← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2024:9660

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Bestuursrecht zaaknummers: ROE 21 / 2785, 21 / 2801 en 21 / 2802 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2024 in de zaken tussen [eiser 1] , eiser 1, (gemachtigde: mr. H.P.J.G. Berkers) [eiseres] , eiseres, (gemachtigde: mr. A.M.L. Josten), [eiser 2] , eiser 2, (gemachtigde: mr. A.M.L. Josten) allen uit [woonplaats] , gezamenlijk aan te duiden als eisers, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten, verweerder, (gemachtigden: M. Ramackers en ing. J.G.H.M. Ackermans). Als derde partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] , uit [vestigingsplaats] , vergunninghoudster, (gemachtigde: mr. G.L.M. Teeuwen). Procesverloop

  1. Bij besluit van 25 januari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder een tijdelijke omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster voor het opstellen van parasols met heaters op het vlonderterras op het perceel tegenover [adres] in [plaats] , kadastraal bekend als gemeente [kadastrale gegevens 1] , [kadastrale gegevens 2] en [kadastrale gegevens 3] (gedeeltelijk).
  2. Bij besluit van 31 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
  3. Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd.
  4. De rechtbank heeft de beroepen op 3 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigden van eisers, de gemachtigden van verweerder, [gemachtigde] , eigenaar van vergunninghoudster, en de gemachtigde van vergunninghoudster. Ook is van de kant van verweerder verschenen [belanghebbende 1] , werkzaam bij de Regionale uitvoeringsdienst Zuid-Limburg, sinds 1 juli 2024 en verder te noemen Omgevingsdienst Zuid-Limburg (hierna: ODZL), en van de kant van vergunninghoudster [vergunninghoudster] , geluidtechnicus bij [bedrijfsnaam] (hierna: [bedrijfsnaam] ). Het onderzoek ter zitting is geschorst om partijen de gelegenheid te geven om te bezien of zij onderling tot overeenstemming kunnen komen. Nadat verweerder en eisers de rechtbank bij brieven van 15 februari 2024 en 20 februari 2024 hebben laten weten dat het niet gelukt is om tot overeenstemming te komen, heeft eiseres nog twee luchtfoto’s overgelegd en heeft vergunninghoudster desgevraagd aangegeven op een nadere zitting gehoord te willen worden. Vervolgens heeft vergunninghoudster op 30 mei 2024 twee notities overgelegd van het geluidBuro van 29 maart 2024 en 30 maart 2024 waarin het rapport van Peutz van 9 november 2021 (namens eisers) respectievelijk het rapport van [bedrijfsnaam] van 6 januari 2022 (namens vergunninghoudster) zijn beoordeeld, alsmede een naar aanleiding van de notities van het geluidBuro aanvullende rapportage van [bedrijfsnaam] van 2 mei
  5. De beroepen zijn op de nadere zitting van 11 juni 2024 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eiseres en eiser 2, mr. M. Beukema-Veldkamp in plaats van de gemachtigde van eiser 1, de gemachtigden van verweerder, [gemachtigde] en de gemachtigde van vergunninghoudster. Ook is van de kant van verweerder verschenen [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] werkzaam bij de ODZL. (Totstandkoming van) het bestreden besluit
  6. Vergunninghoudster is eigenaar van het [derde-partij] gelegen aan [adres] in [plaats] . Op het perceel tegenover [adres] in de uiterwaarden van de Maas exploiteert vergunninghoudster een vlonderterras. Voor dit vlonderterras met windschermen heeft verweerder bij besluit van 14 november 2013 een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen verleend. In de aanvraag, die deel uitmaakt van die omgevingsvergunning, is opgenomen dat het gebruik van het vlonderterras voor ongeveer 100 personen is. 6.
  7. Op 23 november 2020 heeft vergunninghoudster een aanvraag voor de onderhavige omgevingsvergunning ingediend voor het legaliseren van de bestaande zes parasols met daarin per parasol vier demontabele terrasheaters op het vlonderterras voor de duur van 10 jaar (hierna ook wel aan te duiden als: het plan). De percelen waarop het vlonderterras is gelegen hebben op grond van het bestemmingsplan “Eijsden” (hierna: het bestemmingsplan) de enkelbestemmingen ‘Natuur’ (functieaanduiding ‘specifieke vorm van natuur-vlonder’) en voor een klein gedeelte ‘Overig-Waterkering’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde-Archeologie 4a’, ‘Waarde-Cultuurhistorie’, ‘Waarde-Ecologie’, ‘Waterstaat-Stroomvoerend rivierbed’ en ‘Waterstaat-Beschermingszone waterkering’. Niet in geschil is dat de parasols met heaters in strijd zijn met het bestemmingsplan, omdat op gronden met de (dubbel)bestemming ‘Natuur’ en ‘Waterstaat-Stroomvoerend rivierbed’ niet mag worden gebouwd, voor de bestemming ‘Natuur’ uitgezonderd bouwwerken geen gebouwen zijnde met een maximale bouwhoogte van 1,20 meter én het geen bestaande bouwwerken betreft waardoor deze niet in de huidige omvang mogen worden gehandhaafd. Onbetwist is dat de parasols hoger zijn dan 1,20 meter. Evenmin is betwist dat door het aanbrengen van terrasverwarming sprake is van een verwarmd en overdekt terrein, waardoor artikel 2.18, eerste lid, onder a, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) niet meer van toepassing is en het stemgeluid van de personen op het vlonderterras wordt meegenomen bij de bepaling van de geluidniveaus.
