Rechtbank Limburg – ECLI:NL:RBLIM:2025:1161
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht Zaaknummer: ROE 22/2543 Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2025 op het verzoek om schadevergoeding in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (gemachtigde: mr. M.A.S. Volker).
Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om de minister te veroordelen tot vergoeding van schade die hij en zijn echtgenote hebben geleden als gevolg van het verstrekken van onjuiste informatie op de achterkant van de verblijfstitel van zijn echtgenote.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, mr. T.P. Boer als waarnemend gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de minister moet worden veroordeeld tot het vergoeden van schade aan verzoeker. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van verzoeker.
Wat ging er aan deze zaak vooraf?
4.1.
Vanaf 14 november 2019 staat de echtgenote ingeschreven op het adres van verzoeker, die een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontving. Verzoeker en zijn echtgenote hebben zich vervolgens op 29 november 2019 gemeld bij de gemeente voor een uitkering volgens de Participatiewet. Zij zijn toen uitgenodigd voor een intakegesprek, waarbij zij – zonder afmelding – niet zijn verschenen.
4.2.
De echtgenote van verzoeker heeft uiteindelijk in 2021 (met terugwerkende kracht) een gewijzigde verblijfsvergunning toegekend gekregen, waarbij geen sprake meer was van de aantekening. Gebleken was dat de aantekening abusievelijk was opgenomen. Verzoeker en zijn echtgenote hebben zich daarna opnieuw gemeld bij de gemeente voor een bijstandsuitkering. De gemeente heeft vervolgens met ingang van 23 augustus 2021, de datum waarop zij zich (ditmaal) hebben gemeld, algemene bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden. In de bezwaarprocedure tegen die toekenning heeft verzoeker aangegeven dat van een eerdere aanvraag is afgezien, omdat hij vreesde dat zijn echtgenote zou kunnen worden teruggestuurd naar het land van herkomst indien zij een uitkering zou ontvangen.
Wat is het verzoek?
De bevoegdheid van de rechtbank en de ontvankelijkheid van het verzoek 6. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de plaatsing van de aantekening onterecht is geweest en dat deze fout toerekenbaar is aan de minister. De rechtbank ziet geen reden om daaraan te twijfelen en is daarom van oordeel dat het besluit van 4 september 2019 in zoverre kan worden aangemerkt als een onrechtmatig besluit. Ook staat niet ter discussie dat verzoeker belanghebbende is. Verder stelt de rechtbank vast dat de gevraagde vergoeding minder dan € 25.000,- bedraagt en dat het verzoek om schadevergoeding eerst is voorgelegd aan de minister. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de bestuursrechter bevoegd is en dat het verzoek ontvankelijk is.
Het oordeel van de rechtbank 7. Daargelaten of sprake is van objectief verifieerbare schade en wat de hoogte van de schade zou zijn, ziet de rechtbank aanleiding om eerst in te gaan op de vraag of sprake is van een voldoende causaal verband. Als dat niet het geval is, dan komt schade namelijk alleen daarom al niet voor vergoeding in aanmerking. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.
De hoofdregel is dat de belanghebbende die in een verzoek om schadevergoeding stelt dat hij voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft geleden als gevolg van een onrechtmatig besluit van een bestuursorgaan, bij gemotiveerde betwisting daarvan door het bestuursorgaan, het oorzakelijk verband moet bewijzen. Op de belanghebbende rusten de stelplicht en bewijslast van het oorzakelijk verband. Dit betekent dat ook het bewijsrisico voor het ontbreken van het oorzakelijk verband bij de belanghebbende ligt als hij er niet in slaagt te bewijzen dat de gestelde schade het gevolg is van de gestelde oorzaak van de schade. Verder komt, gelet op het bepaalde in artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek, slechts schade voor vergoeding in aanmerking die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat deze schade hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.
Dat verzoeker na een opmerking van een derde (daargelaten in hoeverre vaststaat dat die opmerking is gemaakt) er zelf voor heeft gekozen om de aanvraag niet door te zetten, komt voor zijn rekening en risico. Hoewel de rechtbank aannemelijk acht dat de aantekening (uiteindelijk) wel een rol speelde voor eiser, is deze rol naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de gestelde schade aan de minister toe te rekenen. De minister heeft zich daarbij ook terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker en zijn echtgenote eerder een aanvraag konden indienen. In dat kader acht de rechtbank ook van groot belang dat de aantekening enkel een kan-bepaling bevatte (‘kan gevolgen hebben’, in plaats van ‘heeft gevolgen’).
Het lag daarom ook op de weg van verzoeker en zijn echtgenote om bij de IND navraag te doen en hierover meer informatie in te winnen en zo zelf een risico-inschatting te maken. Hoewel het niet ondenkbaar is dat deze aantekening iemand kan afschrikken om een aanvraag in te dienen, ligt de aantekening er niet aan in de weg om dat te doen en heeft de aantekening verzoeker en zijn echtgenote er kennelijk ook niet van weerhouden om zich in eerste instantie wel bij de gemeente te melden in november 2019.
Conclusie en gevolgen 12. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Verzoeker krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2025 griffier rechter De rechter is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 31 januari 2025 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uit het verhandelde ter zitting volgt dat de hoogte van het inkomen van verzoeker gelijk is aan een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet, naar de norm van een alleenstaande.
Gelet op artikel 44 van de Participatiewet.
Dat blijkt uit pagina 2 van de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders met kenmerk 15234/397080.
Als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat zij (dus) de formele rechtskracht van het besluit passeert. Ten aanzien daarvan verwijst zij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 18 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1006.
Zodat is voldaan aan artikel 8:89 van de Algemene wet bestuursrecht.
Zodat (ook) is voldaan aan artikel 8:90 van de Algemene wet bestuursrecht.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2421, en 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2471.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1669, onder 33.1 en 33.2, en het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1334, onder 3.2.
Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1510, onder 3.4, en de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2023, onder 68.
Vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:593, onder 12.
En daarom wel sprake is van een conditio sine qua non-verband.