← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2025:10510

RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer / rekestnummer: 11376011 \ OV VERZ 24-53 Beschikking van 24 oktober 2025 in de zaak van 1 [eiser] , wonende te [woonplaats] , hierna: [eiser] gemachtigde: mr. V.H.A. Griffioen,

  1. [eiseres], kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , in hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van: [erflaatster] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1936 en overleden te [overlijdensplaats] op [overlijdensdatum] 2024, hierna: de executeur. 1De procedure 1.
  2. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van 25 oktober 2024, - de brief van de griffier van 12 december 2024, - de brief van de executeur van 23 januari 2025, - de brief van [eiser] van 27 januari 2025, - de brief van de griffier van [datum] 2025, - de brief met bijlagen van [eiser] van 28 mei
  3. 1.
  4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 juni
  5. Daarvan zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter de behandeling van de zaak op verzoek van partijen aangehouden. Bij brief van 5 augustus 2025 heeft [eiser] bericht dat hij en de executeur een beslissing van de kantonrechter wensen. Vervolgens is een datum voor beschikking bepaald. Deze is (nader) bepaald op vandaag. 2De feiten 2.
  6. [erflaatster] (hierna: [erflaatster] ) is geboren te [geboorteplaats 1] , op [geboortedatum 1]
  7. 2.
  8. [erflaatster] heeft bij testament van [datum] 2015, verleden voor [naam notaris] , notaris te Wittem, laatstelijk over haar nalatenschap beschikt. Daarin is, voor zover van belang, het volgende opgenomen: “(…) Legaten Ik legateer, niet vrij van rechten en kosten, af te geven binnen een jaar na mijn overlijden aan: (…) B. Elk van de huurders die ten tijde van mijn overlijden in het door hem/haar gehuurde pand woont, of garage of tuin huurt of weiland huurt, indien van toepassing aan meerdere huurders gezamenlijk, met uitzondering van [naam 1] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] negentienhonderd vijfenvijftig; - het/de betreffende door hem/haar/hen gehuurde pand, garage of tuin met aanhorigheden en ondergrond, onder de last en verplichting voor de verkrijger om eventuele aan het betreffende object verbonden hypothecaire schulden, daaronder begrepen die onder hypothecair verband, voor zijn/haar/hun rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen. Met uitzondering van de garage in de huisweide deel uitmakend van het perceel casu quo de woning te [plaats 1] , [adres 1] en [plaats 2] , [adres 2] .” 2.
  9. Naast hetgeen hiervoor onder 2.
  10. is vermeld, bevat het testament een erfstelling. In het testament is opgenomen: “(…) Erfstelling Onder last van voormeld legaat, benoem ik tot mijn enige erfgenamen, mijn erfgenamen volgens de Nederlandse wet, voor de delen en op de wijze als door de wet bij erfopvolging bij versterf bepaald. [naam 1] , voornoemd, en zijn eventuele nakomelingen zijn uitdrukkelijk uitgesloten als legataris of als erfgenaam in mijn nalatenschap. (…)” 2.
  11. Ten tijde van haar overlijden waren de goederen die aan [erflaatster] (zullen) toebehoren onder bewind gesteld. [naam 2] is per 1 december 2022 tot bewindvoerder benoemd. 2.
  12. [erflaatster] was ten tijde van haar overlijden eigenaresse van diverse onroerende zaken, waaronder de onroerende zaak staande en gelegen te [plaats 3] , aan de [adres 3] (hierna: de woning). 2.
  13. De woning werd net als andere onroerende zaken die in eigendom aan [erflaatster] toebehoorden, verhuurd. Huurwoningen Parkstad trad ten tijde van het overlijden van [erflaatster] op als verhuurder. 2.