  8. Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)) en, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo in samenhang met artikel 4, onderdeel 11, van het Besluit omgevingsrecht (Bor), het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo). Uit het onderzoek door [bedrijfsnaam] van 21 september 2020, dat vergunninghoudster heeft laten verrichten, en uit de beoordeling van de ODZL van 18 november 2020 van dit onderzoek blijkt dat aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit wordt voldaan. Omdat er geen significante veranderingen in het gebruik van het vlonderterras gaan plaatsvinden en het stemgeluid binnen de wettelijke norm blijft, acht verweerder het niet aannemelijk dat het plan het woon- en leefklimaat van omwonenden onevenredig aantast. De aanvraag past volgens Rijkswaterstaat en het Waterschap Limburg binnen de contouren van de watervergunning, zodat er geen strijdigheden zijn met het stroom voerende regime en met de bestemming ‘Overig-Waterkering’. Ook adviseert de monumentencommissie om akkoord te gaan met de aanvraag.
  9. In bezwaar hebben eisers een rapport van Peutz van 13 april 2021 overgelegd, waarin wordt geconcludeerd dat het te toetsen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de avond niet 45 maar minimaal 52 á 53 dB(A) zal bedragen en de maximale geluidniveaus tot 66 dB(A) zullen bedragen. De standaardnormering van het Activiteitenbesluit wordt met dergelijke waarden ruim overschreden. De overschrijding van het toegestane langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bedraagt minimaal 7 á 8 dB(A). Met een terras dat ook na 23.00 uur gebruikt wordt, bedraagt de overschrijding van de toegestane maximale geluidniveaus minimaal 6 dB(A). 8.
  10. Verweerder gaat in het bestreden besluit uit van de in de vergunningaanvraag vermelde bezetting van 72 personen op het vlonderterras. Van deze aantallen is het door de ODZL uitgevoerde onderzoek van 17 juni 2021, als reactie op de door eisers overgelegde rapportage van Peutz van 13 april 2021, ook uitgegaan. Volgens verweerder is het onderzoek van ODZL correct uitgevoerd. Verweerder deelt de conclusie van ODZL dat de gehanteerde bronvermogens van 65 dB(A) stemgeluid gemiddeld per persoon en 86 dB(A) voor het maximaal geluidniveau realistisch zijn, aangezien er weinig verkeer is waardoor bezoekers niet met verheven stem hoeven te spreken. De waarneempunten 2 en 3 zijn volgens verweerder representatief voor de optredende geluidniveaus van de woning van eiseres 2 en uit de berekening van de geluidbelastingen, die correct zijn uitgevoerd en daarmee niet zijn onderschat, blijkt dat het geluidniveau binnen de grenswaarden van het Activiteitenbesluit blijft. 8.
  11. In beroep hebben eisers een rapportage van Peutz van 9 november 2021 overgelegd, waarin dezelfde conclusie is opgenomen als in het rapport van Peutz van 13 april
  12. 8.
  13. Op 6 januari 2022 heeft [bedrijfsnaam] een nader geluidrapport opgesteld waarin in plaats van 72 personen wordt uitgegaan van 81 personen. Geconcludeerd wordt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van stemgeluid ter plaatse van de gevels van de naburige woningen aan de geluidnorm van het Activiteitenbesluit voldoet. Het maximaal geluidniveau voldoet eveneens aan de geluidnorm van het Activiteitenbesluit. 8.
  14. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat blijkens het geactualiseerde rapport van [bedrijfsnaam] van 6 januari 2022 niet langer wordt uitgegaan van 72 maar van 81 personen. Dit betekent volgens verweerder dat de vergunning van 14 november 2013 moet worden gewijzigd van 100 personen naar 81 personen. Vergunninghoudster zal erop moeten toezien dat het vlonderterras wordt ingedeeld op basis van het genoemde aantal van 81 conform het akoestisch rapport van K&H van 6 januari
  15. 8.
