RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Bestuursrecht zaaknummer: ROE 23/2138 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2025 in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. T.D.D. Loeffen), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren, het college (gemachtigde: mr. R. Engelen, mr. J. Marell en M. Leurs). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de buiten behandeling stelling van eisers aanvraag om een briefadres en over de uitschrijving van eiser uit de Basisregistratie Personen (Basisregistratie). Eiser is het niet eens met deze beslissingen en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank of het college eisers aanvraag voor een briefadres buiten behandeling heeft mogen laten en of de uitschrijving van eiser in stand kan blijven. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiser terecht (ambtshalve) heeft uitgeschreven uit de Basisregistratie. Het college heeft echter de aanvraag om een briefadres ten onrechte buiten behandeling gesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe ze tot deze oordelen komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Nadat zich in december 2022 nieuwe bewoners hebben gemeld bij de gemeente is het college een adresonderzoek gestart naar de woon-/verblijfplaats van eiser. Eiser heeft vervolgens een aanvraag ingediend voor een briefadres op het adres van de gemeente. Deze aanvraag is door het college ontvangen op 14 februari 2023. In zijn aanvraag heeft eiser aangegeven dat hij bij vrienden en/of familie slaapt en geen vaste woon- of verblijfplaats meer heeft. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 26 april 2023 buiten behandeling gesteld omdat eiser niet voldoende informatie heeft verstrekt aan het college om te kunnen beoordelen of hij in aanmerking komt voor een briefadres. 2.1. Vervolgens heeft het college - na eerst een voornemen daartoe te hebben uitgebracht - bij afzonderlijk besluit van 2 juni 2023 eiser uitgeschreven uit de Basisregistratie op grond van artikel 2.22 van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP). Omdat eiser zijn verblijfplaats niet bekend heeft gemaakt kan volgens het college niet worden vastgesteld of hij wel of geen vaste woon- en verblijfplaats heeft. 2.2. Met het bestreden besluit van 4 augustus 2023 op het bezwaar van eiser gericht tegen beide besluiten is het college bij de buiten behandeling stelling van de aanvraag gebleven en ook de beslissing om eiser uit te schrijven uit de Basisregistratie is bij voormeld besluit in stand gelaten. 2.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.4. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. T.L.W. Hermens, als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college. Beoordeling door de rechtbank Had het college eisers aanvraag voor een briefadres buiten behandeling mogen stellen? 3. Eiser heeft zich in beroep - kort weergegeven - op het standpunt gesteld dat hij alle benodigde gegevens heeft aangeleverd. Een wettelijke grondslag voor een buiten behandeling stelling ontbreekt. 3.1. De rechtbank overweegt dat het ontbreken van gegevens alleen kan leiden tot het niet in behandeling nemen van een aanvraag op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), indien het niet mogelijk is zonder die gegevens op de aanvraag te beslissen. Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 2.40 en 2.41 van de Wet BRP in dit geval niet van toepassing zijn. Dit betekent dat uit de Wet BRP volgt dat alleen bij het ontbreken van een woonadres, eiser als houder van een briefadres kan worden opgenomen in de Basisregistratie. Daarvoor moet het college kunnen vaststellen dat eiser geen woonadres heeft. Uit de processtukken blijkt dat eiser in een begeleidende brief bij zijn aanvraag voor een briefadres, onder meer, heeft aangegeven dat hij in het verleden een succesvol bedrijf heeft gehad dat failliet is gegaan en dat klanten bedreigingen jegens hem hebben geuit. Verder geeft hij aan dat de gemeente verplicht is om hem te helpen en dat hij daarom deze aanvraag voor een briefadres indient. Het college heeft eiser vervolgens meerdere keren uitgenodigd voor een intakegesprek om zijn persoonlijke situatie en zijn aanvraag te bespreken. Hoewel eiser op grond van artikel 2:45 van de Wet BRP, desgevraagd, verplicht is in persoon te verschijnen om de benodigde inlichtingen te verstrekken is hij niet verschenen. Eiser heeft weliswaar schriftelijk gereageerd op vragen maar daarbij geen inlichtingen verstrekt omtrent zijn woon- en verblijfplaatsen. Daarom is bij het college een gerechtvaardigde twijfel ontstaan over de werkelijke verblijfplaats van eiser dan wel het ontbreken daarvan. 3.2. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop het college voldoende gegevens had om inhoudelijk op de aanvraag voor een briefadres te beslissen. Het college kon immers beslissen dat eiser niet in aanmerking komt voor een briefadres, omdat eiser geen adres bekend heeft gemaakt waar hij zou verblijven en hij ook niet in persoon is verschenen om hier verdere inlichtingen over te verschaffen. Het college heeft dus niet vast kunnen stellen dat eiser geen woonadres heeft en dat is wel noodzakelijk voor het verkrijgen van een briefadres. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat er sprake was van een incomplete aanvraag en ten onrechte de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling gesteld. Dit betekent dat het beroep van eiser in zoverre gegrond is en de rechtbank het bestreden besluit op dit punt zal vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit van 26 april 2023 te herroepen en de aanvraag alsnog af te wijzen. Eiser heeft op grond van de Wet BRP immers alleen recht op een briefadres indien vast komt te staan dat hij geen woonadres heeft. Heeft het college eiser terecht uitgeschreven uit de Basisregistratie? 3.3. Eiser is het ook niet eens met de beslissing van het college om hem uit te schrijven uit de Basisregistratie. Hij is altijd telefonisch of via e-mail bereikbaar geweest voor het college. Bovendien is de beslissing om hem uit te schrijven in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Uit de door eiser verstrekte inlichtingen blijkt dat hij zich onveilig voelt omdat hij bedreigd wordt en zo begrijpt de rechtbank daarom niet kan verschijnen in persoon. Het college heeft hier geen rekening mee gehouden en de belangen van eiser onvoldoende meegewogen. Door de handelswijze van het college is eiser tussen wal en schip geraakt en heeft materiële en psychische schade. Zo heeft hij geld moeten lenen van derden, de zorgverzekeringsovereenkomst is beëindigd en er dreigen boetes van het CAK. 3.4. Uit vaste rechtspraak volgt dat het doel van de Wet BRP is dat de in de Basisregistratie vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Daarom worden in de Basisregistratie gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene geregistreerd. In artikel 2.22 van de Wet BRP is bepaald wanneer het college iemand (ambtshalve) moet uitschrijven als ingezetene uit de Basisregistratie. Er zijn drie voorwaarden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.