  14. [eiser] heeft de woning aan de Maastrichterlaan twee keer bezichtigd met het oog op de totstandkoming van een huurovereenkomst. Op 1 februari 2024 heeft [eiser] aan Huurwoningen Parkstad laten weten dat hij de woning wil huren. Huurwoningen Parkstad heeft vervolgens bij e-mail van 3 februari 2024 aan [eiser] laten weten dat de keuze op hem is gevallen. Daarbij deelt Huurwoningen Parkstad mede dat een huurovereenkomst voor een jaar wordt aangeboden, maar dat het de intentie is om een relatie op te bouwen voor de lange termijn en dat de huurovereenkomst na een jaar automatisch overgaat in een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Huurwoningen Parkstad verzoekt verder om de waarborgsom en de “(deel)huur” voor februari over te maken naar de in de huurovereenkomst genoemde bankrekening. Daarbij is vermeld: “(…) Op het moment dat wij de waarborgsom en huur binnen hebben evenals een getekend exemplaar van de huurovereenkomst beschouwen wij e.e.a. als definitief. Ik wil je dan ook vragen dit asap, uiterlijk vóór donderdag 08 februari, in orde te maken. (…)”. Daarnaast heeft Huurwoningen Parkstad de huurovereenkomst (en de algemene bepalingen behorend bij de huurovereenkomst, het erratum bij de algemene bepalingen en de lijst kleine herstelwerkzaamheden) als bijlage bij die e-mail ter ondertekening naar [eiser] gestuurd. 2.
  15. In de huurovereenkomst is vermeld dat de huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van een jaar, ingaand op 15 februari
  16. Ook is vermeld dat de verhuurder het gehuurde op die ingangsdatum ter beschikking zal stellen aan de huurder, mits hij heeft voldaan aan alle op dit moment jegens de verhuurder bestaande verplichtingen. Verder is vermeld dat de eerste betaalperiode met het oog op de ingangsdatum van de huurovereenkomst betrekking heeft op de periode van 15 februari 2024 tot 1 maart 2024, dat het ter zake verschuldigde bedrag € 325,00 bedraagt en dat de huurder dit bedrag voor 8 februari 2024 zal betalen. 2.
  17. [eiser] heeft de huurovereenkomst ondertekend en hij heeft deze bij e-mail van [datum] 2024 retour gestuurd naar Huurwoningen Parkstad. Op diezelfde dag heeft [eiser] tevens de eerste huurtermijn en de waarborgsom betaald. 2.
  18. [erflaatster] is op [overlijdensdatum] 2024 te [overlijdensplaats] overleden. [eiseres] is executeur in de nalatenschap van [erflaatster] . 2.
  19. Op 12 februari 2024 heeft [eiser] de door de bewindvoerder ondertekende huurovereenkomst ontvangen. 2.
  20. Op 15 februari 2024 is de woning ter beschikking gesteld aan [eiser] . 3Het verzoek 3.
  21. Tussen [eiser] en de executeur is een verschil van mening ontstaan over (de uitleg van) het in het testament opgenomen legaat, meer specifiek over de vraag hoe het bepaalde onder “Legaten” en dan onder “B” in het testament van 4 september 2015 moet worden uitgelegd. [eiser] is van mening dat hij als legataris kwalificeert. De executeur meent dat [eiser] niet als legataris kwalificeert. [eiser] en de executeur hebben zich vervolgens gezamenlijk tot de kantonrechter gewend en verzocht om op grond van artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) een beslissing te nemen over de vraag of [eiser] als legataris kwalificeert. 3.
  22. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben zij het verzoek geconcretiseerd in die zin dat zij verzoeken om bij beschikking, in het geval de kantonrechter van oordeel is dat [eiser] als legataris kwalificeert, dit voor recht te verklaren. Als dat niet het geval is, verzoeken zij voor recht te verklaren dat [eiser] geen legataris is in de nalatenschap van [erflaatster] . 3.
  23. Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan. 4De beoordeling Bevoegdheid kantonrechter 4.
  24. Het verzoek ziet op de uitleg van een uiterste wilsbeschikking als bedoeld in artikel 4:46 van het Burgerlijk Wetboek. Deze kwestie moet op grond van de regels van het burgerlijk procesrecht in een dagvaardingsprocedure worden voorgelegd aan de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de rechtbank. Op grond van artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kunnen partijen zich in alle zaken die slechts rechtsgevolgen hebben die ter vrije bepaling van partijen staan, samen tot een kantonrechter van hun keuze wenden en zijn beslissing inroepen. Naar het oordeel van de kantonrechter voldoet het verzoek aan de eisen van artikel 96 Rv en zij acht zich dan ook bevoegd om over het verzoek te beslissen. Recht om in hoger beroep te komen 4.
  25. De kantonrechter stelt, ter voorkoming van misverstanden en onduidelijkheden hierover, vast dat [eiser] en de executeur zich het recht om in hoger beroep te komen van deze beschikking uitdrukkelijk hebben voorbehouden. Toetsingskader 4.