  16. Peutz heeft op 26 juli 2022 gereageerd op het akoestisch onderzoek van [bedrijfsnaam] van 6 januari 2022 en geconcludeerd dat het te toetsen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de avond niet 45 maar minimaal 50 dB(A) zal bedragen, en de maximale geluidniveaus tot 68 dB(A) zullen bedragen, wat een overschrijding van minimaal 5 dB(A) respectievelijk 8 dB(A) is. Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht
  17. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 23 november
  18. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo en het Bor, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Toetsingskader
  19. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen op grond van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo beleidsruimte toekomt en de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Omvang van het geschil
  20. De rechtbank beoordeelt de tijdelijke omgevingsvergunning voor het plaatsen van parasols met heaters in de parasols. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. Eiser 1 heeft tijdens de zitting zijn beroepsgrond over de tijdelijkheid van de omgevingsvergunning laten vallen. Eiseres heeft tijdens de zitting haar beroepsgrond over de stroomvoorziening van de parasols met heaters en veiligheid hiervan laten vallen. Dit betekent dat voormelde beroepsgronden niet (meer) ter beoordeling voorliggen. 11.
  21. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. Goede procesorde
  22. Voordat de rechtbank ingaat op de beroepsgronden overweegt zij ten aanzien van de goede procesorde als volgt. 12.1 Omdat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen naar aanleiding van de zitting van 3 oktober 2023 is aan hen gevraagd of zij een nadere zitting willen (brief van de rechtbank van 12 maart 2024). De gemachtigde van vergunninghoudster heeft bij brief van 2 april 2024 laten weten dat zij gehoord wil worden. In de kennisgeving van 21 mei 2024 van de rechtbank aan partijen is uitgegaan van de zittingsdatum van 11 juni 2024 en is vermeld dat daarvan slechts wordt afgeweken als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarvan is volgens de rechtbank niet gebleken. Bij mail van 30 mei 2024 heeft de gemachtigde van vergunninghoudster stukken aan de rechtbank gezonden voor de zitting van 11 juni
  23. Het gaat om een brief met (een uitleg over de) bijbehorende producties. De producties 1 en 2 van het geluidBuro dateren van 29 maart 2024 respectievelijk 30 maart
  24. Productie 3 van 2 mei 2024 is een reactie daarop van [bedrijfsnaam] . De inhoud van deze producties bevat volgens de rechtbank technische en mogelijk complexe informatie inzake de geluidbelasting. In dit verband en gezien de korte periode tot de zitting van 11 juni 2024 is op 3 juni 2024 een brief van de rechtbank uitgegaan naar partijen om aan te geven dat op de aanstaande zitting aan de orde komt of er (geen) strijd is met de goede procesorde om deze nieuwe stukken in deze stand van het geding nog mee te nemen. Dit is gebeurd om partijen daarmee niet pas op de zitting te confronteren. Tijdens de nadere zitting op 11 juni 2024 is door de rechtbank gewezen op de voormelde brief van 3 juni 2024 en voorts op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 28 februari 2024 waarin ook de goede procesorde speelt. De gemachtigden van eisers hebben ter zitting laten weten, met name vanwege de noodzakelijke aanvullende reactie van hun eigen deskundige, dat er sprake is van strijd met de goede procesorde. De rechtbank heeft zich daarbij ter zitting aangesloten. Hierbij is volgens de rechtbank mede van belang dat pas op 30 mei 2024 (en niet eerder, bij voorbeeld bij het bericht om gehoord te willen worden) is aangegeven dat nog aanvullende geluidrapporten overgelegd zouden worden / men daarmee bezig was. Eisers hebben te weinig tijd gehad om er zich (via een deskundige) inhoudelijk over uit te laten. Opnieuw de zaak aanhouden, door te voorzien in een nieuwe schriftelijke ronde en / of extra zitting, zou volgens de rechtbank tot onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure leiden in het licht van de belangen van de overige partijen en een goede rechtspleging. De rechtbank betrekt de op 30 mei 2024 door de gemachtigde van vergunninghoudster toegezonden stukken vanwege strijd met de goede procesorde daarom niet bij de beoordeling van het bestreden besluit. Beroepsgronden
  25. Eisers stellen dat de omgevingsvergunning voor meer overlast zorgt, omdat een vergunning voor parasols met verwarming ervoor zorgt dat het vlonderterras een groter deel van het jaar klanten trekt en het terras tot later in de nacht gebruikt zal worden. Verweerder heeft geen deugdelijke belangenafweging gemaakt. Volgens eisers heeft verweerder ten onrechte geen vergunningsvoorwaarde opgenomen over de aantallen toegestane bezoekers van het vlonderterras, terwijl de intergemeentelijke adviescommissie bezwaarschriften (hierna: de commissie) dit wel had geadviseerd. Met de enkele stelling dat dit niet nodig is, omdat dit blijkt uit de aanvraag heeft verweerder ongemotiveerd afgeweken van het advies. Volgens de commissie en eisers is onduidelijk hoeveel mensen op het vlonderterras kunnen plaatsnemen. In de aanvraag wordt een aantal van 72 genoemd, vergunninghoudster heeft tijdens de hoorzitting bij de commissie een aantal van 50 genoemd, terwijl 100 zitplaatsen zijn vergund. In het geluidrapport van de ODZL en K&G is in de technische bijlagen ten onrechte gerekend met 56 en ook 54 mensen. Als er meer bezoekers in de praktijk c.q. volgens de omgevingsvergunning voor het vlonderterras zijn toegestaan, is er direct ook sprake van een hogere geluidbelasting. 13.
