RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/341477 / HA ZA 25-197 Vonnis van 12 november 2025 (bij vervroeging) in de zaak van [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie] , te [woonplaats 1] , eiseres in conventie, gedaagde in reconventie, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. B. Coomans, tegen [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , te [woonplaats 1] , gedaagde in conventie, eiser in reconventie, hierna te noemen: de man, voormalig advocaat mr. R. Cohen heeft zich op 24 september 2025 onttrokken en er heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding;- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie; - de conclusie van antwoord in reconventie, tevens eiswijziging;- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 oktober
- 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.
- Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben samen drie minderjarige kinderen. De vrouw heeft nog een zoon uit een andere relatie. Partijen hebben op 29 oktober 2010 een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten. 2.
- Hoewel de relatie op of omstreeks maart 2023 door de vrouw is beëindigd, hebben partijen feitelijk tot 16 juni 2025 samengewoond in de woning gelegen aan de [adres 1] te [woonplaats 1] (hierna te noemen: de woning). Per deze datum is de vrouw verhuisd en is de man in de woning achtergebleven. De man heeft vanaf het begin aangegeven dat hij de woning graag toebedeeld zou willen krijgen. Het jongste kind van partijen en de zoon van de vrouw wonen bij de vrouw en de andere twee kinderen wonen bij de man. 2.
- De woning in [woonplaats 1] is gemeenschappelijk eigendom, ieder voor de onverdeelde helft. Partijen zijn beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de ter financiering van deze woning afgesloten hypothecaire lening, waarvan de schuld op het moment van dagvaarden € 148.233,13 bedraagt. In 2015 en 2016 heeft de man goud en zilver gekocht, dat in gemeenschappelijke eigendom aan partijen toebehoorde 2.
- Tot eind 2021 had de man ook nog een woning gelegen aan de [adres 2] te [woonplaats 2] in privé-eigendom. Deze woning had hij verhuurd aan een derde. Eind 2021 heeft hij deze woning verkocht. 2.
- Partijen hadden tijdens de periode van samenwonen ieder hun eigen bankrekening(en). Partijen hadden (en hebben thans nog steeds) ook nog een gezamenlijke bankrekening bij de Regiobank. 2.
- De vrouw heeft na beëindiging van de relatie een kort geding gestart waarin zij het uitsluitend gebruik van de woning vorderde. Bij vonnis van 18 juni 2024 heeft de voorzieningenrechter deze vordering toegewezen en bepaald dat de man de woning binnen drie weken na betekening van het vonnis moest verlaten. De man heeft geen gevolg gegeven aan het vonnis en de vrouw heeft het vonnis niet ten uitvoer laten leggen. 2.
- Uiteindelijk heeft op 18 september 2024 een gesprek tussen partijen plaatsgevonden en is afgesproken dat de gezamenlijke woning zou worden getaxeerd door een makelaar en dat de kosten daarvan zouden worden gedeeld. Per 14 oktober 2024 heeft [naam makelaar] de woning getaxeerd tegen een waarde van € 295.000,00 k.k. De vrouw heeft de volledige factuur van de makelaar van € 840,00 voldaan. 2.
- Het lukt partijen niet om afspraken te maken over de kinderen en omtrent de financiële afwikkeling van de ontbinding van hun samenlevingsovereenkomst. 2.
- Bij vonnis in kort geding van 10 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter de man veroordeeld om zijn onvoorwaardelijke en onherroepelijke medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan een derde. Tegen dit vonnis heeft de man hoger beroep ingesteld. Ook in die procedure heeft de advocaat zich onttrokken. Er is geen memorie van grieven ingediend. 3Het geschil In conventie 3.
- De vrouw vordert na vermeerdering van eis samengevat: I te bepalen dat de gemeenschappelijke woning van partijen te koop wordt aangeboden en daartoe als volgt te bepalen: a. te bepalen dat de verkoopopdracht wordt verleend aan [naam makelaar] te [woonplaats 2] ; b. de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan het verlenen van de verkoopopdracht aan [naam makelaar] te [woonplaats 2] bij gebreke waarvan het in deze te wijzen beschikking in de plaats zal treden van de benodigde handtekening van de man onder de verkoopopdracht; c. te bepalen dat de vraagprijs van de gezamenlijke woning wordt vastgesteld door de makelaar. De vraagprijs wordt na drie maanden en vervolgens elke drie maanden daarna opnieuw geëvalueerd, en indien nodig, aangepast op advies van de makelaar; d. te bepalen dat het hoogst uitgebrachte bod dat gelijk is aan of hoger ligt dan de vastgestelde vraagprijs door partijen moet worden geaccepteerd, tenzij partijen gezamenlijk overeenkomen hiervan af te wijken; e. de man te veroordelen om de makelaar, al dan niet met koopgegadigden, op eerste verzoek toe te laten tot de gezamenlijke woning, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of deel van de dag, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, wanneer de man hieraan niet voldoet; f. de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de levering van de gezamenlijke woning aan derden, bij gebreke waarvan de beschikking in de plaats zal treden van de benodigde handtekening van de man onder de koopovereenkomst en onder de notariële leveringsakte; g. de man te veroordelen tot betaling van de helft van de kosten van de makelaar en eventuele kosten van de notaris; h. te bepalen dat partijen (los van vorderingen en schulden) ten aanzien van de verkoopprijs van de gezamenlijke woning gelijkwaardig gerechtigd zijn op de verkoopprijs, verminderd met de makelaarskosten, notariskosten en de op dat moment resterende hypothecaire geldlening. II te bepalen dat het aanwezige saldo op de gezamenlijke bankrekening bij de Regiobank bij helfte wordt verdeeld, III te bepalen dat de man het bedrag van € 420,00 (zijnde de helft van de gemaakte makelaarskosten) aan de vrouw dient te voldoen, IV te bepalen dat de man een bedrag van € 1.225,00 aan de vrouw dient te voldoen, zijnde de helft van de door de vrouw in de gezamenlijke woning geïnvesteerde bedrag aangaande de vloer, vermeerderd met rente, V te bepalen dat de man een bedrag van € 952 aan de vrouw dient te voldoen, zijnde de helft van de door de vrouw in de gezamenlijke woning geïnvesteerde bedrag aangaande de houtkachel, vermeerderd met rente. 3.