  26. Bij de beoordeling neemt de kantonrechter het volgende tot uitgangspunt. In lid 1 van artikel 4:46 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat bij de uitleg van een uiterste wilsbeschikking moet worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. In lid 2 van dit artikel is bepaald dat daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil slechts dan voor de uitleg van een beschikking mogen worden gebruikt, als deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft. 4.
  27. De kantonrechter benadrukt dat het bij het uitleggen van een uiterste wilsbeschikking gaat om de wil van de erflater, [erflaatster] in dit geval. Het is niet relevant welke zin derden, eventueel door een uiterste wilsbeschikking bevoordeelden of juist degene die niet wordt bevoordeeld, in de gegeven omstandigheden en met inachtneming van de te regelen verhoudingen aan de bepalingen van de uiterste wilsbeschikking mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van de erflater mochten verwachten. 4.
  28. In zijn arrest van 10 november 2023 heeft de Hoge Raad het volgende geoordeeld over de (wijze van) uitleg van een testament: “Bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt (art. 4:46 lid 1 BW). Bij het vaststellen van de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, kunnen feiten en omstandigheden van na het opmaken van de uiterste wil van belang zijn, omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt. Ten tijde van het opmaken van de uiterste wil bij de erflater bestaande verwachtingen over toekomstige gebeurtenissen zullen in aanmerking kunnen komen als omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt. Verwachtingen van de erflater over de toekomst kunnen ook van belang zijn bij het vaststellen van de verhoudingen die de erflater met de uiterste wil kennelijk wenst te regelen. In het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2013 ligt besloten dat voor de vaststelling van de verhoudingen die de erflater met de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, mede acht geslagen kan worden op verklaringen van getuigen omtrent hetgeen de erflater heeft beoogd. Doen zich na het opmaken van de uiterste wil feiten en omstandigheden voor waardoor de feitelijke verhoudingen niet langer aansluiten bij hetgeen de erflater kennelijk wenste te regelen, dan kan de uiterste wil zo worden uitgelegd dat de desbetreffende beschikking alleen gold voor de situatie die bestond voordat de bedoelde feiten en omstandigheden zich hadden voorgedaan. Voor een zodanige uitleg is niet vereist dat de erflater bij het opmaken van de uiterste wil op de bedoelde feiten en omstandigheden is vooruitgelopen.” 4.
  29. Anders dan de executeur betoogt, is het dus niet zo dat aan de uitleg van een testament pas wordt toegekomen in het geval de bewoordingen daarvan onduidelijk zijn. Ook bij een uiterste wilsbeschikking die op het eerste gezicht duidelijk is, dient bij de uitleg daarvan te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wilsbeschikking kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Deze verhoudingen en omstandigheden behoeven niet uit de uiterste wil te blijken. Daarbij geldt dat pas aan toepassing van lid 2 van artikel 4:46 BW wordt toegekomen in het geval met toepassing van lid 1 van artikel 4:46 BW wordt geconcludeerd dat het testament geen duidelijke zin heeft. Onder welke omstandigheden is het testament gemaakt en welke verhoudingen wilde [erflaatster] regelen? 4.
  30. Wat betreft de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt en de verhoudingen die [erflaatster] met het testament kennelijk wilde regelen, overweegt de kantonrechter het volgende. 4.
  31. Blijkens het testament was [erflaatster] ten tijde van het opstellen daarvan 78 jaar, ongehuwd en niet geregistreerd als partner. Hierover bestaat ook geen discussie tussen [eiser] en de executeur. Ook staat vast dat [erflaatster] ten tijde van het opmaken van het testament reeds eigenaar was van diverse onroerende zaken, die zij verhuurde. De kantonrechter gaat daarom ervan uit dat [erflaatster] bij het maken van het testament vanuit de ervaring die zij op dat moment als verhuurder al had, keuzes heeft gemaakt over de manier waarop zij de verhoudingen met haar huurders regelde. Verder geldt dat [eiser] en [erflaatster] elkaar niet kenden toen [erflaatster] het testament maakte. [eiser] en de executeur hebben verder niets gesteld over de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt, zodat de kantonrechter bij de beoordeling uitsluitend met de hiervoor genoemde omstandigheden rekening kan houden. 4.
