RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 24/309 uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2024 in de zaak tussen [naam 1] , uit [woonplaats 1] , verzoeker (gemachtigde: mr. M.C. van Meppelen Scheppink), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen (gemachtigde: [Naam gemachtigde] ). Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: [Naam derde belanghebbende] ( [Naam vennootschap 1] ) uit [woonplaats 2] . Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening. Verzoeker heeft dit verzoek ingediend in de bezwaarschriftprocedure die hij tegen het besluit van het college van 17 oktober 2023 aanhangig heeft gemaakt. Met dit bestreden besluit heeft het college de aan verzoeker (van [Naam vennootschap 2] ) verleende standplaatsvergunning voor de weekmarkt in Meerssen per 9 november 2023 ingetrokken. 2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker, [naam 1] (vader van verzoeker en tevens vennoot van [Naam vennootschap 2] ), de gemachtigde van het college, [naam 2] (de marktmeester van de gemeente Meerssen) en de derde-partij. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Wat ging er aan het bestreden besluit vooraf? 4. Verzoeker stond met zijn kaashandel op de weekmarkt in Meerssen. Aan hem is op 16 september 2021 een vaste-standplaatsvergunning voor onbepaalde tijd verleend. Twee voorwaarden, die verbonden zijn aan deze vergunning, luiden als volgt: “d. vergunninghouder dient de hem toegewezen plaats in te nemen. Hij hoeft zijn standplaats niet persoonlijk in te nemen. Hij dient hiertoe overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1 van de Marktverordening een verzoek in te dienen bij het college; (…) q. vergunninghouder is gehouden zich te houden aan het bepaalde in de “Marktverordening gemeente Meerssen 2013”.”. 4.1. Op 7 juni 2022 heeft de marktmeester verzoeker via een e-mail laten weten dat hij geconstateerd heeft dat hij de weken daarvoor niet zelf de standplaats heeft ingenomen, terwijl hij daartoe verplicht is. De marktmeester heeft verzoeker verzocht om zijn standplaats zelf in te nemen onder verwijzing naar de mogelijkheid om een vaste vervanger te laten bijschrijven op zijn standplaatsvergunning. Tot slot heeft de marktmeester aangegeven dat bij het geen gehoor geven aan zijn verzoek, hij genoodzaakt is om het college te vragen om de vergunning te schorsen of in te trekken. 4.2. Bij e-mail van 7 juli 2022 heeft verzoeker aan de marktmeester op grond van artikel 3.1 van de “Marktverordening gemeente Meerssen 2013” (Marktverordening) verzocht om zijn medevennoten van [Naam vennootschap 3] ( [naam 3] en [naam 4] ) als vaste vervanger bij te schrijven op zijn vaste-standplaatsvergunning. 4.3. Bij e-mail van 14 juli 2022 heeft de marktmeester aan verzoeker bericht dat op grond van artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Marktverordening vervanging alleen mogelijk is door een vennoot van de VOF van de vergunninghouder waarvoor de vergunning destijds is aangevraagd ( [Naam vennootschap 2] ). [naam 3] en [naam 4] zijn niet ingeschreven als vennoot van [Naam vennootschap 2] en kunnen daarom niet worden aangewezen als vervanger. Ook heeft de marktmeester verzoeker erop gewezen dat in het geval hij niet voldoet aan de eisen van de Marktverordening, de marktmeester het college verzoekt de vaste-standplaatsvergunning in te trekken. 4.4. Bij besluit van 12 januari 2023 heeft ook het college gelijkluidend op het verzoek voor vervanging beslist. Het college heeft daarbij nog vermeld dat besloten wordt tot intrekking van de vaste-standplaatsvergunning, indien verzoeker niet vanaf 9 februari 2023 de standplaats zelf inneemt. Tegen deze besluitvorming heeft verzoeker bezwaar en vervolgens beroep ingesteld bij deze rechtbank. Dit beroep loopt nog bij de rechtbank en is bekend onder zaaknummer ROE 23/2092. 4.5. Bij e-mail van 31 augustus 2023 heeft de marktmeester aan verzoeker laten weten dat hij op 24 en 31 augustus niet persoonlijk zijn standplaats heeft ingenomen en dat hij ook in de voorafgaande periode slechts incidenteel aanwezig was op de weekmarkt in Meerssen. Verder heeft de marktmeester in deze e-mail verzoeker nadrukkelijk gewezen op de gevolgen van het niet zelf innemen van de aan hem vergunde standplaats, onder verwijzing naar het besluit van 12 januari 2023. In reactie daarop heeft de gemachtigde van verzoeker bij e-mail van 18 september 2023 onder meer aan de marktmeester laten weten dat hij op voornoemde data afwezig was in verband met vakantie en dat hij dit tijdig heeft gemeld bij andere (vrijwillige) marktmeesters. 