  26. Voorts stelt verweerder volgens eisers ten onrechte dat uit een akoestisch rapport blijkt dat de geluidoverlast binnen de normen blijft. Zowel het geluidrapport van [bedrijfsnaam] van 21 september 2020 als het advies van de ODZL van 26 augustus 2020 en 17 juni 2021 zijn onzorgvuldig en ondeugdelijk tot stand gekomen, omdat zij niet uitgaan van een representatieve bedrijfssituatie. In de rapporten is geen rekening gehouden met de bezoekers die op straat staan of op de muur zitten te wachten op een zitplaats. In het geluidrapport wordt ten onrechte een gebruikspercentage van 50% aangehouden als representatief gebruik in de dagperiode. De horecaplek wordt jaarrond zeer druk bezocht, wat blijkt uit de banken waarop klanten kunnen wachten op een plekje op het terras, zodat uitgegaan dient te worden van 100% daggebruik. Dat betekent dat uitgegaan moet worden van de vergunde 100 zitplaatsen voor het vlonderterras. De in het geluidrapport genoemde 72, dan wel 54, maximale bezoekers op het vlonderterras is volgens eisers geen correcte weergave van de werkelijkheid. Op de drie terrassen samen (dakterras, terras bij voorgevel café en vlonderterras) zijn de vergunde 214 (100 vlonderterras, 74 dakterras en 40 straatterras) mensen aanwezig. Verweerder dient dan ook bij de berekening of voldaan wordt aan de geluidnorm uit te gaan van de vergunde en realistische situatie. Dit klemt temeer nu maar net wordt voldaan aan de geluidnorm (49,9 dB waar 50 dB is toegestaan). Dit betekent volgens eisers dat niet wordt voldaan aan de geluidnormen van het Activiteitenbesluit. Ten aanzien van het stemgeluid kon verweerder volgens eisers niet uitgaan van de norm van 65 dB(A) voor verheven stemgeluid en 86 dB(A) voor het maximale geluidniveau. Er is immers geen sprake van een rustig terras, maar van een gemiddeld terras met een maximale waarde van 100 dB(A). De enkele verwijzing naar de beleidsnotitie ‘Uitgangspunten berekening stemgeluid eetterrassen’ van de gemeente Utrecht (beleidsnotitie) betreft een ondeugdelijke motivering. 13.
  27. Het rapport van de ODZL gaat volgens eisers ten onrechte niet uit van een worst-case scenario. Ter nadere onderbouwing hebben eisers een notitie van 9 november 2021 van Peutz overgelegd, waaruit blijkt dat genoemde onderzoeken niet juist zijn en niet wordt voldaan aan de geluidnormen, aangezien de aantallen bezoekers en de gehanteerde norm van 86 dB(A) onrealistisch laag is. Ook stelt Peutz dat de westgevel van het huis van eiseres niet de maatgevende gevel is, maar de zuidgevel, omdat daar het slaapkamerraam ligt. Daar komt bij dat het geluid niet wegvalt tegen het geluid in de omgeving, aangezien enkel bestemmingsverkeer is toegestaan. 13.
  28. Eiseres vindt dat de vergunde parasols haar uitzicht op de Maas in ernstige mate aantasten. Daaraan is in het bestreden besluit geen aandacht besteed. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat
  29. Uit de beroepsgronden en het behandelde ter zitting volgt dat eisers vinden dat met he gebruik maken van de onderhavige omgevingsvergunning hun woon- en leefklimaat ter plaatse onevenredig wordt aangetast. Dat ziet op de geluidbelasting. In dat verband zijn met name de aantallen bezoekers, de openingstijden, de cumulatie van geluid(bronnen) ter plaatse van belang. Voor eiseres komt daar verlies aan uitzicht bij. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.
  30. De rechtbank stelt vast dat op 14 november 2013 een omgevingsvergunning is verleend voor het vlonderterras met windschermen met 100 zitplaatsen. Deze is niet gewijzigd of ingetrokken. Dit betekent dat deze omgevingsvergunning - en niet het onderhavige plan - de vlonder horeca-activiteiten mogelijk maakt. Gelet hierop moet het gebruik van de vlonder als terras met 100 plaatsen planologisch aanvaardbaar worden geacht. De rechtbank stelt voorts vast dat aannemelijk en niet betwist is dat het met de onderhavige omgevingsvergunning toevoegen van parasols met heaters ertoe leidt dat mensen langer in het jaar en tot later op de dag / in de nacht op het terras zullen zitten waardoor meer geluidoverlast kan ontstaan. De vraag die hier voorligt is of het bestreden besluit tot een (onevenredige) aantasting van het woon- en leefklimaat van eisers leidt. Aantallen bezoekers
  31. Verweerder stelt in het bestreden besluit dat geen onduidelijkheid bestaat over het aantal mensen dat het vlonderterras kan bezoeken. Het in de aanvraag genoemde aantal bezoekers geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid ervan. Dit aantal is eveneens overgenomen in het ODZL advies, zodat niet valt in te zien dat, als gesuggereerd door de commissie, het ODZL rapport op dat punt ondeugdelijk is. In het verweerschrift stelt verweerder dat niet langer wordt uitgegaan van de in het bestreden besluit genoemde 72 maar van 81 personen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de huidige situatie reeds een terras aanwezig is dat ook als zodanig in gebruik is. Het toevoegen van parasols met heaters kan er toe leiden dat mensen langer en tot later op het terras zitten waardoor potentieel meer geluidoverlast kan ontstaan. Het akoestisch onderzoek heeft echter uitgewezen dat binnen de wettelijke geluidkaders wordt gebleven. Omdat er geen significante veranderingen in het gebruik van het terras gaan plaatsvinden en het stemgeluid binnen de wettelijke normen blijft, wordt niet aannemelijk geacht dat het plan het woon- en leefklimaat van omwonenden onevenredig aantast. 16.
