RECHTBANK LIMBURG Familie- en Jeugdrecht Locatie Maastricht Zaaknummer: C/03/326705 / JE RK 24-114 Datum uitspraak: 21 februari 2024 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdhulp in de zaak van de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Limburg, locatie Maastricht, hierna te noemen: de raad, betreffende de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] , advocaat: mr. C.J.M. Dreessen, kantoorhoudend te Sittard, gemeente Sittard-Geleen. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonend op een bij de rechtbank bekend adres binnen het arrondissement Limburg, en [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonend op een bij de rechtbank bekend adres binnen het arrondissement Limburg, hierna gezamenlijk te noemen: de ouders, de gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG, hierna te noemen: de GI, gevestigd te Roermond. 1. Het verloop van de procedure 1.1. Het procesverloop blijkt uit: - het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 22 januari 2024. 1.2. De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 februari 2024. Daarbij waren aanwezig: - de minderjarige [minderjarige] , die apart is gehoord, bijgestaan door en in tegenwoordigheid van haar advocaat; - de moeder; - de vader; - een vertegenwoordigster van de raad; - een vertegenwoordiger van de GI. 1.3. Ter mondelinge behandeling van 21 februari 2024 heeft de kinderrechter met toepassing van artikel 29a lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mondeling uitspraak gedaan, waarbij aan de verschenen belanghebbenden de beslissing en de belangrijkste gronden van de beslissing zijn medegedeeld. Deze beschikking vormt de volledige schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak van de kinderrechter. 2. De feiten 2.1. Het gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders. [minderjarige] verblijft in de gesloten accommodatie voor jeugdhulp [naam 1] te [woonplaats] . 2.2. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 7 november 2023 is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna te noemen: het college) niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om een machtiging te verlenen om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 15 november 2023 is vervolgens eenzelfde verzoek van het college afgewezen nu de ouders hun instemming als bedoeld in artikel 6.1.2. Jeugdwet uitdrukkelijk ter zitting hebben ingetrokken. 2.3. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 24 november 2023 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 24 november 2023 tot 24 februari 2024. Daarnaast is bij diezelfde beschikking een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 24 november 2023 tot 8 december 2023. Vervolgens is bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 6 december 2023 een machtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 8 december 2023 tot 24 februari 2024. 3. Het verzoek 3.1. De raad verzoekt om [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van twaalf maanden. Daarnaast verzoekt de raad een machtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden. Ten slotte verzoekt de raad de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De raad legt aan zijn verzoek ten grondslag dat [minderjarige] op alle fronten ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat er sprake is van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat opneming en verblijf van [minderjarige] binnen de gesloten jeugdhulp noodzakelijk en het meest geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. De raad maakt zich ernstig zorgen over de sociaal-emotionele, cognitieve, seksuele en identiteits- en persoonlijkheidsontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] is een kwetsbaar meisje met ASS-problematiek die daarnaast kenmerken heeft van een onveilige hechting en een verstoorde moeder-kindrelatie. [minderjarige] heeft een leerachterstand, lijkt niet goed om te kunnen gaan met vrijheden, heeft moeite met het reguleren van haar emoties en beschikt over onvoldoende copingsvaardigheden. Ook doet [minderjarige] (nog steeds) suïcidale uitspraken en heeft ze recent nog geautomutileerd. Daarnaast had [minderjarige] – voorafgaand aan haar huidige plaatsing binnen [naam 2] – risicovolle (seksuele) contacten met (oudere) jongens en mannen, waarbij zij vaak zelf het initiatief nam en via internet naaktfoto’s van zichzelf verspreidde. Ook geeft ze aan graag zwanger te willen worden om de wens van haar moeder op het krijgen van nog een kindje, in vervulling te laten gaan. De problematiek en het daarmee gepaard gaand gedrag van [minderjarige] heeft ertoe geleid dat [minderjarige] op verschillende plekken heeft verbleven, zoals Mondriaan, Tobas, Xonar en [naam 2] . Passende behandeling is echter tot op heden onvoldoende van de grond gekomen waardoor het toekomstperspectief van [minderjarige] nog altijd onvoldoende duidelijk is. Door het uitblijven van passende behandeling blijft [minderjarige] zich op een zowel lichamelijk als emotioneel onveilige manier ontwikkelen. Bovendien blijft onduidelijk in welke mate de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] veroorzaakt wordt door kindfactoren, in welke mate de gedragsproblemen voortkomen uit hechtings-, dan wel ASS-problematiek, in welke mate de problematiek situationeel is en in welke mate oorzaken gelegen zijn in het opvoedershandelen van de ouders of in omgevingsfactoren. Het risico bestaat dat als er niets verandert, [minderjarige] afglijdt in risicovol en antisociaal gedrag waarbij ze extremen blijft opzoeken en zich in gevaarlijke situaties blijft begeven. Hoewel de ouders zeer betrokken zijn bij [minderjarige] en duidelijk het beste voor haar willen, bestaat er al reeds voor de geboorte van [minderjarige] zorgen over de mate waarin zij in staat zijn voldoende adequaat aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige] . De ouders zoeken steeds opnieuw de verbinding met [minderjarige] en proberen haar in alle opzichten te ondersteunen, echter tegelijkertijd is het voor