tegen mij – maar ik heb dat niet aan jou kunnen zien”. Deze ex-vriendin is overigens ook de eerste persoon met wie de verdachte (App) contact zocht nadat hij [slachtoffer 1] ’s lichaam had weggebracht. Het tijdstip waarop dit gebeurde kan exact worden bepaald: 1 juni 2022, 22:26 uur, nog geen uur na het invoeren van de zoekopdracht ‘verstikken met een kussen’. In de tekst van die appjes ziet de rechtbank geen aanwijzing dat de verdachte (zwaar) onder invloed was, terwijl die invloed, als zijn eigen stelling wordt gevolgd, zeker nog aanwezig moet zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is de keuzevrijheid van de verdachte dan ook niet volledig afwezig geweest. Paniek bij de verdachte speelde mogelijk een rol, maar in de glijdende schaal van afname van keuzevrijheid kunnen zich blijkens de verklaring ter terechtzitting van de deskundigen van het PBC evengoed momenten van berekening hebben voorgedaan. Die momenten waren er dus ook daadwerkelijk. Er is derhalve wat de rechtbank betreft geen sprake geweest van een alles overheersende (in ernst toenemende) gemoedsopwelling, waaraan zoveel gewicht toe zou moeten komen dat vrijspraak zou moeten volgen voor het bestanddeel voorbedachte raad. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de verdediging en zal onder feit 1 voorbedachte rade en dus moord bewezen verklaren. Feit 4: Was er sprake van zware mishandeling door het toedienen van drugs en/of medicatie? Van dit feit zal de rechtbank de verdachte vrijspreken. Hoewel de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen kan vaststellen dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het innemen van MDMA en sildenafil, een omstandigheden die de rechtbank ook zal meewegen in de strafmaat, is de rechtbank, met de verdediging, van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat bij [slachtoffer 1] als gevolg van die inname van MDMA en sildenafil daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel is ontstaan. Hoewel het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel zeker tot de mogelijkheden behoorde, gelet op de bevindingen in het toxicologisch rapport van het NFI over de gemeten concentraties in het bloed van [slachtoffer 1] , is dat enkele gegeven onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat daarvan ook feitelijk sprake was. De inhoud van de bewijsmiddelen waarop de rechtbank haar bewezenverklaring baseert zijn als Bijlage II bij het vonnis gevoegd. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte Feit 1 op 1 juni 2022 in de gemeente Sittard-Geleen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) van het leven heeft beroofd, door [slachtoffer 1] met een kussen te smoren, al dan niet in combinatie met het geven en dwingen in te nemen van verdovende middelen en medicijnen (bevattende MDMA en sildenafil); Feit 2 op 1 juni 2022 in de gemeente Kerkrade, de gemeente Landgraaf en de gemeente Sittard-Geleen opzettelijk wederrechtelijk [slachtoffer 1] van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden; Feit 3 op 1 juni 2022 in de gemeente Sittard-Geleen met [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), geboren op [geboortedatum 2] 2013, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1] , terwijl verdachte het feit heeft begaan tegen [slachtoffer 1] , bij wie misbruik van een kwetsbare positie werd gemaakt en het feit is voorafgegaan en vergezeld van geweld; Feit 5 op 1 juni 2022 in de gemeente Sittard-Geleen het lijk van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) heeft weggevoerd en verborgen, met het oogmerk om het overlijden en de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer 1] te verhelen, immers heeft verdachte het lijk van die [slachtoffer 1] in vuilniszakken gewikkeld en verpakt en het lijk van [slachtoffer 1] weggevoerd en verborgen onder een overkapping in de achtertuin van perceel [adres 2] te Geleen; Feit 6 in de periode van 13 december 2018 tot en met 4 juni 2022 in de gemeente Sittard-Geleen, foto’s en/of video’s van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verspreid, verworven, in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit: het met de penis, (een) vinger(s)/hand, de mond/tong en/of een voorwerp oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of het met de penis, (een) vinger(s)/hand en/of de mond/tong oraal en/of anaal penetreren van het lichaam van een ander persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of het met de penis, (een) vinger(s)/hand en/of een voorwerp oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van het eigen lichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt (Onderzoek Robijn foto 29, foto 30, foto 31, foto 32, foto 33, foto 34 , en/of Onderzoek Bissau foto 5, foto 8, en/of foto 12) en/of het met de penis, (een) vinger(s)/hand, de mond/tong en/of een voorwerp betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, billen en/of borsten van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of het met de penis, (een) vinger(s)/hand, de mond/tong en/of een voorwerp betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel, billen en/of borsten van een ander persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of het met (een)vinger(s)/hand en/of een voorwerp betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel en/of billen van het eigen lichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt (Onderzoek Robijn foto 26, foto 27 en/of foto 28, en/of Onderzoek Bissau foto 7) en/of het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is, opgemaakt is en/of poseert in een omgeving en/of in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen en (waarna) door het camerastandpunt, de (onnatuurlijke) pose, de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto's nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen van deze persoon in beeld gebracht worden waarbij de afbeelding een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling (Onderzoek Robijn foto 21, foto 23, foto 24, en/of foto 25, en/of (Onderzoek Bissau foto 3, foto 4, foto 9, foto 10, foto 11, foto 13) en hij van het plegen van het bezit hiervan een gewoonte heeft gemaakt; Feit 7 in de periode van 8 december 2018 tot en met 9 maart 2019 in de gemeente Sittard-Geleen een video van seksuele gedragingen, te weten het videobestand genaamd ‘ [bestandsnaam 2] ’, aangetroffen op een harde schijf van het merk Hitachi, komende uit de HP Elitebook, met inbeslagnamenummer LBRAA22005.723786 en DRS nummer 22-0190-063, waarbij iemand die de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] 2002), is betrokken, heeft vervaardigd welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven – bestonden uit: het optillen van een broekspijp en de bovenband van het korte broekje dat en de boxershort die [slachtoffer 2] droeg, waardoor het geslachtsdeel van [slachtoffer 2] zichtbaar werd en het met een vinger en meermalen met de hand betasten van het geslachtsdeel van [slachtoffer 2] ; Feit 8 in de periode van 8 december 2018 tot en met 9 maart 2019 in de gemeente Sittard-Geleen met een persoon, te weten [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2002, van wie verdachte wist dat deze in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, te weten een (diepe) slaaptoestand, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers heeft verdachte: - een broekspijp en de bovenband van het korte broekje dat en de boxershort die [slachtoffer 2] droeg, opgetild waardoor het geslachtsdeel van [slachtoffer 2] zichtbaar werd en - met zijn vinger en meermalen met zijn hand het geslachtsdeel van [slachtoffer 2] betast. De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is tenlastegelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op: Feit 1 moord Feit 2 opzettelijk en wederrechtelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden Feit 3 met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, begaan tegen een persoon bij wie misbruik van een kwetsbare positie wordt gemaakt en terwijl het feit is voorafgegaan en vergezeld van geweld Feit 5 een lijk wegvoeren en verbergen met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen Feit 6 een gewoonte maken van het meermalen een afbeelding - of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt is betrokken, in bezit hebben en meermalen een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, verspreiden Feit 7 een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, vervaardigen Feit 8 met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert, ontuchtige handelingen plegen Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is door gedragsdeskundigen onderzocht. Daartoe is de verdachte geobserveerd in het PBC. Van dit uitgebreide onderzoek is een rapport opgemaakt d.d. 6 maart 2023. In vervolg hierop hebben de gedragsdeskundigen nadere vragen beantwoord per brief van 3 november 2023, in een aanvullend rapport van 12 september 2024 en tijdens de inhoudelijke behandeling op 15 oktober 2024. De rechtbank komt op basis van de bevindingen en de adviezen van de gedragsdeskundigen tot de conclusie dat de verdachte gestraft kan worden, omdat er geen aanwijzingen zijn dat de feiten hem niet kunnen worden toegerekend. Op de inhoud van de rapporten en adviezen komt de rechtbank terug in de volgende paragraaf. 