  32. Voor de verhoudingen die [erflaatster] met het testament kennelijk wilde regelen, geldt het volgende. [eiser] heeft daarover in zijn toelichting bij het verzoekschrift niets gesteld. De executeur heeft hierover enkel gesteld dat in het dossier dat door de notaris die destijds het testament heeft opgesteld “niets valt op te maken omtrent de beweegredenen van testatrice”. [eiser] heeft dat niet bestreden, zodat de kantonrechter bij de verdere beoordeling hiervan uitgaat. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] , toen de kantonrechter aan de orde stelde dat bij de uitleg van het testament naast de omstandigheden waaronder het is gemaakt, ook moet worden gelet op de verhoudingen die [erflaatster] met het testament kennelijk wilde regelen, zich op het standpunt gesteld dat [erflaatster] met het testament in ieder geval ervoor wilde zorgen dat haar familie niets zou krijgen. Daarnaast wilde ze regelen wat na haar overlijden met haar vermogen moest gebeuren, aldus [eiser] . De executeur betwist dat [erflaatster] met het testament haar familieleden als erfgenaam heeft willen uitsluiten. Zij heeft erop gewezen dat [erflaatster] in het testament juist expliciet heeft bepaald dat het wettelijk versterferfrecht van toepassing is. Ook betoogt zij dat er geen aanwijzing is op basis waarvan desondanks kan worden aangenomen dat [erflaatster] haar familieleden als erfgenaam wilde uitsluiten. 4.
  33. De kantonrechter constateert dat [erflaatster] in het testament tot haar enige erfgenamen heeft benoemd de erfgenamen volgens de Nederlandse wet voor de delen en op de wijze als door de wet bij erfopvolging bij versterf bepaald. Daarbij geldt dat ze [naam 1] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 1955 en zijn eventuele nakomelingen heeft uitgesloten als erfgenaam of legataris in haar nalatenschap. Verder heeft [erflaatster] aan de Rooms Katholieke Kerk te Lemiers, gemeente Vaals en aan elk van de huurders die ten tijde van haar overlijden “in het door hem/haar gehuurde pand woont, of garage of tuin huurt of weiland huurt. Indien van toepassing aan meerdere huurders gezamenlijk”, met uitzondering van [naam 1] voornoemd, een legaat verstrekt. 4.
  34. De kantonrechter gaat op basis hiervan ervan uit dat [erflaatster] met het testament in ieder geval de verhoudingen wilde regelen tussen haar familieleden als erfgenamen, [naam 1] en een kring van derden aan wie ze, onder voorwaarden, een deel van haar vermogen wilde legateren. Daarbij geldt ter zake de verhouding tussen de familieleden, dat dat blijkens de erfstelling achtereenvolgens de in artikel 4:10 BW genoemde personen zijn, waarbij de afstammelingen van een kind, broer, zuster, grootouder of overgrootouder bij plaatsvervulling tot de nalatenschap worden geroepen. Uit de omstandigheid dat [erflaatster] [naam 1] expliciet als erfgenaam en legataris heeft uitgesloten, leidt de kantonrechter af dat [erflaatster] ten tijde van het opmaken van het testament in ieder geval heeft nagedacht over de vraag of en zo ja wie zij als erfgenaam wilde uitsluiten. Ook leidt de kantonrechter hieruit af dat [erflaatster] vervolgens een besluit hierover heeft genomen. 4.
  35. De kantonrechter volgt [eiser] niet in zijn stelling dat [erflaatster] in weerwil van hetgeen uit de tekst van het testament blijkt, met het testament ook wilde regelen dat haar andere familieleden net als [naam 1] géén erfgenaam zouden zijn. Het zou voor de hand liggen dat [erflaatster] dat dan net zoals ze bij [naam 1] heeft gedaan, in het testament zou hebben opgenomen. In ieder geval is dat niet en zeker niet zonder meer, te rijmen met het feit dat [erflaatster] juist, met uitsluiting van [naam 1] , haar familieleden die op grond van de wet haar erfgenamen (zouden) zijn tot haar enige erfgenamen heeft benoemd. Aanwijzingen die de conclusie kunnen dragen dat [erflaatster] met het maken van het testament heeft beoogd haar familieleden uit te sluiten als erfgenaam, zijn er niet. 4.