de ouders heel moeilijk om aan te sluiten bij wat zij van haar opvoeders vraagt en is het moeilijk om haar gedrag te begrenzen en consequent en duidelijk te zijn. Hoewel Mondriaan hulp heeft ingezet voor de moeder-kindrelatie, is deze problematiek hardnekkig. De problematiek van [minderjarige] mag en kan daarom volgens de raad niet uitsluitend verklaard worden vanuit kindeigen problematiek, maar kent ook een oorzaak in het opvoedershandelen van de ouders. Het is voor de ouders lastig om vertrouwen te hebben in hulpverlening en om te accepteren dat passende hulp voor [minderjarige] nog altijd niet voldoende van de grond is gekomen waardoor het perspectief nog altijd ontbreekt. Hoewel de ouders zich meewerkend opstellen en hulpverlening accepteren, vinden ze dat echt inhoudelijke hulp te lang op zich laat wachten. De raad heeft weliswaar in zijn onderzoek afgewogen of andere vormen van hulpverlening en/of verblijfsplaatsen op dit moment geschikt zouden zijn voor [minderjarige] , echter is daarbij tot de conclusie gekomen dat [minderjarige] vooralsnog de bescherming nodig heeft van de gesloten jeugdzorg en dat plaatsing in een meer open setting op dit moment niet aansluit bij de opvoedingsvraag van [minderjarige] . [minderjarige] heeft dringend nood aan ego-versterking en ondersteuning van haar sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling om de risico’s die er zijn te doen afnemen. Inmiddels is gebleken dat [minderjarige] binnen (naar verwachting) drie of vier maanden, behandeling kan volgen bij Mondriaan. De huidige plaatsing bij [naam 2] is – gelet op het voorgaande – in afwachting van de plaatsing van [minderjarige] bij Mondriaan, het meest geschikt. De gevraagde duur is daarom ook nodig in het belang van [minderjarige] . 4. De standpunten van de belanghebbenden 4.1. De ouders stemmen in met het verzoek. De ouders voeren aan het in het belang van [minderjarige] te achten dat, indien en voor zover de kinderrechter een machtiging gesloten jeugdhulp zou verlenen, deze verleend zal worden – in afwijking van de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper – voor de duur van zes maanden (in plaats van drie maanden). Een machtiging gesloten jeugdhulphulp voor de duur van slechts drie maanden zal ertoe leiden dat er op korte termijn wederom een mondelinge behandeling bij de rechtbank zal plaatsvinden. Dit zal voor veel onrust en spanning bij [minderjarige] zorgen en dat vindt ze niet fijn. 4.2. De GI kan zich verenigen met het verzoek van de raad. De GI geeft aan dat het weliswaar (sinds er meer duidelijkheid is ontstaan over het perspectief) beter met [minderjarige] gaat, maar deze verbetering is nog heel pril. Zeer recent lukte het [minderjarige] niet om zich aan afspraken te houden en zat ze niet lekker in haar vel. [minderjarige] kan rond april/mei 2024 starten met haar behandeltraject bij Mondriaan. Ter overbrugging is het van belang dat [minderjarige] haar verblijf bij [naam 1] kan voortzetten. De GI geeft ten slotte aan dat, indien en voor zover een machtiging gesloten jeugdhulp zal worden verleend, een machtiging voor de duur van zes maanden een minder grote belasting zal zijn voor zowel [minderjarige] als de ouders. Een machtiging voor een kortere termijn – en daarmee op redelijk korte termijn een nieuwe mondelinge behandeling – zal bij zowel [minderjarige] als de ouders voor meer onrust zorgen. Daar komt bij dat, indien [minderjarige] eerder kan worden overgeplaatst naar Mondriaan, de machtiging gesloten jeugdhulp zal worden geschorst. 5. De mening van [minderjarige] De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. [minderjarige] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en is ter zitting gehoord, buiten aanwezigheid van de overige belanghebbenden. Ter zitting heeft de kinderrechter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven aan de belanghebbenden, waarna zij de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. geeft aan dat ze behandeling nodig heeft, maar dat deze behandeling nog niet van de grond is gekomen. Over ongeveer drie of vier maanden kan [minderjarige] echter behandeling volgen bij Mondriaan (behandelgroep [naam behandelgroep] ). Als stok achter de deur zal dan waarschijnlijk een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp worden gevraagd, aldus [minderjarige] . [minderjarige] geeft verder aan dat de band met haar ouders goed is. De ouders zijn heel betrokken. [minderjarige] gaat naar school en ook dat gaat goed. Verder volgt [minderjarige] muziektherapie. Tijdens deze therapie schrijft en zingt [minderjarige] haar eigen liedjes zodat ze haar gevoelens kan uiten. [minderjarige] is het eens met de plannen die zijn gemaakt en is blij dat er eindelijk iets gaat gebeuren en ze behandeling kan gaan volgen. De advocaat heeft namens [minderjarige] nog naar voren gebracht dat de opgebouwde vrijheden tot dusver goed zijn verlopen en dat de recente overnachting van [minderjarige] thuis bij de ouders ook goed is gegaan. [minderjarige] en de ouders hebben een zware periode achter de rug waarbij hulpverlening, waar [minderjarige] (en de ouders) zo naar snakten, niet van de grond kwam. Ondanks dat hulpverlening niet van de grond kwam, heeft [minderjarige] altijd de goede moed weten te behouden. Hoewel de gedragswetenschapper slechts heeft ingestemd met een machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van drie maanden en de advocaat in beginsel van mening is dat hiervan niet zou moeten worden afgeweken, is de advocaat in de gegeven omstandigheden en gelet op de problematiek van [minderjarige] van mening dat een machtiging gesloten jeugdhulp, indien en voor zover deze zou worden verleend, voor de duur van zes maanden het meest in haar belang is. 6. De beoordeling De ondertoezichtstelling 6.1. Op grond van artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling, indien de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Ook moet de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de gezaghebbende ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.