6De straf en de maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officieren van justitie hebben gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 jaren voor alle tenlastegelegde feiten. Daarnaast moet aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege worden opgelegd (hierna: tbs met dwangverpleging), opdat hij behandeld wordt en het gevaar dat hij oplevert wordt teruggebracht. Terugkeer in de maatschappij moet alleen mogelijk zijn als dat verantwoord is. De behandeling moet pas starten als de verdachte in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidsstelling. Onder de huidige wetgeving kan de voorwaardelijke invrijheidsstelling verleend worden twee jaar voor het einde van de gevangenisstraf. De rechtbank kan ook overwegen de maatregel van artikel 38z Sr op te leggen, een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. Die maakt toezicht op de verdachte mogelijk, nadat de verdachte zal zijn teruggekeerd in de maatschappij na het uitzitten van zijn straf en een (geslaagde) tbs-behandeling. 6.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft naar voren gebracht dat de verdachte oprecht berouw heeft en dat zijn proceshouding in positieve zin zou moeten meewegen bij de strafoplegging. De verdachte heeft naar beste kunnen geprobeerd de nabestaanden antwoord te geven op de vraag wat er precies met [slachtoffer 1] is gebeurd. Ook richting [slachtoffer 2] heeft de verdachte openheid van zaken gegeven en spijt betuigd. Bij dit alles heeft de verdachte zichzelf niet gespaard. De verdachte accepteert dat aan hem een lange gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging worden opgelegd. De eis van de officieren van justitie is echter absurd hoog, nog los van de omstandigheid dat de verdediging op belangrijke punten vrijspraak heeft bepleit. De verdediging vindt dat de officieren van justitie onvoldoende rekening hebben gehouden met het advies van het PBC om bepaalde feiten enigszins verminderd dan wel verminderd aan de verdachte toe te rekenen. Het PBC adviseert bovendien niet te lang te wachten met de behandeling, nu dat van invloed is op de kans van slagen daarvan. De rechtbank wordt daarom uitdrukkelijk in overweging gegeven een aanzienlijk kortere gevangenisstraf op te leggen en om daarbij tevens een advies te geven over het tijdstip waarop de behandeling zou moeten beginnen. Te denken valt dan aan het moment dat de helft van de straf ten uitvoer is gelegd. De verdachte is immers gemotiveerd om de behandeling te volgen en heeft recht op een reële kans op terugkeer in de maatschappij. De eis van de officieren van justitie houdt daar onvoldoende rekening mee. De verdediging verzet zich niet tegen het opleggen van de maatregel van artikel 38z Sr, nu dat ertoe kan bijdragen dat terugkeer in de maatschappij verantwoord zal zijn. Er zijn nog meer factoren waar de rechtbank rekening mee zou moeten houden, zoals de media-aandacht, het gegeven dat de verdachte zelf slachtoffer is van zijn jeugd en dat het zorgsysteem en de opsporing hebben gefaald. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De ernst van de feiten Op 1 juni 2022 ging de 9-jarige [slachtoffer 1] met [naam partner zus] , de partner van zijn zus [naam zus 1 slachtoffer 1] , op weg om boodschappen te doen. [slachtoffer 1] stepte achter [naam partner zus] aan. [slachtoffer 1] en [naam partner zus] konden niet vermoeden dat de verdachte hen op dat moment nauwlettend in de gaten hield en achtervolgde, eerst met zijn auto en vervolgens te voet. De reden: de verdachte wilde seks met deze jongen. [slachtoffer 1] voldeed qua leeftijd en sekse aan het type kind waar zijn voorkeur naar uitging, en werd zijn toevallige prooi. Toen de verdachte een kans zag om zijn voornemen uit te voeren, parkeerde hij zijn auto dichtbij het speelveldje waar [slachtoffer 1] ging spelen. De verdachte wist het vertrouwen van [slachtoffer 1] te winnen door met hem te voetballen en nam [slachtoffer 1] daarna met een smoes mee in zijn auto. Kennelijk om [slachtoffer 1] uit het zicht van omstanders te houden, liet de verdachte [slachtoffer 1] op de grond onder het dashboard zitten. [slachtoffer 1] schreeuwde, huilde en wilde de auto uit, maar dat liet de verdachte niet toe. Als het niet goedschiks kon, dan maar kwaadschiks. [slachtoffer 1] werd door de verdachte in zijn nek vastgepakt en naar beneden gedrukt en tegen diens wil meegenomen naar de woning van de verdachte. De uren die hierop volgden, laten het handelen van een dader zien die op geen enkel moment medelijden voelt met [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] wordt volgens verdachte af en toe wel gerustgesteld, maar dat is uit berekening om hem stil te krijgen en te houden. In de woning wordt [slachtoffer 1] vrij snel naar de badkamer gedirigeerd, alwaar de verdachte [slachtoffer 1] seksueel misbruikt, zonder dat de verdachte zich enige rekenschap geeft van het leed en de pijn die hij [slachtoffer 1] daarmee berokkent. [slachtoffer 1] , die zich hevig tegen dit seksueel misbruik verzet, wordt daarbij met geweld door de verdachte onder controle gehouden. [slachtoffer 1] wordt de badkamer in geduwd, moet zijn kleren uit doen, waarbij tegen [slachtoffer 1] wordt geschreeuwd, moet op zijn knieën gaan zitten, en als [slachtoffer 1] tijdens het misbruik tegenstribbelt, huilt, zegt dat het pijn doet en probeert weg te komen wordt hij door de verdachte vastgepakt en terug getrokken, waarna de verdachte gewoon verder gaat waarmee hij bezig is. Berekenend is ook het vervolgens toedienen van drugs en een erectiepil. De verdachte probeert zo het voorgenomen seksuele misbruik te realiseren door op die manier het verzet van [slachtoffer 1] te breken en [slachtoffer 1] in een meer toegankelijke stemming te krijgen. Het tegenovergestelde is echter het gevolg. [slachtoffer 1] moet overgeven. Ook heeft de verdachte [slachtoffer 1] vervolgens nog in een houdgreep vastgepakt toen [slachtoffer 1] maar bleef huilen en schreeuwen. Wat precies de reden was om [slachtoffer 1] vervolgens te doden, is niet duidelijk geworden. Maar feit is dat de verdachte [slachtoffer 1] uiteindelijk heeft gesmoord met een kussen, totdat [slachtoffer 1] levenloos op de grond lag. En daarbij had de verdachte de tegenwoordigheid van geest om op internet te zoeken op ‘verstikking met een kussen’. Om voor zijn vreselijke daden niet verantwoordelijk te worden gehouden, heeft de verdachte het levenloze lichaam van [slachtoffer 1] tot slot met vuilniszakken omwikkeld en in de tuin van een leegstaande woning verborgen. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan zeer ernstige strafbare feiten, waarbij hij de laatste levensuren van [slachtoffer 1] tot een hel heeft gemaakt. De gevolgen voor nabestaanden en andere slachtoffers De verdachte heeft [slachtoffer 1] en zijn nabestaanden onbeschrijfelijk leed berokkend. Nabestaanden hebben getracht hun leed tijdens de inhoudelijke behandeling onder woorden te brengen. De rechtbank heeft gezien hoe zij geprobeerd hebben hun emoties ter zitting te beheersen en hoe moeilijk dat voor hen is geweest en hoe dat bij tijd en wijle ook niet lukte. Zo sprak [naam zus 1 slachtoffer 1] tijdens het uitoefenen van het spreekrecht: ” Ik wil schelden, vloeken, alles…… maar ik weet dat er dan niemand naar mij luistert….. omdat iedereen het erg vindt….. maar mijn echte pijn niet wil horen…. Hoe rauw en zwart het van binnen is… Hoe vaak ik ook probeer, het beeld van [slachtoffer 1] in de douche kan ik niet resetten. Er zijn geen woorden voor om te beschrijven hoe bang hij geweest moet zijn. De pijn snijdt dagelijks door mijn hart, meer nog dan het gemis.” En [naam zus 2 slachtoffer 1 ] zei: “ [slachtoffer 1] maakte ons gezin compleet. Vooraf wilde ik niet eens een grote zus zijn, maar wat was ik zo ontzettend blij en trots dat ik zijn grote zus mocht zijn. Vlak voordat dit [slachtoffer 1] overkwam had ik het er nog met mijn beste vriendin over hoe het zou zijn als hij ouder zou worden en een eerste verkering zou krijgen. Hoe hij zou zijn als 18 jarige. Dit alles… de toekomst is ons allemaal ontnomen. Het verdriet om [slachtoffer 1] is enorm en wordt er niet minder om. Het enige wat wij nog hebben, dat niemand ons af kan nemen, is onze liefde voor [slachtoffer 1] en al onze mooie herinneringen.” Ook spraken zij over wat het handelen van de verdachte met hun moeder heeft gedaan, die overleden is kort na de eerste pro-formazitting. [naam zus 1 slachtoffer 1] en [naam zus 2 slachtoffer 1 ] hebben terecht aandacht gevraagd voor haar leed: hoe erg moet het voor haar zijn geweest om te horen wat er met haar zoontje was gebeurd en dat zij hem nooit meer levend zou zien. Haar verdriet was ook voor de rechtbank voelbaar tijdens die eerste zitting, net als het verdriet van de overige nabestaanden. Verder twijfelen [naam zus 1 slachtoffer 1] en [naam zus 2 slachtoffer 1 ] eraan of de verdachte nu wel alles (eerlijk) heeft verteld en of zijn spijt wel oprecht is en niet louter bedoeld om minder straf te krijgen. De spijtbetuiging van de verdachte biedt de nabestaanden geen verzachting van hun leed. De omstandigheid dat de verdachte volgens de deskundigen van het PBC lijdt aan stoornissen kan evenmin tot verzachting van hun leed dienen. Onbegrip en de roep om verdachte (levens)lang uit de maatschappij te verwijderen, overheersen. De verdachte heeft nog een ander slachtoffer gemaakt. [slachtoffer 2] werd in zijn slaap betast door de verdachte die dit ook nog filmde en opsloeg op zijn computer. Ook [slachtoffer 2] heeft geprobeerd onder woorden te brengen wat dit met hem heeft gedaan: hij voelt zich beschadigd en zit met talloze vragen zonder uitzicht op een antwoord waarop hij vertrouwen kan. De rechtbank zag een gebroken jongeman. Op diverse gegevensdragers werden verder grote hoeveelheden kinderporno aangetroffen en de verdachte deelde