  36. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling weliswaar verwezen naar de door hem in het geding gebrachte verklaring van de voormalige bewindvoerder van [erflaatster] die door de voormalige mentor wordt ondersteund, maar die verklaring zegt niets over de verhoudingen die [erflaatster] ten tijde van het opmaken van het testament wilde regelen. Het testament is gemaakt op [datum]
  37. De bewindvoerder meldt in haar verklaring dat zij [erflaatster] op 17 november 2022 heeft ontmoet en dat de goederen die aan [erflaatster] (zullen) toebehoren met ingang van 1 december 2022 onder bewind zijn gesteld en dat met ingang van die datum tevens een mentorschap is ingesteld. Vervolgens gaat de bewindvoerder in op de gang van zaken daarna en op hetgeen [erflaatster] (volgens de bewindvoerder) in die periode tegen haar heeft gezegd over haar laatste wil. De bewindvoerder verklaart niet over hetgeen [erflaatster] ten tijde van het maken van de uiterste wilsbeschikking daarmee heeft beoogd, noch wat betreft de erfstelling, noch wat betreft de legaten en dat laatste is waar het in deze zaak in de kern om gaat. Met andere woorden, als het gaat om de vaststelling van de verhoudingen die [erflaatster] wilde regelen, kan geen acht worden geslagen op de verklaring van de bewindvoerder. Aan bewijslevering, door middel van het doen horen van de bewindvoerder en de mentor, zoals door [eiser] is aangeboden, komt de kantonrechter dan ook niet toe. 4.
  38. [eiser] heeft geen andere argumenten aangedragen die steun bieden voor de juistheid van zijn stelling. De kantonrechter heeft geen enkel aanknopingspunt op basis waarvan kan of moet worden aangenomen dat de in het testament opgenomen erfstelling niet strookt met de verhoudingen die [erflaatster] ten tijde van het opmaken van het testament wilde regelen. 4.
  39. De kantonrechter laat dan nog daar dat zelfs áls vast zou komen te staan dat [erflaatster] net als [naam 1] haar overige familieleden juist als erfgenamen wilde uitsluiten, dat op zichzelf nog niets zegt over de uitleg van het in het testament onder “B” geformuleerde legaat. [eiser] stelt weliswaar dat [erflaatster] al haar huurders wilde bevoordelen ten opzichte van haar familie, maar hij heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen over de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt en / of de verhoudingen die [erflaatster] met het testament kennelijk wilde regelen, die steun bieden voor de juistheid van deze stelling. Voor zover [eiser] zijn stelling baseert op hetgeen de bewindvoerder hierover jegens hem heeft verklaard, kan hierop geen acht worden geslagen. De kantonrechter verwijst naar hetgeen hiervoor ter zake de verklaring van de bewindvoerder is overwogen. Afgezien daarvan volgt uit die verklaring niet dat [erflaatster] , in weerwil van hetgeen in het testament staat, het legaat ook wilde verstrekken aan personen zoals [eiser] die ten tijde van het overlijden wel een huurovereenkomst hebben ondertekend, maar nog geen huurder zijn en nog niet in de woning wonen. 4.
  40. [eiser] heeft verklaard dat hij [erflaatster] niet heeft gekend. Hij kan dus niets verklaren over de verhoudingen die [erflaatster] met het maken van testament op dat moment wilde regelen. [eiser] heeft niet gesteld dat er, behoudens de bewindvoerder en mentor maar daarover is hiervoor reeds geoordeeld, getuigen zijn die wel kunnen verklaren over de verhoudingen die [erflaatster] met het opmaken van het testament wilde regelen. De executeur heeft dat evenmin gesteld. Bij deze stand van zaken kan de kantonrechter wat betreft de vaststelling van die verhoudingen met de legatarissen, dan ook niet anders dan aansluiting zoeken bij de bewoordingen van het testament. De kantonrechter overweegt hierover het volgende. 4.
  41. De kring van derden aan wie [erflaatster] een deel van haar vermogen wilde legateren, valt blijkens de bewoordingen in het testament uiteen in twee groepen. Aan de ene kant gaat het om de Rooms Katholieke kerk te Lemiers en aan de andere kant betreft het, volgens de letterlijke tekst van het testament de huurders die ten tijde van het overlijden van [erflaatster] “in het door hem/haar gehuurde pand woont, of garage of tuin huurt of weiland huurt. Indien van toepassing aan meerdere huurders gezamenlijk”. Aan deze laatste groep legateert [erflaatster] volgens de tekst van het testament: - “Het/de betreffende door hem/haar/hen gehuurde pand, garage of tuin met aanhorigheden en ondergrond, onder de last en verplichting voor de verkrijger om eventuele aan het betreffende object verbonden hypothecaire schulden, daaronder begrepen die onder hypothecair verband, voor zijn/haar/hun rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen.” 4.