  32. De rechtbank stelt vast dat in de aanvraag voor de onderhavige omgevingsvergunning een aantal van 72 plaatsen wordt genoemd. De ODZL en K&H zijn van dit aantal plaatsen uitgegaan in hun adviezen. Gelet hierop is verweerder in het betreden besluit uitgegaan van 72 personen als bezetting voor het vlonderterras en vond hij het niet nodig, zoals door de commissie geadviseerd, om in een vergunningsvoorwaarde het maximaal aantal plaatsen (personen) op te nemen. 16.
  33. In het verweerschrift geeft verweerder aan dat niet langer van 72, maar van 81 personen - daarmee is in het geactualiseerde rapport van [bedrijfsnaam] van 6 januari 2022 gerekend - op het vlonderterras moet worden uitgegaan. Dit betekent volgens verweerder dat de vergunning van 14 november 2013 voor het bouwen van het vlonderterras moet worden gewijzigd naar 81 personen, omdat deze vergunning is verleend voor 100 personen die plaats kunnen nemen op het vlonderterras. 16.
  34. De rechtbank overweegt dat zo lang deze wijziging niet heeft plaatsgevonden - dit was ten tijde van de zitting van 11 juni 2024 nog zo -, vergunninghoudster op grond van de vergunning van 14 november 2013 100 personen mag laten plaatsnemen op het vlonderterras, mits de heaters niet aan zijn. Hierdoor ontstaat volgens de rechtbank, zoals eisers aangeven, een onduidelijke en eigenlijk niet handhaafbare situatie, namelijk dat als de parasols met heaters aan zijn maximaal 72 dan wel 81 personen aanwezig mogen zijn, maar indien de heaters uitgezet worden (met al dan niet uitgeklapte parasols), 100 personen aanwezig mogen zijn. Op deze manier bestaan er als het ware twee vergunningen naast elkaar, wat naar het oordeel van de rechtbank in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt, nog afgezien van de ontbrekende motivering waarom verweerder afwijkt van het advies van de commissie om het aantal bezoekers als vergunningsvoorwaarde op te nemen. Geluidbronnen / cumulatie
  35. De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder een eigen afweging dient te maken over de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen van eisers, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 maart
  36. In het kader van een goede ruimtelijke ordening bij het beoordelen van het woon- en leefklimaat vanwege de geluidbelasting ter plaatse van een woning komt betekenis toe aan alle relevante geluidbronnen. Bij toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo geldt dat slechts omgevingsvergunning kan worden verleend als het aangevraagde project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Die strijd doet zich voor als een goed woon- en leefklimaat als gevolg van het project niet is gewaarborgd. Hierbij kan volgens de rechtbank niet (sec) worden volstaan met een toets aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Ook geluid waarop die grenswaarden geen betrekking hebben, zoals het stemgeluid van bezoekers op de openbare weg voor het eetcafé, dient betrokken te worden bij de vraag of een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit diende dan ook voldoende inzicht te bestaan in de door het eetcafé van vergunninghoudster veroorzaakte geluidniveaus, zowel wat de geluidbronnen betreft waarop de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit betrekking hebben als andere geluidbronnen. 17.