kinderporno ook met anderen. Voor het maken van die kinderporno zijn vele slachtoffers gemaakt. Bezit en verspreiden van de vastlegging van dat leed houdt het fenomeen in stand en leidt tot het wereldwijd maken van weer nieuwe slachtoffers. Ook hiermee heeft de verdachte kennelijk geen rekening gehouden. De verdachte is geen onbeschreven blad. De rechtbank betrekt bij haar overwegingen over de straf ook het strafblad van de verdachte dat laat zien dat hij al als minderjarige in aanraking is gekomen met politie en justitie, onder meer voor een zedendelict en een poging doodslag. Dat spreekt sterk in zijn nadeel. Eerdere interventies, waaronder een voorwaardelijke PIJ-maatregel, hebben het functioneren van de verdachte niet zo kunnen beïnvloeden dat het plegen van strafbare feiten is gestopt. Duidelijk is ook dat fouten van het zorgsysteem en van justitieel toezicht, zoals uitgebreid door de verdediging uiteengezet, daarbij een rol hebben gespeeld. Dat valt zonder meer te betreuren, maar legt naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende gewicht in de weegschaal om daarom een lagere gevangenisstraf op te leggen. Welke sanctie? Het spreekt voor zich dat gelet op het voorgaande een zeer lange gevangenisstraf het uitgangspunt moet zijn uit het oogpunt van vergelding en de noodzaak om recht te doen aan het geschokte rechtsgevoel in de maatschappij. Bij moord, het ernstigste feit dat het Wetboek van Strafrecht kent, moet als vertrekpunt voor de straftoemeting gedacht worden aan 18 tot 20 jaar gevangenisstraf, zo blijkt uit recente veroordelingen van het hof te ’s-Hertogenbosch. Daarnaast zal de rechtbank de verdachte veroordelen voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving en het seksueel misbruik van [slachtoffer 1] , het wegvoeren en verbergen van diens levenloze lichaam, het (gewoonte) bezit van kinderporno en het verspreiden daarvan alsmede het seksueel misbruik van een slapende minderjarige jongen en het opnemen van dat misbruik. Ook dat zijn ernstige strafbare feiten die ieder voor zich reeds een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigen. Het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf voor het plegen van al deze feiten is geen kwestie van plussen en minnen door zaken met elkaar te vergelijken. De vergelijking met andere zaken is ook niet altijd gepast. Ook de vergelijking die de verdediging heeft gemaakt met de zaak van [naam 1] valt niet goed te maken, alleen al omdat in die zaak sprake was van doodslag en niet van moord, er geen sprake was van seksueel binnendringen, de wederrechtelijke vrijheidsberoving voor wat betreft duur en aard niet vergelijkbaar was, er geen sprake was van een tweede slachtoffer en het daar ging om een verdachte zonder strafblad. Niet alleen de ernst van de feiten en de ernstige gevolgen van die feiten bepalen de strafmaat. Ook de persoonlijke omstandigheden en de persoon van de verdachte moeten worden meegewogen. De verdediging heeft daarvoor terecht aandacht gevraagd, in weerwil van de sterke roep om iemand als de verdachte definitief uit de maatschappij te verwijderen en hem ieder recht op resocialisatie te ontzeggen. Dat recht heeft een verdachte, onder omstandigheden zelfs als levenslang zou worden opgelegd. Wat is er over de verdachte gerapporteerd? De verdachte is geobserveerd en onderzocht in het PBC door gedragsdeskundigen [naam klinisch psycholoog] (klinisch psycholoog) en [naam psychiater] (psychiater). Deze deskundigen beschrijven dat er bij de verdachte sprake is van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, een pedofiele stoornis van het niet-exclusieve type en van stoornissen in het gebruik van cocaïne en xtc. Volgens de deskundigen waren de persoonlijkheidsstoornis en de pedofiele stoornis aanwezig ten tijde van de feiten die [slachtoffer 1] betreffen. Deze stoornissen speelden een rol bij die feiten. Ook de stoornissen in het middelengebruik zijn meegewogen. Vanaf het moment van vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] tot aan de uiteindelijke doding is volgens de deskundigen de persoonlijkheidspathologie van de verdachte in toenemende mate een inperkende rol gaan spelen in diens keuze- en handelingsvrijheid bij zijn daden. Daarbij vermelden de deskundigen dat de verklaring van de verdachte leidend voor hen is geweest om uitspraken te doen over de doorwerking van de stoornissen in het delictscenario, waarbij nadrukkelijk nog de kanttekening gemaakt is dat ook de deskundigen niet kunnen beoordelen of de verdachte per saldo wel het achterste van zijn tong heeft laten zien. De deskundigen onderscheiden drie fasen in het handelen van de verdachte, met een wisselende beoordeling van de mate van doorwerking van de stoornissen, dat wil zeggen de mate van keuze- en handelingsvrijheid die de verdachte heeft gehad vanwege de stoornissen. Dat is van belang voor de vraag in hoeverre de daden van de verdachte hem strafrechtelijk verweten kunnen worden, de zogenoemde toerekeningsvraag. Deze drie fasen zijn: de fase van de vrijheidsberoving; de fase van het misbruik als opmaat naar het doden van [slachtoffer 1] en het doden van [slachtoffer 1] ; de fase na het doden van [slachtoffer 1] . Vanaf het moment van de vrijheidsberoving tot aan de doding van [slachtoffer 1] menen de deskundigen dat er sprake is van een glijdende schaal, waarbij de verdachte in toenemende mate de grip op zijn handelen verloren heeft, waarna hij vervolgens weer bij zinnen is gekomen en meer planmatig te werk is gegaan om het lichaam van [slachtoffer 1] aan ontdekking te onttrekken. Ten aanzien van de vrijheidsberoving: geen reden dit verminderd toe te rekenen Het was voor de deskundigen ten tijde van het opstellen van het rapport van 6 maart 2023 en de latere rapportage niet duidelijk of de verdachte planmatig te werk is gegaan om [slachtoffer 1] van zijn vrijheid te beroven, of dat hij meer impulsief gehandeld heeft. Ter terechtzitting hebben de deskundigen op 15 oktober 2024, nadat zij de inhoudelijke behandeling hadden gevolgd op de eerste zittingsdag op 14 oktober 2024, hun eerdere advies aangepast en geconcludeerd dat er geen onderbouwing te geven is dat de stoornissen tijdens het achtervolgen van [slachtoffer 1] en de daarop volgende vrijheidsberoving de keuze- en handelingsvrijheid van de verdachte hebben inperkt. Bijgevolg kan dit feit de verdachte volledig worden toegerekend. Met andere woorden: de verdachte kan hiervoor volledig verantwoordelijk worden gehouden. De fase van het seksuele misbruik en het geven van MDMA en sildenafil als opmaat naar het doden van [slachtoffer 1] en het doden van [slachtoffer 1] : enigszins verminderd en verminderd toerekenen Bij het seksuele misbruik en de toediening van de drugs aan [slachtoffer 1] vormt de seksuele motivatie van de verdachte het belangrijkste motief. Bij de seksuele handelingen is er sprake van verzet van [slachtoffer 1] dat de verdachte frustreerde. Met het toedienen van drugs wilde hij [slachtoffer 1] mogelijk in een toegankelijke stemming krijgen of zijn weerstand verminderen. Dit had echter een tegengesteld effect. De verdachte voelde zijn frustratie en onmacht toenemen. [slachtoffer 1] was door het schreeuwen, het verzet, de angst, het huilen en het braken ‘onaantrekkelijk’ geworden voor de verdachte, wat negatieve emoties deed ontstaan. De verdachte bleef ook zelf herhaaldelijk drugs innemen om zijn eigen ervaren onlustgevoelens te dempen, wat moet worden gezien als een inadequate copingstrategie vanuit zijn beperkte spanningsregulerende vaardigheden. De deskundigen concluderen dat vanaf dit moment de pathologie/stoornissen een inperkende rol speelde(

  1. n)in zijn keuzevrijheid. De verdachte raakte overprikkeld en in toenemende mate in paniek. Hij wist niet meer wat hij moest doen, raakte het overzicht kwijt en kon niet meer tot een ‘adequate’ oplossing komen. De toch al matige executieve functies, te weten het plannen en organiseren vanuit overzicht, kwamen verder onder druk te staan en belemmerden logisch denken. De invloed van drugs hebben daarbij vermoedelijk een versterkend effect gehad op zijn (vanuit stoornissen) toch al beperkte copingvaardigheden. De prikkels van lawaai en verzet moesten stoppen; het moest rustig en stil worden, waarop de verdachte het slachtoffer doodde. Paniek bij de verdachte speelde mogelijk een rol, maar in de glijdende schaal van afname van keuzevrijheid kunnen zich, blijkens de verklaring ter terechtzitting van de deskundigen van het PBC, evengoed momenten van berekening hebben voorgedaan. Momenten waarop, in de woorden van de psycholoog, de ratio toch meer naar voren kwam, zoals bij het zoeken naar ‘verstikking met een kussen’. Het is volgens de deskundigen niet mogelijk exact aan te wijzen vanaf welk moment zijn handelingsvrijheid in welke mate werd ingeperkt. Bij het seksuele misbruik en het toedienen van de drugs kunnen de deskundigen onderbouwen dat de keuze- en handelingsvrijheid in beperkte mate ingeperkt waren, wat betekent dat dit handelen enigszins verminderd toegerekend kan worden. Bij de doding werd de keuzehandelingsvrijheid substantieel ingeperkt, maar niet sterk of volledig. De deskundigen adviseren daarom dit feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Deze conclusies over het toerekenen zijn niet anders geworden voor de deskundigen als zij meewegen dat de verdachte naar eigen zeggen in zijn kinderjaren zelf seksueel is misbruikt door volwassenen. De deskundigen zien geen aanwijzingen dat de verdachte lust beleefde aan de pijn en angst van [slachtoffer 1] . De verdachte lijkt op een