  42. Als de kantonrechter kijkt naar hetgeen ter zake de legaten, meer specifiek in de hiervoor geciteerde passage, is opgenomen en daarnaast let op hetgeen in deze zaak bekend is over de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt en de verhoudingen die [erflaatster] kennelijk wenste te regelen, kan niet worden geconcludeerd dat het testament onduidelijk is dan wel dat het testament geen duidelijke zin heeft wat betreft het legaat aan de huurders van panden. 4.
  43. [eiser] wijst weliswaar erop dat het woord weiland niet is vermeld in de achter het gedachtestreepje opgenomen zin (zie 4.16), maar op basis hiervan kan niet worden geoordeeld dat het testament onduidelijk is dan wel geen duidelijke zin heeft waar het gaat om de huurders van panden. Evenmin biedt dit steun voor de juistheid van de door hem bepleite uitleg van het legaat. 4.
  44. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [erflaatster] in het testament de term “pand” gebruikt en dat enkel voor de huurders van een pand de aanvullende eis van bewoning is opgenomen. De executeur heeft op dit punt aangevoerd dat van de verhuurde onroerende zaken enkel in een pand kan worden gewoond, zodat het volgens haar zeer wel mogelijk is dat [erflaatster] bewust ervoor heeft gekozen om voor huurders van panden een aanvullende eis te stellen terwijl zij dat niet heeft gedaan voor de huurders van bijvoorbeeld een garage. Dit kan inderdaad niet worden uitgesloten. Op basis van hetgeen bekend is over de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt en over de verhoudingen die [erflaatster] kennelijk wilde regelen, kan in ieder geval niet worden gezegd dat het testament op dit punt onduidelijk is dan wel dat het geen duidelijke zin heeft. Integendeel, de voorwaarde dat de huurder van een pand tevens in het pand moet wonen is heel duidelijk. Het feit dat de voorwaarde van gebruik niet is gesteld aan de huurders van een garage, tuin of weiland maakt dat niet anders. 4.
  45. De kantonrechter heeft geen aanknopingspunt op basis waarvan kan of moet worden aangenomen dat deze aanvullende eis per ongeluk in het testament is opgenomen en dat [erflaatster] geen onderscheid heeft bedoeld te maken tussen de huurder van een woning en de huurder van een garage, tuin of weiland , zoals [eiser] stelt. De stelling van [eiser] dat in het dossier van de notaris niets hierover is vermeld en dat de term “wonen” niet nader is gedefinieerd, is hiervoor onvoldoende. Dit is niet nodig voor het stellen van een aanvullende voorwaarde. Het stond [erflaatster] vrij om dat te doen op de manier waarop zij dat heeft gedaan. 4.
  46. Hetzelfde geldt voor het feit dat [erflaatster] , zoals [eiser] stelt, geen nader onderscheid heeft gemaakt tussen haar huurders, bijvoorbeeld wat betreft de duur van de huurovereenkomst, of wat betreft de vraag of er wel of geen huurschuld is, of het gehuurde wel of niet goed is onderhouden enzovoort. Het was aan [erflaatster] om te bepalen op welke punten zij wel en niet onderscheid wilde maken tussen haar huurders. 4.
  47. De omstandigheid dat in de huurovereenkomst, die jaren na het maken van het testament tot stand is gekomen, een zelfbewoningsplicht is opgenomen en dat de algemene bepalingen een verbod op onderhuur bevatten, leiden niet tot een ander oordeel. Dit is in ieder geval onvoldoende om aan te nemen dat de feitelijke verhoudingen niet langer aansluiten bij hetgeen [erflaatster] kennelijk wenste te regelen toen zij het testament maakte. Op basis van deze bepalingen in de huurovereenkomst kan anders dan [eiser] stelt, ook niet worden volgehouden dat de kwalificatie als huurder (zo dat daaruit zou volgen) krachtens de systematiek van de huurovereenkomst voldoende is om als legataris te worden aangemerkt. [erflaatster] heeft daarover in haar testament immers iets anders bepaald. 4.