  37. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen en niet berust op een deugdelijke motivering, nu K&G en ODZL in het kader van de beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat geen onderzoek hebben verricht naar de door de wachtende bezoekers op de openbare weg veroorzaakte geluidniveaus en naar de cumulatie van het stemgeluid van bezoekers op het vlonderterras en de overige terrassen (straat- en dakterras). In het rapport van ODZL van 17 juni 2021 wordt namelijk gesteld dat ‘Geluidbronnen buiten de inrichting (zoals klanten die buiten in de rij staan of na afloop van hun bezoek buiten de terrassen staan te praten) niet vallen onder de directe hinder van de inrichting. Voor geluidbronnen buiten de inrichtingsgrens (indirecte hinder) zijn geen geluidvoorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit. (…). Bovendien zal, naar verwachting, vanwege de plaatsing van de heaters het aantal personen buiten de terrassen niet toenemen. Er zal daardoor geen extra hinder optreden van bronnen buiten de inrichting, waarmee de (eventuele) indirecte hinder aanvaardbaar wordt geacht.’ Laatstgenoemde heeft verweerder, door het onderdeel maken van het advies van de commissie, overgenomen. De rechtbank volgt verweerder / de ODZL hierin niet, omdat doordat het terras ten gevolge van de heaters later en langer in het jaar open is, de geluidhinder van de geluidbronnen buiten de inrichtingsgrens zal toenemen. Verweerder heeft in het bestreden besluit enkel gesteld dat door de plaatsing van de heaters naar verwachting het aantal personen buiten de inrichting niet zal toenemen. Verweerder heeft weliswaar aangegeven dat de omgevingsvergunning tot gevolg heeft dat mensen langer en tot later op het terras zitten waardoor potentieel meer geluidoverlast kan ontstaan, maar verweerder heeft op geen enkele wijze aangegeven wat de gevolgen hiervan zijn voor het woon- en leefklimaat van eisers, terwijl deze geluidniveaus juist een bron zijn waarvan eisers stellen veel hinder te ondervinden. De enkele stelling dat er geen significante veranderingen in het gebruik van het terras gaan plaatsvinden en het stemgeluid van het vlonderterras binnen de wettelijke geluidnormen van het Activiteitenbesluit blijft is hiertoe, gelet op het vorenstaande, onvoldoende. Daarbij is voorts van belang dat de omgeving ter plaatse (anders dan in de verderop gelegen Diepstraat) als rustig kan worden aangemerkt en volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd is dat zomaar aangesloten kan worden - zie onder ro 8.
  38. - bij de gehanteerde bronvermogens over het stemgeluid en waarom niet van een worst-case situatie wordt uitgegaan. De rechtbank volgt eisers in dit verband en doet dat in het licht van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ook voor de cumulatie van het geluid van alle terrassen (zie onder 13.1 en 13.2). Dit betoog van eisers slaagt. Openingstijden 17.
  39. Ook is de rechtbank van oordeel dat verweerder, door verwijzing naar het rapport van [bedrijfsnaam] van 21 september 2020 en ODZL van 17 juni 2021 ter onrechte is uitgegaan van een terras tot 24:00 uur, omdat niet betwist is dat het café (en daarmee ook het vlonderterras) tot 02:00 uur open mag zijn (op basis van de algemeen geldende sluitingstijden). Dat vergunninghoudster heeft aangegeven dat het terras thans gewoonlijk open is tot 24:00 uur maakt niet dat dit ook het geval zal zijn nadat de heaters in werking zijn, omdat de verwachting is, zoals ook door verweerder gesteld, dat bezoekers nog langer op het vlonderterras zullen verblijven. In de door verweerder aangehaalde akoestische onderzoeken is hiermee ten onrechte geen rekening gehouden. De heaters zullen naar verwachting tevens tot gevolg hebben dat de bezettingsgraad, met name in de avond, hoger zal zijn dan 75% tussen 23:00 en 24:00 uur, omdat door de heaters bezoekers later op het terras zullen verblijven. 17.
  40. In dit verband verwijst de rechtbank naar ro 17.1., waar zij al heeft overwogen dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte geen blijk heeft gegeven van wat de invloed van het voor een langere periode in het jaar open zijn van het vlonderterras is op het woon- en leefklimaat van eisers. Verweerder stelt enkel, zonder enige belangenafweging, dat de omgevingsvergunning er weliswaar toe kan leiden dat mensen tot later op het terras zitten, maar dat het woon- en leefklimaat van omwonenden niet onevenredig wordt aangetast, aangezien het stemgeluid binnen de wettelijke normen blijft. Hierbij acht de rechtbank mede van belang dat in de omgevingsvergunning geen (maximale) tijdstippen zijn opgenomen, zowel niet qua eindtijd per dag als periode in het seizoen. Met andere woorden: het vlonderterras kan / mag jaarrond tot 02:00 uur open zijn, hetgeen door de heaters tot meer overlast zal leiden, aangezien de genoemde tijden opgerekt zullen worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit hiermee onvoldoende rekening gehouden bij de vraag of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van eisers. 17.
  41. De ODZL geeft in haar rapporten van 18 november 2020 en 17 juni 2021 aan dat de in het rapport van K&G opgenomen norm van 55 dB(A) niet correct is en dat getoetst dient te worden aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit van 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Aangezien maar net binnen de norm in de nachtperiode wordt gebleven (berekend 49,9 dB(A)), is de rechtbank van oordeel dat, gelet op wat hiervoor is overwogen over de bezettingsgraad en openingstijden, moet worden betwijfeld dat aan de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit kan worden voldaan. 17.