verwrongen manier [slachtoffer 1] eerder seksueel ‘plezier’ te hebben willen laten beleven of hem in een toestand te willen bewegen waarbij hij minder weerstand zou bieden, door hem een partydrug en Viagra te geven. De fase na het doden van [slachtoffer 1] : geen reden dit verminderd toe te rekenen Toen met de dood van [slachtoffer 1] de overspoelende prikkels er niet meer waren, kwam de verdachte meer bij zinnen en is er sprake van een min of meer planmatig handelen om het lichaam te onttrekken aan nasporing. Hierbij is er geen onderbouwing te geven om te adviseren dit in een verminderde mate toe te rekenen. Volgens de deskundigen liggen hieraan vermoedelijk opportunistische en antisociale motieven ten grondslag. De overige feiten: geen reden verminderd toe te rekenen Waar het gaat om het bezit van kinderporno en het vervaardigen daarvan zijn de deskundigen er, bij gebrek aan informatie, niet zeker van dat er toen ook sprake was van stoornissen in gebruik van cocaïne en/of xtc. Met betrekking tot deze feiten is er gedragskundig geen aanleiding deze feiten in een verminderde mate toe te rekenen, ondanks de gevonden pathologie. Een pedofiele stoornis heeft uiteraard een verband met deze feiten, maar zegt niet per se iets over een ingeperkte keuze- en handelingsvrijheid. Het betreft in het geval van al deze feiten primair seksueel gemotiveerd, egocentrisch gedreven gedrag, waarvan de verdachte de wederrechtelijkheid kon beseffen. Dit wordt benadrukt door het heimelijke karakter ervan. Gevaar voor herhaling en noodzaak van een behandeling: hoog recidiverisico en advies tot opleggen van tbs met dwangverpleging Als de verdachte zonder behandeling zou terugkeren in de vrije maatschappij, wordt de kans op recidiveren in een seksueel delict met een minderjarige jongen door de deskundigen als hoog ingeschat, waarbij drugsgebruik een extra risicofactor vormt. Hoewel vanuit de pathologie niet rechtstreeks te verwachten is dat dit opnieuw zal leiden tot een hoge kans op een doding, is er wel een hoge kans op gewelddadige escalatie te verwachten bij verzet van een slachtoffer. Het risico op niet-seksueel gewelddadig gedrag valt eveneens in te schatten als hoog. De kans op recidivering in seksuele hands-off delicten (bezitten, vervaardigen en verspreiden kinderporno) en het betasten van een slapend persoon is volgens de deskundigen matig tot hoog. Op basis van de huidige situatie zijn er maar weinig beschermende factoren tegen het herhalingsgevaar aan te wijzen. Gelet op de ernst van de problematiek is een klinische, langdurige behandeling geïndiceerd met daarnaast, zeker in een resocialisatiefase, een langdurig en scherp toezicht. Gelet op de ernst van de pathologie en het hoge recidiverisico voor gewelddadige seksuele delicten wordt geadviseerd om behandeling in het kader van de maatregel tbs met dwangverpleging te laten plaatsvinden. Ter terechtzitting op 15 oktober 2024 zijn de deskundigen bij deze conclusie gebleven: er is maar één interventie mogelijk en dat is de tbs met dwangverpleging. Alternatieven zijn er niet. De al lang bestaande pathologie vereist een hoog beveiligd kader en heel langdurig toezicht, voor ieders veiligheid. Wat volgt nu voor de rechtbank uit het onderzoek van het PBC? Hoe weegt de rechtbank de rapportage en de persoon van de verdachte mee? De deskundigen hebben geconcludeerd dat het seksuele misbruik enigszins verminderd en de moord op [slachtoffer 1] verminderd kunnen worden toegerekend. De pathologie van de verdachte, te weten de persoonlijkheidsstoornis en de pedofiele stoornis, is voor de deskundigen leidend geweest. Het drugsgebruik heeft daarbij, volgens de deskundigen, vermoedelijk een versterkend effect gehad, waarbij de deskundigen zijn uitgegaan van de verklaringen van de verdachte over de mate van dat drugsgebruik. Of en hoeveel drugs de verdachte heeft gebruikt op 1 juni 2022, kan de rechtbank niet vaststellen. De rechtbank vindt, zoals eerder gezegd, niet aannemelijk dat het zo veel was, als de verdachte de rechtbank wil laten geloven. Het drugsgebruik kan in alle gevallen echter hooguit verdachtes toch al beperkte copingvaardigheden nog verder hebben ingeperkt. Nu de pathologie van verdachte, ook voor de rechtbank, leidend is, neemt de rechtbank de conclusies van de deskundigen over de mate van toerekening over. Dat betekent dat de verdachte het seksuele misbruik van [slachtoffer 1] enigszins verminderd en de moord op [slachtoffer 1] verminderd kunnen worden toegerekend. De mate van toerekening is allereerst van belang bij de bepaling van de (hoogte van
  2. de)gevangenisstraf; de enigszins verminderde toerekening (ter zake het seksuele misbruik) en verminderde toerekening (ter zake de moord) moet in het voordeel van de verdachte bij de beoordeling worden betrokken. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat met dit aspect van de zaak door de officieren van justitie onvoldoende rekening is gehouden in de door hen geformuleerde strafeis. De rechtbank zal op grond van deze persoonlijke omstandigheid dan ook komen tot een lagere gevangenisstraf. De mate van toerekening is ook relevant voor de beantwoording van de vraag of aan de verdachte tbs met dwangverpleging kan worden opgelegd. Wettelijk is daarvoor immers vereist dat de verdachte leed aan stoornissen van zijn geestvermogens ten tijde van de bewezenverklaarde feiten, in casu het seksueel misbruik van en de moord op [slachtoffer 1] . Nu dit bovendien misdrijven betreft waarop een gevangenisstraf van 4 jaren of meer is gesteld en duidelijk is dat de algemene veiligheid van personen de maatregel van tbs eist, kan bedoelde vraag bevestigend worden beantwoord. Ook vereist, naar het oordeel van de rechtbank, de algemene veiligheid van personen, en in het bijzonder kinderen, dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd. Andere, minder ingrijpende opties zijn er niet om het gevaar dat de verdachte voor kinderen vormt tot een aanvaardbaar niveau terug te dringen en de rechtbank zal deze maatregel dan ook opleggen aan de verdachte. De rechtbank zal aldus tbs met dwangverpleging aan de verdachte opleggen. De rechtbank komt, als gezegd, tot een lagere gevangenisstraf dan geëist door de officieren van justitie op grond van een andere weging van de doorwerking van de mate van toerekening in de strafmaat. De verdediging heeft nog om matiging van de straf verzocht op basis van factoren als media-aandacht en de proceshouding. Deze factoren weegt de rechtbank niet mee. Voor wat betreft de proceshouding blijft het, al met al, moeilijk een goede inschatting te maken van de houding van de verdachte, nu hij er meermalen blijk van heeft gegeven bij het afleggen van zijn verklaringen ook aan zijn eigen belang te denken en zelfs gedrags-deskundigen niet kunnen inschatten of hij wel het achterste van zijn tong heeft laten zien. Daarbij is ook van belang dat bepaalde aspecten van de zaak, vanwege het forensische bewijs, ook niet meer door hem kónden worden ontkend en hij mogelijk daarom tot een wijziging in zijn verklaringen is gekomen. Zijn proceshouding weegt de rechtbank daarom noch in het voordeel, noch in het nadeel van de verdachte mee. Ten aanzien van de intensieve aandacht van media overweegt de rechtbank dat deze een welhaast inherent gevolg is van de gedragingen van de verdachte. Gelet op de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten is het logisch dat de maatschappij daardoor ernstig geschokt is, hetgeen begrijpelijkerwijs heeft geleid tot veel media-aandacht voor deze zaak. Nu dit evenwel het gevolg is van het eigen handelen van de verdachte, ziet de rechtbank geen reden dit in strafmatigende zin te verdisconteren in de strafmaat. De rechtbank constateert tot slot dat de redelijke termijn is overschreden waarbinnen een strafzaak in eerste aanleg in beginsel met een uitspraak zou moeten worden afgerond, op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Voor een gedetineerde geldt dan in algemene zin een termijn van 16 maanden, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen. Deze termijn nam in deze zaak een aanvang met de inverzekeringstelling van de verdachte op 4 juni 2022 en is daarom met 13 maanden overschreden. Nu het opsporingsonderzoek in deze zaak, gelet op de aard van de zaak, begrijpelijkerwijs zeer omvangrijk is geweest en het voorts mede aan de verdachte te wijten is geweest dat het opsporingsonderzoek langer heeft geduurd door de wisselende verklaringen van de verdachte, die telkens tot aanvullend onderzoek hebben geleid, is deze overschrijding niet zodanig dat een korting op de straf zou moeten worden gegeven. De rechtbank volstaat dan ook met het enkele constateren van de overschrijding. Rekening houdend met de ernst van de feiten, de recidive van verdachte, diens verminderde en enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid en de noodzaak van het opleggen van tbs met dwangverpleging komt de rechtbank, alles afwegende, tot het oordeel dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 25 jaren moet worden opgelegd. De rechtbank maakt geen gebruik van de mogelijkheid een advies te geven omtrent de aanvang van de tbs-behandeling. In de afweging van alle belangen, ook het belang van het zo vroeg mogelijk kunnen beginnen aan een behandeling, staan in deze zaak de vergelding en generale preventie voorop. De rechtbank kan op dit moment niet inschatten wanneer aan deze strafdoelen in voldoende mate tegemoet gekomen zal zijn. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering. De maatregel van artikel 38z Wetboek van Strafrecht? Tot slot zal de rechtbank nog de maatregel van artikel 38z Sr opleggen, opdat toezicht mogelijk blijft op de verdachte, als hij zijn straf heeft uitgezeten en de tbs-behandeling verantwoorde terugkeer in de maatschappij mogelijk heeft gemaakt. Deze maatregel, die zo nodig levenslang kan duren, is bij uitstek in het leven geroepen voor een feitencomplex als het onderhavige en maakt het mogelijk voor het Openbaar Ministerie om, ook na het einde van de tbs, risico-inschattingen te maken en daarop voorwaarden aan het gedrag van de veroordeelde aan de rechter voor te leggen. Aan de wettelijke vereisten voor opleggen van deze maatregel is voldaan, nu aan de verdachte de maatregel van tbs (met dwangverpleging) wordt opgelegd en naar het oordeel van de rechtbank dient die oplegging, gelet op de op dit moment geldende risico-inschatting van het PBC, de bescherming van de algemene veiligheid van personen. 7De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel De vorderingen van de nabestaanden van [slachtoffer 1] De heer [naam vader slachtoffer 1] , vader van [slachtoffer 1] (hierna ook: vader), en de (half)zussen van [slachtoffer 1] , [naam zus 1 slachtoffer 1] , [naam zus 2 slachtoffer 1 ] en [naam nabestaande] (hierna aangeduid met hun voornaam), vorderen schadevergoedingen van de verdachte. Gevorderde materiële schade [naam zus 2 slachtoffer 1 ] vordert onder de kostenpost “kosten lijkbezorging” de kosten van de begrafenis van [slachtoffer 1] en de kosten voor het vervaardigen van een gedenkteken voor [slachtoffer 1] , in totaal een bedrag van € 18.852,45. Vader wenst notariskosten van in totaal € 990,60 op de verdachte te verhalen. Gevorderde immateriële schade (smartengeld) De nabestaanden van [slachtoffer 1] vorderen ook bedragen voor diverse vormen van immateriële schade. Vader, [naam zus 1 slachtoffer 1] en [naam zus 2 slachtoffer 1 ] zijn van oordeel dat zij recht hebben op door de wetgever vastgestelde bedragen voor affectieschade, een vorm van immateriële schade voor secundaire slachtoffers. Zij zijn door de misdrijven van de verdachte niet rechtstreeks getroffen - dat is alleen [slachtoffer 1] -, maar de wet geeft hun recht op een vergoeding voor het verdriet dat de verdachte bij hen heeft veroorzaakt. Het gaat om een bedrag van € 20.000,- voor vader en telkens € 17.500,- voor [naam zus 1 slachtoffer 1] en [naam zus 2 slachtoffer 1 ] . [naam zus 1 slachtoffer 1] en [naam zus 2 slachtoffer 1 ] vorderen tevens een vergoeding voor shockschade (€ 35.000,-). Dat is immateriële schade van een secundair slachtoffer die is ontstaan door de hevige emotionele schok die het handelen van een verdachte en de confrontatie met de gevolgen daarvan bij dit secundaire slachtoffer hebben teweeggebracht. De nabestaanden vorderen verder in hun hoedanigheid van erfgenaam ieder € 50.000,- van de verdachte, vanwege door [slachtoffer 1] zelf geleden immateriële schade. Dit betreft smartengeld waarop [slachtoffer 1] , als primair slachtoffer, recht had door het handelen van de verdachte en welke aanspraak door vererving onder algemene titel is overgegaan op de erfgenamen. Het is, zo is de rechtbank gebleken, niet hun bedoeling ook per persoon € 50.000,- te ontvangen. De rechtbank verstaat de vorderingen zo dat de nabestaanden van [slachtoffer 1] dit bedrag gezamenlijk vorderen. De nabestaanden hebben verzocht de toe te wijzen bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en hebben verzocht aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen. Het standpunt van het Openbaar Ministerie en van de verdediging De officieren van justitie hebben de beoordeling van de vorderingen overgelaten aan de rechtbank. De verdediging heeft de beoordeling van drie posten aan de rechtbank overgelaten; de posten kosten lijkbezorging, notariskosten en affectieschade zijn niet door de verdediging betwist. Ook de juridische grondslag voor het toekennen van shockschade betwist de verdediging niet, maar er zou een lager bedrag moeten worden toegewezen, omdat rekening moet worden gehouden met het toe te kennen bedrag voor de affectieschade. De verdediging is tot slot van mening dat de vordering van de nabestaanden betreffende door [slachtoffer 1] zelf geleden schade (vererfde immateriële schade) niet kan worden toegewezen, nu niet is voldaan aan het in artikel 6:95 lid 2 BW opgenomen mededelingsvereiste en aan het wettelijk systeem niet met een beroep op de redelijkheid en billijkheid voorbij kan worden gegaan. Het oordeel van de rechtbank De kosten van lijkbezorging De vordering van [naam zus 2 slachtoffer 1 ] is gebaseerd op artikel 6:108 lid 2 BW. De vordering is met stukken onderbouwd en niet door de verdediging betwist. Het betreft rechtstreekse schade uit het onder 1 bewezenverklaarde feit, de moord op [slachtoffer 1] , en de verdachte is aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank zal de vordering toewijzen. De notariskosten Een grondslag voor toewijzing van dit deel van de vordering van de vader van [slachtoffer 1] is de rechtbank niet gebleken. Uit de overgelegde factuur en de toelichting van de advocaat maakt de rechtbank op dat de kosten gemaakt zijn om de erfrechtelijke verhoudingen vast te kunnen stellen tussen vader en andere nabestaanden van [slachtoffer 1] . Het zijn kosten ter afwikkeling van de nalatenschap en deze vallen niet onder de kosten van lijkbezorging als bedoeld in artikel 6:108 lid 2 BW. Het zijn ook geen kosten die gemaakt zijn om de omvang van de schade en de aansprakelijkheid vast te kunnen stellen, zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder b BW. Dat betekent dat, ook al heeft de verdediging de vordering niet betwist, in het strafproces deze post niet kan worden toegewezen, omdat deze kosten niet voldoen aan het vereiste dat het rechtstreekse schade uit het strafbare feit moet betreffen. De rechtbank zal de vader van [slachtoffer 1] daarom ten aanzien van deze post niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Affectieschade Affectieschade is immateriële schade die iemand lijdt door het verdriet dat ontstaat door, voor zover hier relevant, het overlijden van een naaste. Affectieschade vindt zijn grondslag in artikel 6:108 lid 3 BW. In artikel 6:108 lid 4 BW staat een opsomming van de personen die in aanmerking komen voor vergoeding van affectieschade bij overlijden, waarbij een door de wetgever vastgesteld forfaitair bedrag kan worden toegekend. Hierbij worden onder andere ouders, kinderen en partners van de overledene genoemd. Zij zijn secundair slachtoffer van degene die verantwoordelijk is voor de dood van hun naaste. De vader van [slachtoffer 1] heeft op grond hiervan recht op € 20.000,-, het door de wetgever vastgestelde bedrag in het Besluit vergoeding affectieschade. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van vader dan ook toe. De wetgever heeft er niet voor gekozen een recht op affectieschade in het leven te roepen voor broers en zussen van een overledene. Wél kent artikel 6:108 lid 4, onder g BW een zogenoemde hardheidsclausule. Deze houdt in dat, wanneer een persoon “ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt”, deze persoon alsnog voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komt. Daarbij moet dan bijvoorbeeld gedacht worden aan nabestaanden die in een bijzondere verzorgingsrelatie tot de overledene stonden. Alleen een liefdevolle band tussen deze personen en de overledene is niet genoeg om in die categorie te vallen. In de jurisprudentie is het criterium van een nauwe persoonlijke relatie inmiddels nader ingevuld en door de advocaten van [naam zus 1 slachtoffer 1] en [naam zus 2 slachtoffer 1 ] is aangevoerd dat zij zo’n nauwe relatie met [slachtoffer 1] hadden en zo ieder in aanmerking komen voor toekenning van € 17.500,-. De rechtbank heeft, ook al heeft de verdediging de vorderingen niet betwist, ambtshalve beoordeeld of aan [naam zus 1 slachtoffer 1] en [naam zus 2 slachtoffer 1 ] een beroep toekomt op de hardheidsclausule. De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van [naam zus 1 slachtoffer 1] en [naam zus 2 slachtoffer 1 ] goed zijn onderbouwd. Uit het dossier van de strafzaak en de toelichting op de vorderingen kan worden opgemaakt dat [slachtoffer 1] en [naam zus 2 slachtoffer 1 ] een hechte band hadden. Zij zijn opgegroeid in een vanuit het verleden zwaar belaste gezinssituatie, waarin [naam zus 2 slachtoffer 1 ] bestendig voor [slachtoffer 1] heeft gezorgd als het in periodes niet goed ging met hun moeder. [naam zus 2 slachtoffer 1 ] , die aanzienlijk ouder was dan [slachtoffer 1] , vormde een steun en toeverlaat voor [slachtoffer 1] en deze nauwe band bleef ook bestaan toen [naam zus 2 slachtoffer 1 ] niet meer met [slachtoffer 1] en hun moeder in één huis woonde. Ook met [naam zus 1 slachtoffer 1] had [slachtoffer 1] een hechte band en ook zij nam zorgtaken op zich. Zij woonden niet samen, nu [naam zus 1 slachtoffer 1] al het huis uit was toen [slachtoffer 1] geboren werd, maar [naam zus 1 slachtoffer 1] , [naam zus 2 slachtoffer 1 ] , hun moeder en [slachtoffer 1] hadden een hechte band met elkaar. [slachtoffer 1] verbleef regelmatig in het weekend bij [naam zus 1 slachtoffer 1] en [naam zus 1 slachtoffer 1] sprong ook vaker in als verzorgende van [slachtoffer 1] als het niet goed ging met hun moeder. Op de dag van zijn verdwijning woonde [slachtoffer 1] ook feitelijk bij [naam zus 1 slachtoffer 1] en was het de bedoeling dat [slachtoffer 1] daar ook zou blijven wonen en [naam zus 1 slachtoffer 1] voor langere tijd de zorgtaken van hun moeder zou overnemen. Gelet op deze factoren, die naar het oordeel