  48. Ten slotte is in het testament, anders dan [eiser] stelt, wel degelijk iets geregeld voor de situatie waarin [eiser] ten tijde van het overlijden van [erflaatster] verkeerde, te weten dat een huurovereenkomst tot stand is gekomen waarbij de ingangsdatum van de huur op een latere datum is bepaald. [erflaatster] heeft immers expliciet opgenomen aan welke huurders zij een legaat verstrekt. Is [eiser] legataris? 4.
  49. De kantonrechter beantwoordt de vraag of [eiser] legataris is, tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is vastgesteld over de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt en de verhoudingen die [erflaatster] op dat moment kennelijk wenste te regelen, ontkennend. In deze zaak staat vast dat [eiser] de huurovereenkomst vóór het overlijden van [erflaatster] heeft ondertekend en dat hij deze vóór het overlijden naar de beheerder heeft geretourneerd. Ook staat vast dat [eiser] vóór het overlijden van [erflaatster] de waarborgsom en de vanaf 15 februari 2024 verschuldigde huurprijs heeft betaald. Verder staat vast dat [eiser] ten tijde van het overlijden niet in het gehuurde woonde. [eiser] heeft de huurovereenkomst op 12 februari 2024, dus ná het overlijden van [erflaatster] , ondertekend door de bewindvoerder retour ontvangen. Ten slotte geldt dat de geldigheid van de huurovereenkomst tussen partijen niet ter discussie staat. 4.
  50. Vast staat dat de woning overeenkomstig hetgeen daarover in de huurovereenkomst is vermeld, op 15 februari 2024 aan [eiser] ter beschikking is gesteld. Ten tijde van het overlijden van [erflaatster] was [eiser] aldus (nog) geen huurder van het pand en woonde hij er nog niet. [eiser] betoogt weliswaar dat hij wel als huurder moet worden gekwalificeerd, maar de executeur wijst terecht erop dat in de huurovereenkomst is overeengekomen dat [eiser] vanaf 15 februari 2025 zou gaan huren. Hierover bestaat ook geen misverstand of onduidelijkheid. In de huurovereenkomst is immers ook overeengekomen dat [eiser] vanaf 15 februari 2025 huurpenningen is verschuldigd en dat het gehuurde op die datum aan hem ter beschikking wordt gesteld. Het feit dat de huurovereenkomst vóór het overlijden van [erflaatster] is aangegaan, maakt dit alles niet anders. Dit laat immers onverlet dat de daarin overeengekomen rechten en verplichtingen (pas) ingaan op 15 februari
  51. Gelet hierop oordeelt de kantonrechter dat [eiser] ten tijde van het overlijden van [erflaatster] (nog) geen huurder was. Het bepaalde in artikel 7:201 BW en de rechtspraak waar [eiser] een beroep op doet, bieden geen steun voor een ander oordeel. 4.
  52. Hier komt ook nog bij dat [eiser] ten tijde van het overlijden van [erflaatster] (nog) niet in de woning woonde, terwijl dat ook een voorwaarde is die [erflaatster] voor huurders van panden aan de verkrijging van het legaat heeft gekoppeld. [eiser] betoogt in dit kader weliswaar dat niet valt in te zien waarom een huurder van een pand er dient te wonen, terwijl de huurder van een garage, tuin of weiland het object niet zelf daadwerkelijk in gebruik behoeft te hebben om aanspraak te kunnen maken op een legaat, maar dit argument baat hem niet. Het gaat in dit geval enkel om de wil van [erflaatster] (zie hiervoor onder 4.4.) en zij heeft deze voorwaarde nou eenmaal expliciet gesteld. Daaraan kan en mag de kantonrechter niet tornen. Zeker niet, nu er geen enkele aanwijzing is om aan te nemen dat [erflaatster] dit niet heeft beoogd toen zij het testament maakte. Slotsom 4.
  53. Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter voor recht zal verklaren dat [eiser] geen legataris is. 5De beslissing De kantonrechter: 5.
  54. verklaart voor recht dat [eiser] geen legataris is in de nalatenschap van [erflaatster] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1936 en overleden te [overlijdensplaats] op [overlijdensdatum]
  55. Deze beschikking is gegeven door mr. N.H.J. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2025.type: LvM HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR: 2023:1531.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.