4.6. Bij e-mail van 14 september 2023 heeft verzoeker de marktmeester op de hoogte gebracht dat hij 8 tot 10 weken uit de running is vanwege een gebroken arm. Verzoeker vraagt de marktmeester of hij zich tijdens zijn herstel mag laten vervangen door [naam 4] en [naam 3] . Bij besluit van 21 september 2023 heeft het college de ziekmelding van verzoeker beschouwd als een bijzondere omstandigheid. Aan verzoeker is toestemming verleend om zich tot 9 november 2023 te laten vervangen door [naam 4] en [naam 3] voornoemd. 4.7. Vervolgens heeft het college het bestreden besluit genomen en de vaste-standplaatsvergunning van verzoeker met ingang van 9 november 2023 ingetrokken. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat verzoeker in de periode van 9 februari 2023 tot en met 14 september 2023 tijdens dertig marktdagen zeven keer aanwezig is geweest en hij zich vijf keer heeft afgemeld. Het college heeft verder geconstateerd dat op de dagen dat verzoeker aanwezig was hij de standplaats niet persoonlijk innam, maar dit overliet aan de medewerkers van [Naam vennootschap 3] en hij daarmee niet voldeed aan de bepalingen in de Marktverordening én de VFL 2023. Is er sprake van een spoedeisend belang? 5. De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek tot voorlopige voorziening hangende een bezwaarprocedure of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening moet worden beoordeeld of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 5.1. Verzoeker heeft toegelicht dat hij niet direct na het bestreden besluit een voorlopige voorziening heeft gevraagd, omdat zijn vennoten van [Naam vennootschap 3] van het college toestemming hadden gekregen om de plaats op de weekmarkt tot 8 februari 2024 in te nemen. Zijn vennoten verkopen ook [naam 5] . Nu die toestemming inmiddels niet meer geldt, heeft verzoeker een spoedeisend belang. Hij kan geen gebruik meer maken van de vergunning, verliest omzet maar ook goodwill doordat zijn zorgvuldig opgebouwde klantenkring nu verdwijnt en hij die niet zo maar weer heeft opgebouwd. Daarnaast heeft hij een medewerker speciaal in dienst voor de weekmarkt in Meerssen op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, waarvan hij afscheid zal moeten nemen. Volgens verzoeker zijn dit onomkeerbare gevolgen. 5.2. De voorzieningenrechter is met het college eens dat het belang van verzoeker ten minste gedeeltelijk een financieel belang betreft, hetgeen in beginsel geen spoedeisend belang oplevert. De voorzieningenrechter overweegt daarnaast dat verzoeker het gestelde belang, bijvoorbeeld ten aanzien van de medewerker die enkel voor de weekmarkt in Meerssen zou zijn aangenomen, (beter) had moeten onderbouwen. De voorzieningenrechter komt desalniettemin tot de conclusie dat het spoedeisend belang in deze zaak, mede gelet op de aard en gevolgen van het bestreden besluit, niet helemaal kan worden uitgesloten. Daarom geeft de voorzieningenrechter verzoeker het voordeel van de twijfel en zal de voorzieningenrechter het verzoek inhoudelijk behandelen. Welke bepalingen uit de gemeentelijke verordeningen zijn van belang? 6. In de Marktverordening, die tot 6 juli 2023 gold, staat (samengevat) dat het college een vergunning voor een vaste standplaats al dan niet voorwaardelijk kan intrekken, dan wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen kan schorsen, indien de vergunninghouder het bij deze verordening bepaalde of de voorschriften van de vergunning overtreedt. 6.1. In artikel 3.1, tweede lid, van de Marktverordening is bepaald dat de vergunninghouder zijn standplaats niet persoonlijk hoeft in te nemen. Hij kan bij het college een aanvraag indienen om zich te laten vervangen door een van te voren aangewezen vaste vervanger. 7. Op 6 juli 2023 is de Marktverordening ingetrokken en de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Meerssen 2023 (VFL 2023) van kracht geworden. 7.1. In artikel 3.94, tweede lid, onder b, van de VFL 2023, staat dat het college de vaste-standplaatsvergunning kan intrekken als de vergunninghouder het bij of krachtens de VFL 2023 bepaalde heeft overtreden. Op grond van sub e van genoemd artikel kan het college de vergunning intrekken wanneer de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen niet zijn of worden nageleefd. 7.2. Op grond van artikel 3.96, eerste lid, van de VFL 2023, neemt de houder van een vaste-standplaatsvergunning de hem toegewezen standplaats persoonlijk in. In geval van vakantie of bijzondere omstandigheden kan het college echter toestaan dat de standplaats wordt ingenomen door een vervanger. Is het college bevoegd om de standplaatsvergunning in te trekken? 8. Het college heeft in het bestreden besluit aangegeven en ter zitting toegelicht dat de intrekking van de vaste-standplaatsvergunning van verzoeker is gebaseerd op het feit dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.