← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2024:9743

RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 10368079 \ CV EXPL 23-811 Vonnis van 18 december 2024 in de zaak van de naamloze vennootschap, INBEV NEDERLAND N.V., te Breda, eisende partij in conventie, gedaagde partij in reconventie, hierna te noemen: Inbev, gemachtigde: PVU Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , te [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , procederend in persoon. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 1 mei 2024,- de akte van Inbev van 29 mei 2024 met bijlagen 30 tot en met
  2. 1.
  3. Ten slotte is partijen meegedeeld dat een vonnis zal worden uitgesproken.. 2De verdere beoordeling in conventie en in reconventie De inleiding 2.
  4. Inbev is een bierbrouwerij en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] had een horecaonderneming overgenomen welke was gevestigd aan de [adres] in [plaats] . Om de onderneming op deze locatie voort te zetten had [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] met ingang van 1 juli 2019 een huurovereenkomst, met betrekking tot de huur van het pand gelegen aan de [adres] in [plaats] , voor de duur van vijf jaar gesloten met Inbev. In het tussenvonnis van 1 mei 2024 is geoordeeld dat deze tussen partijen gesloten huurovereenkomst is geëindigd met wederzijds goedvinden op 1 september 2023, door de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst van 30 augustus
  5. De hiertoe door Inbev gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen. De door Inbev gevorderde schadevergoeding, ter hoogte van de maandelijkse huurprijs, vanaf 1 september 2023 wordt afgewezen. Verder is geoordeeld dat de door partijen afgesproken huurkorting van € 9.272,69 vanwege de coronacrisis vaststaat en dat de vorderingen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] om de huurprijs verder te verminderen en voor recht te verklaren dat Inbev geen recht heeft op de volledige huurpenningen over de periode van maart 2020 tot en met februari 2022, worden afgewezen. Daarnaast is geoordeeld dat de algemene voorwaarden zijn vernietigd. De door Inbev gevorderde contractuele boete zal daarom worden afgewezen. Met de vernietiging van de algemene voorwaarden is de grondslag voor de huurverhogingen weggevallen; daarom moet een huurprijs van € 6.011,17 per maand moet worden gehanteerd voor het bepalen van de juiste huurachterstand. Inbev is in de gelegenheid gesteld om toe te lichten wat de juiste hoogte van de huurachterstand en de wettelijke handelsrente is. Dit heeft zij gedaan. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Dat heeft hij niet gedaan. De hoogte van de huurachterstand 2.
  6. Inbev heeft berekend dat de huurachterstand, op basis van een huurprijs van € 6.011,17 per maand, € 40.679,96 bedraagt. In het tussenvonnis is geoordeeld dat de vraag of het pand correct is opgeleverd geen onderdeel uitmaakt van deze zaak. Inbev heeft nu in haar berekening echter alsnog € 8.504,85 van de waarborgsom ingehouden. Met als enige onderbouwing de stelling dat deze volgens haar verschuldigd zijn. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft eerder in de procedure betwist dat het pand niet correct is opgeleverd. Dat het pand niet correct is opgeleverd is dan ook geen vaststaand feit en nu alsnog onderdeel van deze procedure geworden. In zoverre komt de kantonrechter terug op de beslissing in het tussenvonnis dat de oplevering geen onderdeel uitmaakt van deze zaak. Voor wat betreft de oplevering van het pand bij het einde van de huur en de waarborgsom geldt het volgende. 2.
  7. De algemene voorwaarden zijn vernietigd. Los van wat er over de inhoud hiervan te zeggen is, zijn de bepalingen in de algemene voorwaarden over de oplevering bij het einde van de huur dus niet van toepassing. Artikel 7:224 BW bepaalt hoe het pand opgeleverd moet worden bij het einde van de huur. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft gesteld dat er geen beschrijving van het pand is gemaakt bij de start van de huur. Inbev heeft hier niet op gereageerd. Lid twee van voornoemd artikel bepaalt dat in deze gevallen de huurder, behoudens tegenbewijs, wordt verondersteld het gehuurde in de staat te hebben ontvangen zoals deze is bij het einde van de huurovereenkomst. Inbev heeft niet gesteld dat het pand in een andere (slechtere) staat is opgeleverd dan deze was bij de start van de huur. Wat betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] het pand correct heeft opgeleverd en dat de volledige waarborgsom in mindering gebracht moet worden op de huurachterstand. De vordering tot betaling van de huurachterstand zal daarom worden toegewezen tot het bedrag van € 32.175,
  8. De wettelijke rente 2.
  9. Inbev heeft berekend dat de wettelijke handelsrente € 15.830,76 bedraagt tot en met 21 mei
  10. Aangezien de waarborg volledig verrekend had moeten worden met de huurachterstand, is hierover ook geen rente verschuldigd. De wettelijke handelsrente zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 14.988,
  11. De vordering tot betaling van de wettelijke handelsrente zal worden toegewezen over de toe te wijzen hoofdsom van € 32.175,11 vanaf 22 mei 2024 tot en met de dag van volledige voldoening. De kosten 2.
  12. In het tussenvonnis van 1 mei 2024 is geoordeeld dat de buitengerechtelijke kosten toewijsbaar zijn in overeenstemming met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en het toepasbare tarief. De toe te wijzen hoofdsom is lager dan de gevorderde hoofdsom, waarop de buitengerechtelijke incassokosten door Inbev zijn berekend. Bij de toe te wijzen hoofdsom van € 32.175,11 is het maximale tarief € 1.096,
  13. Ook op dit punt wordt dus teruggekomen op de beslissing in het tussenvonnis. Dit bedrag wordt dan ook toegewezen. 2.
  14. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3De beslissing In conventie en in reconventie De kantonrechter 3.
  15. verklaart voor recht dat de tussen partijen gesloten huurovereenkomst, met betrekking tot de huur van het pand gelegen aan de [adres] in [plaats] , is geëindigd met wederzijds goedvinden met ingang van 1 september 2023, door de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst van 30 augustus 2023, 3.
  16. veroordeelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] om aan Inbev te betalen: € 32.175,11 aan hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW met ingang van 22 mei 2024, tot de dag van volledige betaling, € 14.988,45 aan wettelijke handelsrente tot en met 21 mei 2024, € 1.096,75 aan buitengerechtelijke incassokosten, 3.
  17. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 3.
  18. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 3.
  19. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. W.A. Swildens en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.