  42. Uit het voorgaande volgt dat deze beroepsgronden slagen. Uitzicht
  43. Eiseres stelt dat de parasols het uitzicht op de Maas in ernstige mate aantasten. In het bestreden besluit wordt hieraan geen aandacht besteed, zodat het bestreden besluit ook op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. 18.
  44. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit verwijst naar het advies van de commissie. In dit advies wordt op de laatste pagina ingegaan op de aantasting van het uitzicht op de rivier en wordt gesteld dat de Afdeling in haar uitspraak van 31 december 2013 reeds tot de conclusie is gekomen dat het vlonderterras in samenhang met de aard van de omgeving niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. Hierbij heeft de Afdeling ook het uitzicht op de rivier betrokken. De commissie stelt dat hier door het onderhavige bouwplan geen verandering in optreedt. 18.
  45. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee onvoldoende gemotiveerd of de thans vergunde parasols zorgen voor een verminderd uitzicht van eiseres op de Maas. In de omgevingsvergunning van 14 november 2013 voor het vlonderterras waren namelijk nog geen parasols van deze omvang (met of zonder heaters) vergund. Dat doet de onderhavige vergunning (met heaters) pas. Uit de overgelegde foto’s blijkt dat de parasols een deel van het uitzicht wegnemen, terwijl in genoemde uitspraak van de Afdeling geen rekening is gehouden met de parasols, omdat deze destijds nog niet waren voorzien. Verweerder heeft niet onderzocht in welke mate het uitzicht van eiseres hierdoor wordt beperkt. Daarbij is niet alleen de hoogte / omvang van de parasols van belang als deze zijn uitgeklapt maar ook hoe lang die uitgeklapt zijn. Dat ziet namelijk zowel op de situatie als de zon schijnt (en de heaters niet gebruikt worden) als in de periodes dat de zon niet of minder schijnt en het minder warm is en de parasols uitgeklapt (moeten) zijn vanwege het gebruik van de heaters. Deze beroepsgrond slaagt. Tussenconclusie inhoudelijke beroepsgronden
  46. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet zorgvuldig heeft onderzocht en niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in verband met de geluidbelasting ter plaatse van de percelen van eisers een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de omgevingsvergunning kan worden gewaarborgd. Voor eiseres geldt dat ook voor het uitzicht. Verweerder heeft bovendien geen (evenredige) belangenafweging verricht tussen de belangen van vergunninghoudster bij het toevoegen van parasols (met heaters) op het vlonderterras en de belangen van eisers bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarom is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2, 7:12 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Redelijke termijn
  47. Eiseres en eiser 2 hebben bij brieven van 21 september 2023 een verzoek om schadevergoeding ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn. Eiser 1 heeft geen verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ingediend. De rechtbank is in beginsel niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden wanneer in beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. De uitzonderingssituatie, te weten als ten tijde van het sluiten van het onderzoek geen sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn en deze, uitgaande van de in artikel 8:66 van de Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien was, is hier niet van toepassing. Dit betekent dat eiser 1 geen recht heeft op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. 20.
  48. De redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Die mag maximaal twee jaar duren, waarvan de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De omstandigheden van het geval kunnen een langere behandelingsduur rechtvaardigen. Voor de overschrijding van de redelijke termijn moet per half jaar een bedrag van € 500,- aan immateriële schadevergoeding worden toegekend, waarbij een periode van minder dan een half jaar geacht moet worden ook een periode van een half jaar te bedragen. 20.
  49. Voor de zaken van eiseres (ROE 21 / 2801) en eiser 2 (ROE 21 / 2802) betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van de pro forma bezwaarschriften op 9 maart 2021 tot de datum van deze uitspraak zijn drie jaar en ruim negen maanden verstreken. Daarmee is de redelijke termijn van twee jaar overschreden, te weten met één jaar en ruim negen maanden. Verweerder heeft binnen een half jaar na ontvangst van de vermelde bezwaarschriften beslist. De overschrijding is derhalve aan de rechtbank toe te rekenen. De rechtbank vindt wel dat de periode waarin partijen hebben geprobeerd tot overeenstemming te komen niet aan haar is toe te rekenen. Die laat de rechtbank voor rekening van partijen. Dit betekent dat de periode van 3 oktober 2023 (aanhouding zitting om minnelijke oplossing te beproeven) tot 19 februari 2024 (ontvangst brief van verweerder van 15 februari 2024 waarin aangegeven wordt dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen) niet meetelt voor de berekening van de overschrijdingstermijn. Deze periode betreft vier maanden en 16 dagen. Dit betekent dat de redelijke termijn met één jaar en (afgerond) vijf maanden is overschreden. Eiseres en eiser 2 zouden daarom recht hebben op een immateriële schadevergoeding van ieder € 1.500,- (drie maal € 500,-). De rechtbank ziet evenwel in de omstandigheid dat eiseres en eiser 2 gezamenlijk als partij aan de procedure hebben deelgenomen, aanleiding dit bedrag te matigen in die zin dat het berekende bedrag aan schadevergoeding wordt gedeeld door hen. Dit betekent dat per persoon een bedrag van € 750,- moet worden toegekend. Deze matiging acht de rechtbank redelijk vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen als partij in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lang durende procedure. Dit betekent dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een bedrag van in totaal € 1.500,- aan eiseres en eiser 2 gezamenlijk zal worden veroordeeld, als schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Conclusie en gevolgen
  50. De beroepen zijn gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel (artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb) en in het bestreden besluit geen (evenredige) belangenafweging is gemaakt (artikel 3:4 van de Awb). Verwezen wordt naar de tussenconclusie in ro
  51. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen op de bezwaren van eisers met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank vindt dat verweerder dit moet doen binnen een termijn van drie maanden.