van de rechtbank maken dat de band tussen [naam zus 1 slachtoffer 1] en [naam zus 2 slachtoffer 1 ] met [slachtoffer 1] de “gewone” affectieve band tussen broers en zussen overstijgt, is de rechtbank van oordeel dat [naam zus 1 slachtoffer 1] en [naam zus 2 slachtoffer 1 ] als ‘naasten’ in de zin van artikel 6:108 lid 3 BW moeten worden aangemerkt en zal de rechtbank aan ieder van hen een bedrag van € 17.500, - toewijzen, het vastgestelde bedrag in het Besluit vergoeding affectieschade in de categorie van artikel 6:108 lid 4, onder g BW. Shockschade Door [naam zus 1 slachtoffer 1] en [naam zus 2 slachtoffer 1 ] is voorts, ieder voor zich, een bedrag van € 35.000,- gevorderd ter vergoeding van geleden shockschade. Van shockschade is sprake als bij een secundair slachtoffer een hevige emotionele schok is teweeggebracht door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, waaruit vervolgens geestelijk letsel voortvloeit. De Hoge Raad heeft – kort gezegd – bepaald dat de rechter aan de hand van verschillende gezichtspunten, zoals de aard en ernst van de primaire normschending, de wijze van confrontatie en de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer, moet beoordelen of ook jegens het secundaire slachtoffer onrechtmatig gehandeld is (HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958). Verder is vereist dat er sprake is van naar objectieve maatstaven vastgesteld geestelijk letsel. De vraag is dus of in deze zaak door [naam zus 1 slachtoffer 1] en [naam zus 2 slachtoffer 1 ] voldoende onderbouwd is dat voldaan is aan de vereisten, ook al heeft de verdediging de grondslag niet betwist, maar alleen de hoogte van het toe te kennen bedrag. De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen goed zijn onderbouwd. [naam zus 1 slachtoffer 1] en [naam zus 2 slachtoffer 1 ] zijn geen directe getuigen geweest van de misdrijven die de verdachte pleegde. Wel hebben zij dagenlang intensief gezocht naar [slachtoffer 1] , waarbij zij heftige emoties hebben ervaren en in grote onzekerheid hebben verkeerd. De zoektocht eindigde met de verschrikkelijke mededeling dat [slachtoffer 1] , met wie zij een zeer hechte band hadden, niet meer leefde. Ook de confrontatie met alles wat [slachtoffer 1] overkomen bleek te zijn, is van belang, alsmede de confrontatie met een foto van het levenloze lichaam van [slachtoffer 1] ter identificatie. Verder is aangevoerd en goed invoelbaar dat [naam zus 1 slachtoffer 1] en [naam zus 2 slachtoffer 1 ] vanaf juni 2022 tot op heden lijden onder de indringende beelden die de feiten bij hen oproepen door de wetenschap dat [slachtoffer 1] een verschrikkelijke eenzame dood is gestorven. Kort samengevat laat zoiets deze nabestaanden niet los en is er sprake van shockschade. Ook is voldaan aan het vereiste dat naar objectieve maatstaven moet zijn vastgesteld dat sprake is van geestelijk letsel. Met door professionals verstrekte stukken is onderbouwd dat [naam zus 1 slachtoffer 1] en [naam zus 2 slachtoffer 1 ] gediagnosticeerd zijn met een posttraumatische stressstoornis en dat zij gestart zijn met een traumabehandeling. Hoe hoog moet het toe te kennen bedrag dan zijn? De advocaten van [naam zus 1 slachtoffer 1] en [naam zus 2 slachtoffer 1 ] hebben te kennen gegeven rekening gehouden te hebben met het toe te kennen bedrag voor affectieschade en hebben voor de hoogte van de vergoeding van shockschade verwezen naar diverse uitspraken. Al die zaken kenmerken zich door verschrikkelijke feiten, die evenwel niet zonder meer te vergelijken zijn met onderhavige zaak. Dat maakt het vaststellen van een gepast en billijk bedrag niet eenvoudig. De rechtbank is van oordeel dat, in vergelijking met de zaken waarnaar de advocaten hebben verwezen, een matiging moet plaatsvinden op het door [naam zus 1 slachtoffer 1] en [naam zus 2 slachtoffer 1 ] gevorderde bedrag. De rechtbank beschouwt € 20.000,- als een billijke vergoeding. De rechtbank betrekt daarbij dat de verdediging de toekenning van dit bedrag niet heeft betwist en heeft daarbij ook rekening gehouden met de al toegekende affectieschade. Door het bewezenverklaarde feit onder 1 is deze schade toegebracht aan [naam zus 1 slachtoffer 1] en [naam zus 2 slachtoffer 1 ] en de verdachte is aansprakelijk voor deze schade. Het recht op schadevergoeding van [slachtoffer 1] zelf (vererfde immateriële schade) Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit kan zich in het strafproces voegen met een vordering tot schadevergoeding. Dit betreft dan op de eerste plaats het primaire slachtoffer van het feit, in dit geval [slachtoffer 1] . De nabestaanden vorderen nu als rechtsopvolgers van [slachtoffer 1] onder algemene titel smartengeld voor [slachtoffer 1] . Als het primaire slachtoffer overleden is ten gevolge van het strafbare feit, dan kunnen zijn erfgenamen zich op grond van artikel 51f, tweede lid Sv voegen ter zake van hun onder algemene titel verkregen vordering van het slachtoffer. De erfgenamen nemen dan de positie van het slachtoffer, de benadeelde partij, over. Dat kan echter niet onbeperkt in geval van smartengeld. De wetgever heeft dit begrensd, omdat een aanspraak op smartengeld een heel persoonlijk karakter heeft. Als de vordering niet is ingediend door het slachtoffer zelf, kunnen de erfgenamen een vordering indienen, maar dan moet voldaan zijn aan het zogenoemde mededelingsvereiste, zoals opgenomen in artikel 6:95 lid 2 BW: het slachtoffer moet zelf hebben meegedeeld aanspraak te willen maken op smartengeld. Aan deze mededeling worden verder geen specifieke eisen gesteld en die kan bijvoorbeeld ook in gedragingen van het slachtoffer besloten liggen. Er is ook ruimte voor de rechter om de vordering op initiatief van de erfgenamen te behandelen en daarover te beslissen, als duidelijk is dat het slachtoffer die vordering wilde en zou gaan indienen, maar daar zelf niet aan toegekomen is. Recentelijk is in enkele strafzaken (de zogenoemde Mallorcazaak en de zaak van de Utrechtse tramschutter) de beperking van het mededelingsvereiste genuanceerd, in die zin dat dit vereiste terzijde is gesteld omdat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn een beroep op dit vereiste te doen in die gevallen waarin het slachtoffer door toedoen van de verdachte simpelweg geen mededeling kón doen, bijvoorbeeld omdat het in coma ligt door het handelen van de verdachte. Het moet dan wel gaan om immateriële schade die bij leven is ontstaan, zoals in het geval van [slachtoffer 1] door de ontvoering en het seksueel misbruik. Het verlies van het leven als zodanig geeft voor de overledene geen aanspraak op smartengeld. De verdediging heeft aan de hand van wetsgeschiedenis beargumenteerd dat de wetgever onverkort vasthoudt aan het mededelingsvereiste en dat er dus geen juridische basis is voor toewijzen van de vordering namens [slachtoffer 1] , omdat de beginselen van de redelijkheid en billijkheid niet zo ver mogen reiken dat de bepaling van artikel 6:95 lid 2 BW (het mededelingsvereiste) volledig terzijde wordt gesteld. De wetgever gaat er immers bij herhaling van uit dat het niet juist zou zijn een hoogst persoonlijke schadevergoeding aan nabestaanden te laten toekomen, terwijl de overledene zelf dat niet heeft gevorderd. Ook bij aanpassingen van slachtofferwetgeving in verband met affectieschade (in 2019) en ondanks kritiek op de bepaling, is de wetgever niet teruggekomen op deze bepaling, aldus de verdediging. De rechtbank ziet dat anders. Zij leest in de wetgeschiedenis met betrekking tot de affectieschade niet dat de specifieke omstandigheden, zoals die in de onderhavige zaak of bijvoorbeeld de Mallorcazaak spelen, in het wetgevingsproces zijn meegewogen. Alleen in algemene zin komen schadeveroorzakende gebeurtenissen in de parlementaire stukken aan de orde, zoals ongevallen, medische fouten en misdrijven. De omstandigheid dat juist door gedragingen van de veroorzaker de overledene niet in de gelegenheid kan zijn geweest aanspraak te maken op smartengeld komt niet aan de orde. De factoren opzet of schuld komen ook alleen terloops ter sprake, maar niet te lezen valt dat die factoren geen rol kunnen spelen bij de beoordeling van het mededelingsvereiste of de toepasselijkheid van de redelijkheid en billijkheid in dat kader. De vraag is nu of dit terzijde stellen van het mededelingsvereiste ook opgaat voor [slachtoffer 1] . Duidelijk is dat de moeder van [slachtoffer 1] , die als wettelijk vertegenwoordiger de vordering tot immateriële schadevergoeding namens hem zou hebben moeten indienen, vanaf het moment dat [slachtoffer 1] werd ontvoerd tot aan zijn dood geen gelegenheid heeft gehad de verdachte aansprakelijk te stellen voor het leed dat [slachtoffer 1] werd aangedaan. Het zou naar het oordeel van de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn als de verdachte, die [slachtoffer 1] bij leven ernstige schade heeft toegebracht, zich kan verweren tegen de vordering en zijn aansprakelijkheid ontloopt door het enkele feit dat door zijn handelen [slachtoffer 1] niet kenbaar heeft kunnen maken de door hem geleden schade op de verdachte te willen verhalen. Daaraan kan niet afdoen dat een recht op smartengeld een hoogst persoonlijk recht betreft noch dat de overledene daar zelf niets meer aan heeft. Voor de duidelijkheid: het gaat hier niet om schade ten gevolge van het overlijden van [slachtoffer 1] , maar om het leed dat door de verdachte aan [slachtoffer 1] voorafgaand aan diens dood is toegebracht, onder meer door hem te ontvoeren en hem seksueel te misbruiken. Het kan niet anders dan dat dit handelen van de verdachte