  52. Voorts komt eiseres en eiser 2 een schadevergoeding toe vanwege overschrijding van de redelijke termijn (zie onder 20 t/m 20.2). Vergoeding griffierecht
  53. Vanwege de gegrondverklaring van de beroepen krijgen eisers van verweerder het griffierecht terug. Vergoeding proceskosten
  54. Eisers hebben vanwege de gegrondverklaring van de beroepen ook recht op een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding van kosten voor juridische bijstand en deskundigenkosten betalen. 24.
  55. Voor de door een derde beroepsmatig verleende juridische bijstand stelt de rechtbank deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 2.187,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). Vanwege samenhang als bedoeld in artikel 3 van het Bpb van de zaken van eiseres en eiser 2, worden deze zaken voor de toepassing van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand beschouwd als één zaak. Dit betekent dat de genoemde kosten van rechtsbijstand voor eiseres en eiser 2 gezamenlijk het genoemde bedrag van € 2.187,50 bedragen. Zij krijgen dus hetzelfde bedrag als eiser
  56. De kosten van juridische bijstand in de bezwaarprocedure komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het bestreden besluit niet wordt herroepen wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid (artikel 7:15 van de Awb). 24.
  57. Eiseres en eiser 2 hebben verzocht om verweerder te veroordelen in de kosten voor het opstellen van de adviezen van Peutz. Hiertoe hebben zij op 16 maart 2022 en 6 oktober 2022 nota’s van Peutz ingediend, waarnaar wordt verwezen in het formulier proceskosten. De nota d.d. 23 februari 2022 (brief van 16 maart 2022) van € 1.742,- betreft de onderbouwing van de beroepen met de second opinion van Peutz van 9 november
  58. De bij brief van 6 oktober 2022 overgelegde nota van € 891,10 betreft het advies van Peutz van 26 juli 2022 als reactie op het als bijlage bij het verweerschrift gevoegde rapport van K&G van 6 januari
  59. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, komen de kosten van een deskundige op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Het door Peutz gehanteerde uurtarief van € 90,- en de bestede uren acht de rechtbank redelijk. Ter zitting is een en ander met de gemachtigde van verweerder besproken en die heeft aangegeven, bij een gegrondverklaring van de beroepen, zich te kunnen in de vergoeding van de gevraagde deskundigenkosten. Dat neemt de rechtbank over. 24.
  60. De gemachtigde van eiseres en eiser 2 heeft in de brief van 6 oktober 2022 aangegeven dat alle deskundigenkosten zijn verdeeld tussen eisers. De rechtbank zal desondanks bepalen dat eiseres en eiser 2 elk de helft van de gemaakte deskundigenkosten vergoed krijgen. Dit betekent dat verweerder in dit verband € 1.316,55 (€ 2.633,10 : 2) aan eiseres en eiser 2 dient te vergoeden. Het is aan hen dit te verrekenen met eiser
  61. De in de bezwaarprocedure gemaakte deskundigenkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het bestreden besluit niet wordt herroepen wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid (artikel 7:15 van de Awb). Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op binnen drie maanden na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren met inachtneming van deze uitspraak; - wijst het verzoek van eiseres en eiser 2 om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe; - veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan eiseres en eiser 2 van een schadevergoeding tot een bedrag van ieder € 750,-; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 181,- aan eiser 1, eiseres en eiser 2 moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.187,50 aan proceskosten aan eiser 1; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 4.829.60 (€ 2.187,50 + 2 x € 1.316,55) aan proceskosten aan eiseres en eiser 2 gezamenlijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van mr. P.M. van den Brekel, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december
  62. rechter De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen. Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 19 december 2024 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie ook onder ro 4 van deze uitspraak. Beide producties omvatten samen 19 pagina’s. Het is getiteld ‘ [derde-partij] : Akoestisch onderzoek wijzingen en aanvullingen – Aanpassing’ en omvat 80 pagina’s. ECLI:NL:RVS:2024:844, ro 5 t/m 5.
  63. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2853, ro
  64. De onderhavige vergunning ziet op de parasols (met of zonder heaters). ECLI:NL:RVS:2018:
  65. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:
  66. Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:
  67. ECLI:NL:RVS:2013:2711, ro 6.
  68. Zie voetnoot
  69. Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:
  70. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:380.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.