voorafgaand aan het uiteindelijke overlijden van [slachtoffer 1] voor deze bijzonder traumatisch is geweest en dat [slachtoffer 1] een recht op smartengeld toekwam, had hij het overleefd. De rechtbank is daarom van oordeel dat aan [slachtoffer 1] rechtstreeks immateriële schade is toegebracht door de verdachte, dat de verdachte hiervoor aansprakelijk is en dat die schade vergoed moet worden. Het gevorderde bedrag van € 50.000,- acht de rechtbank ook zonder meer een billijk bedrag. De rechtbank acht de vordering dan ook toewijsbaar. De vervolgvraag is aan wie de schadevergoeding moet toekomen. Zowel vader als de halfzussen [naam zus 2 slachtoffer 1 ] , [naam zus 1 slachtoffer 1] en [naam nabestaande] hebben een vordering van € 50.000,-ingediend. Het kan echter niet zo zijn dat de vordering wordt toegewezen aan ieder van de nabestaanden. Dat zou immers betekenen dat de verdachte een veelvoud van de door [slachtoffer 1] geleden schade zou moeten betalen. De rechtbank heeft hierboven al vastgesteld dat dit uitdrukkelijk ook niet de bedoeling is van de nabestaanden, nu zij desgevraagd te kennen hebben gegeven dat de vorderingen niet cumulatief bedoeld zijn. Het is dus niet hun bedoeling per persoon € 50.000,- te ontvangen. De rechtbank begrijpt de vorderingen van de nabestaanden ter zake vererfde immateriële schadevergoeding van [slachtoffer 1] daarom aldus, dat zij de vorderingen niet namens zichzelf hebben ingesteld, maar dat zij dit namens de gezamenlijke erfgenamen hebben gedaan. Vorderingen dus als bedoeld in artikel 3:171 BW. Op grond van dat artikel is immers iedere deelgenoot in een nalatenschap bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoeken ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. De rechtbank is niet gebleken dat hierop een uitzondering geldt, zoals bedoeld in artikel 3:171 tweede volzin BW. Aannemelijk is voorts dat [slachtoffer 1] , ten tijde van zijn overlijden 9 jaar oud, geen testament had, zodat zijn vader en (half)zussen erfgenaam onder algemene titel zijn op grond van het bepaalde in artikel 4:10 lid 1 onder b BW. Uit het feit dat de nabestaanden van [slachtoffer 1] thans een vordering ter zake vererfde immateriële schade van [slachtoffer 1] hebben ingediend, leidt de rechtbank af dat zij de nalatenschap (al dan niet beneficiair) hebben aanvaard. Dat zij erfgenaam zijn is ook door de verdediging niet betwist. De vordering komt de rechtbank in zoverre niet onrechtmatig of ongegrond voor. Aan de gezamenlijke erven in de nalatenschap van [slachtoffer 1] zal daarom het door de nabestaanden gevorderde bedrag van € 50.000,-- ter zake vererfde immateriële schadevergoeding van [slachtoffer 1] worden toegewezen. Tot slot De toegewezen bedragen moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank ziet verder aanleiding om ter zake van de toegewezen bedragen de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen. De vordering van slachtoffer [slachtoffer 2] vordert € 3.000,- van de verdachte voor geleden immateriële schade. Het standpunt van het Openbaar Ministerie en van de verdediging De officieren van justitie hebben de beoordeling van de vordering overgelaten aan de rechtbank. De juridische grondslag voor het toewijzen van de vordering van [slachtoffer 2] wordt door de verdediging niet betwist, maar het gevorderde bedrag is volgens de verdediging te hoog. Het oordeel van de rechtbank De vordering van [slachtoffer 2] , het slachtoffer van het seksueel misbruik van feit 8, zal de rechtbank integraal toewijzen. Zij is van oordeel dat de verdachte [slachtoffer 2] door het seksueel misbruik rechtstreeks psychische schade heeft toegebracht en dat de verdachte civielrechtelijk voor deze schade aansprakelijk is. De grondslag voor toewijzing is aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en eerste lid onder b BW, te weten aantasting in de persoon op andere wijze dan door het toebrengen van lichamelijk letsel of het schaden van de eer of goede naam. De vordering is naar het oordeel van de rechtbank goed onderbouwd. [slachtoffer 2] heeft geen lichamelijk letsel opgelopen door het misbruik, maar is geestelijk ontredderd geraakt, toen hij op de hoogte werd gebracht van het vernederende misbruik van vertrouwen dat zijn toenmalige goede vriend van hem heeft gemaakt. Daar komt bij dat het misbruik is gefilmd, wat [slachtoffer 2] tot op heden in onzekerheid laat of anderen de beelden hebben gezien of nog steeds kunnen zien. Zoals ook ter terechtzitting is gebleken, kampt [slachtoffer 2] nog steeds met de heftige geestelijke gevolgen van het misdrijf. Gelet op de aard en de ernst van de normschending is het naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet vereist dat door deskundigen objectief is vastgesteld dat [slachtoffer 2] geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het misdrijf. Bij een dergelijk zedenmisdrijf ligt het ontstaan van dit type letsel zo voor de hand, dat het vereiste van door professionals vastgesteld geestelijk letsel mag worden gepasseerd en voldoende is dat het slachtoffer met stukken onderbouwd heeft dat hij met forse mentale klachten kampt en op een wachtlijst staat voor behandeling in de geestelijke gezondheidszorg. Het gevorderde bedrag vindt de rechtbank ook billijk. De zaak waarnaar de verdediging heeft verwezen, vindt de rechtbank niet vergelijkbaar met deze zaak. Gelet op de uitspraken waar de advocaat van [slachtoffer 2] naar heeft verwezen, is een bedrag van € 3.000,- passend. Het toegewezen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank ziet verder aanleiding om ter zake van het toegewezen bedrag de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen. 8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38z, 57, 151, 240b, 244, 247, 248, 282 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 9De beslissing De rechtbank: De vrijspraak - spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 4; Bewezenverklaring verklaart de tenlastegelegde feiten bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte voor de onder 3.4 bewezen verklaarde feiten tot een gevangenisstraf van 25 jaren; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; De maatregel van artikel 37a Sr gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld; beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd; De maatregel van artikel 38z Sr - legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking; Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van € 3.000,- voor geleden immateriële schade, ter zake van het bewezenverklaarde onder feit 7 en feit 8. De schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 maart 2019 tot aan de dag van volledige voldoening; veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer van een bedrag van € 3.000,-. Het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 maart 2019 tot aan de dag van volledige voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 6 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op; de verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot betaling; wijst de vordering van de erven in de nalatenschap van [slachtoffer 1] toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de erven in de nalatenschap van [slachtoffer 1] van € 50.000,-- voor geleden vererfde immateriële schade van [slachtoffer 1] ter zake van het bewezenverklaarde onder feit 2 en feit 3. De schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2022 tot aan de dag van volledige voldoening; veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de erven gemaakt, tot heden begroot op nihil en in de proceskosten die de erven ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken; legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de erven in de nalatenschap van [slachtoffer 1] van een bedrag van € 50.000,--. Het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2022 tot aan de dag van volledige voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 109 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op; wijst de vordering van de benadeelde partij [naam zus 2 slachtoffer 1 ] (gedeeltelijk) toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van € 56.352,45, waarvan € 37.500,- voor geleden affectie- en shockschade, ter zake van het bewezenverklaarde onder feit 1. De schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2022 tot aan de dag van volledige voldoening; verklaart deze benadeelde partij ter zake van het meergevorderde niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer van een bedrag van € 56.352,45. Het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2022 tot aan de dag van volledige voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 123 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op; de verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot betaling; wijst de vordering van de benadeelde partij [naam zus 1 slachtoffer 1] (gedeeltelijk) toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van € 37.500,- voor geleden affectie- en shockschade, ter zake van het bewezenverklaarde onder feit 1. De schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2022 tot aan de dag van volledige voldoening; verklaart deze benadeelde partij ter zake van het meergevorderde niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer van een bedrag van € 37.500,-. Het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2022 tot aan de dag van volledige voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 82 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op; de verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot betaling; wijst de vordering van de benadeelde partij [naam vader slachtoffer 1] (gedeeltelijk) toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van € 20.000,- voor gelden affectieschade ter zake van feit 1. De schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2022 tot aan de dag van volledige voldoening; verklaart de benadeelde partij ter zake van de post notariskosten niet-ontvankelijk; veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken; legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer van een bedrag van € 20.000,-. Het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2022 tot aan de dag van volledige voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 43 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op; de verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot betaling. Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.A. Wouters, voorzitter, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. L.E.M. Hendriks, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 november 2024. BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat Feit 1 hij op of omstreeks 1 juni 2022, althans in of omstreeks de periode van 1 juni 2022 tot en met 4 juni 2022 in de gemeente Kerkrade en/of de gemeente Landgraaf en/of de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) van het leven heeft beroofd, door [slachtoffer 1] te wurgen en/of (met een kussen) te smoren en/of (bijna) te verdrinken en/of (verdovende) middelen en/of medicijnen (namelijk middelen bevattende in elk geval MDMA en/of Sildenafil) te geven en/of te dwingen in te nemen, (artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht) subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat: hij op of omstreeks 1 juni 2022, althans in of omstreeks de periode van 1 juni 2022 tot en met 4 juni 2022 in de gemeente Kerkrade en/of de gemeente Landgraaf en/of de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) van het leven heeft beroofd, door [slachtoffer 1] te wurgen en/of (met een kussen) te smoren en/of (bijna) te verdrinken en/of (verdovende) middelen en/of medicijnen (namelijk middelen bevattende in elk geval MDMA en/of Sildenafil) te geven en/of te dwingen in te nemen, welke doodslag werd voorafgegaan en/of vergezeld van een of meerdere strafbare feiten, te weten de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] (art. 282 Sr) en/of het seksueel misbruik van [slachtoffer 1] (te weten met iemand beneden de leeftijd van 12 jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam (art. 244 Sr)), althans een poging daartoe en/of de zware mishandeling van [slachtoffer 1] (art. 302 juncto 304 Sr), en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit en/of die feiten gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren (artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat: hij op of omstreeks 1 juni 2022, althans in of omstreeks de periode van 1 juni 2022 tot en met 4 juni 2022 in de gemeente Kerkrade en/of de gemeente Landgraaf en/of de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) van het leven heeft beroofd, door [slachtoffer 1] te wurgen en/of (met een kussen) te smoren en/of (bijna) te verdrinken en/of (verdovende) middelen en/of medicijnen (namelijk middelen bevattende in elk geval MDMA en/of Sildenafil) te geven en/of te dwingen in te nemen (artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht) Feit 2 hij op of omstreeks 1 juni 2022, althans in of omstreeks de periode van 1 juni 2022 tot en met 4 juni 2022 in de gemeente Kerkrade en/of de gemeente Landgraaf en/of de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, opzettelijk wederrechtelijk [slachtoffer 1] van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden (artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht) Feit 3 hij op of omstreeks 1 juni 2022, althans in of omstreeks de periode van 1 juni 2022 tot en met 4 juni 2022 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland met [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), geboren op [geboortedatum 2] 2013, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , zulks terwijl verdachte het feit heeft begaan tegen een persoon ( [slachtoffer 1] ) bij wie misbruik van een kwetsbare positie werd gemaakt en/of het feit is voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld; (artikel 244 juncto 248 lid 3 en lid 5 van het Wetboek van Strafrecht) subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat hij op of omstreeks 1 juni 2022, althans in of omstreeks de periode van 1 juni 2022 tot en met 4 juni 2022 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), geboren op [geboortedatum 2] 2013, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) een of meer handelingen te plegen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , zulks terwijl verdachte het feit heeft begaan tegen een persoon ( [slachtoffer 1] ) bij wie misbruik van een kwetsbare positie werd gemaakt en/of het feit is voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld, hierin bestaande dat verdachte [slachtoffer 1] (onder meer) heeft gedwongen zichzelf uit te kleden en/of op zijn knieën plaats te nemen en/of hem (van achter bij zijn heupen) heeft vastgepakt en/of zijn, verdachtes penis, in de anus van [slachtoffer 1] heeft gebracht en/of heeft proberen te brengen, terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid; (artikel 45 juncto 244 juncto 248 lid 3 en lid 5 van het Wetboek van Strafrecht) Feit 4 hij op of omstreeks 1 juni 2022, althans in of omstreeks de periode van 1 juni 2022 tot en met 4 juni 2022 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland (meermalen) aan [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door [slachtoffer 1] (telkens) (verdovende) middelen en/of medicijnen (namelijk middelen bevattende in elk geval MDMA en/of Sildenafil) te geven en/of te dwingen in te nemen, terwijl het feit is/wordt gepleegd door toediening van voor het leven of de gezondheid schadelijke stoffen (artikel 302 juncto 304 van het Wetboek van Strafrecht) Feit 5 hij op of omstreeks 1 juni 2022, althans in of omstreeks de periode van 1 juni 2022 tot en met 4 juni 2022 in de gemeente Sittard-Geleen het lijk van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer 1] te verhelen, immers heeft hij, verdachte, het lijk van die [slachtoffer 1] in een of meer vuilniszak(ken) gewikkeld en/of verpakt en/of het lijk van die [slachtoffer 1] weggevoerd en/of verborgen en/of weggemaakt in een schuurtje en/of onder een overkapping, althans in de achtertuin van perceel [adres 2] te Geleen; (artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht) Feit 6 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 december 2018 tot en met 4 juni 2022 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) afbeeldingen, te weten foto’s en/of films en/of video’s en/of (een) gegevensdrager(s), bevattende afbeeldingen, te weten: - een of meerdere telefoon(
  3. s)(Samsung, type A52 en/of Samsung SM-A750FN-DS en/of Samsung SM-T510) en/of een HP Elitebook (onderzoek ROBIJN) en/of - een telefoon (Samsung Galaxy) (onderzoek BISSAU) van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verspreid en/of aangeboden en/of openlijk tentoongesteld en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of verworven en/of in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit: het met de penis en/of (een) vinger(s)/hand en/of de mond/tong en/of (een) voorwerp(
  4. en)oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of het met de penis en/of (een) vinger(s)/hand en/of de mond/tong en/of (een) voorwerp(
  5. en)oraal en/of anaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of het met de penis en/of (een) vinger(s)/hand en/of (een) voorwerp(
  6. en)oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren van het eigen lichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt (Onderzoek Robijn foto 29, p. 5 en 22 pv LBRAA22005-306 en/of foto 30, p. 5 en 22 pv LBRAA22005-306 en/of foto 31, p. 5 en 23 pv LBRAA22005-306 en/of foto 32, p. 5 en 23 pv LBRAA22005-306 en/of foto 33, p. 5 en 24 pv LBRAA22005-306 en/of foto 34 , p. 5 en 24 pv LBRAA22005-306) en/of (Onderzoek Bissau foto 5, p. 4 en 12 pv LBRBD22019/Bissau en/of foto 8, p. 4 en 13 pv LBRBD22019/Bissau en/of foto 12, p. 4 en 15 pv LBRBD22019/Bissau) en/of het met de penis en/of (een) vinger(s)/hand en/of de mond/tong en/of (een) voorwerp(
  7. en)betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel en/of billen en/of borsten van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of het met de penis en/of (een) vinger(s)/hand en/of de mond/tong en/of (een) voorwerp(
  8. en)betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel en/of billen en/of borsten van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of het met (een)vinger(s)/hand en/of (een) voorwerp(
  9. en)betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel en/of billen van het eigen lichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt (Onderzoek Robijn foto 26, p. 5 en 21 pv LBRAA22005-306 en/of foto 27, p. 5 en 21 pv LBRAA22005-306 en/of foto 28, p. 5 en 22 pv LBRAA22005-306) en/of (Onderzoek Bissau foto 7, p. 4 en 13 pv LBRBD22019/Bissau) en/of het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en/of opgemaakt is en/of poseert in een omgeving en/of met (een) voorwerp(
  10. en)en/of in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen en/of waarbij deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van zijn/haar kleding ontdoet en/o

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.