- De man voert verweer en stelt in reconventie een andere wijze van verdeling voor. Op de stellingen van partijen zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan. In reconventie 3.
- De man vordert samengevat: Primair: a. veroordeling van de vrouw tot medewerking aan toedeling van de woning aan de man tegen een waarde van € 295.000,00, op straffe van een dwangsom, b. veroordeling van de vrouw om € 25.000,00 te betalen aan de man, zijnde de helft van de waarde van het goud en zilver van partijen dat de vrouw zich heeft toegeëigend, vermeerderd met rente, c. veroordeling van de vrouw tot betaling van € 17.000,00 zijnde het bedrag dat de vrouw van de betaalrekening van de man heeft overgeboekt naar haar eigen betaalrekening, vermeerderd met rente, d. veroordeling van de vrouw tot betaling van € 11.000,00 aan de man, zijnde de helft van de door de man in de gezamenlijke woning geïnvesteerde bedragen, vermeerderd met rente, e. veroordeling van de vrouw om € 35.000,00 te voldoen aan de man, zijnde het door de vrouw ontvangen bedrag aan huurpenningen van het aan de man toebehorende pand te [woonplaats 2] , vermeerderd met rente, f. veroordeling van de vrouw om te gedogen dat de rechtbank een deskundige benoemt, teneinde de omvang en de waarde vast te stellen van de bij partijen in gemeenschappelijke eigendom toebehorende zaken, voor zover partijen daar geen overeenstemming over hebben, g. de proceskosten, Subsidiair: a. vaststelling van de verdeling van de aan partijen in gemeenschappelijke eigendom behorende zaken, b. de vrouw te veroordelen om:
- daaraan haar medewerking daaraan te verlenen en deze wijze van verdeling te gedogen,
- te gedogen dat de rechtbank een deskundige benoemt teneinde de omvang en waarde vast te stellen van de in gemeenschappelijke eigendom toebehorende zaken voor zover partijen daar geen overeenstemming over hebben, een en ander op straffe van een dwangsom c. de proceskosten. 3.
- De vrouw voert verweer. Op de stellingen van partijen zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan. 4De beoordeling In conventie en in reconventie 4.
- Op grond van artikel 3:178 lid 1 BW kan ieder van de deelgenoten te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen. Niemand wordt geacht in een onverdeeldheid te blijven. De rechtbank begrijpt dat beide partijen de rechtbank vragen om de (wijze van verdeling) van enkele gemeenschappelijk vermogensbestanddelen vast te stellen ex artikel 3:185 BW, omdat het partijen niet zelf lukt. Daarnaast stellen partijen nog een of meerdere verhaalsvorderingen op de ander te hebben. Nu de vorderingen in conventie en in reconventie met elkaar samenhangen, zullen deze hierna gezamenlijk worden behandeld. 4.
- Niet in geschil is dat partijen op het moment van het beëindigen van de relatie in maart 2023 een woning in gemeenschappelijk eigendom hadden, waaraan nog een hypothecaire geldlening is gekoppeld. Daarnaast hadden partijen een gezamenlijke bankrekening bij de Regiobank. Dat er nog andere gemeenschappelijke bezittingen en of schulden zijn die nog verdeeld moeten worden is niet gesteld of gebleken, althans daartoe zijn geen vorderingen in gesteld. De rechtbank zal hierna ingaan op de verdeling van de woning en de bankrekening. Daarna komen de verhaalsvorderingen over en weer aan de orde. De woning 4.
- De vrouw wil dat de woning te koop wordt gezet en wordt verkocht aan een derde. Daartoe stelt zij het volgende. Hoewel de man vanaf maart 2023 heeft aangegeven dat hij de woning graag wil overnemen, heeft de man daartoe nooit serieuze actie ondernomen. De man zegt wel dat hij bij een bank is geweest en het allemaal kan financieren, maar heeft tot op heden daarvan geen bewijs overgelegd. De vrouw wil niet langer wachten met de verdeling. De voorzieningenrechter heeft de vrouw al op 10 juni 2025 een executoriale titel gegeven om over te gaan tot verkoop van de woning, maar die titel is nog niet onherroepelijk omdat daartegen nog een hoger beroep loopt. 4.
- De man wil dat de woning aan hem wordt toebedeeld onder de verplichting om aan de vrouw de helft van de waarde van de woning te betalen. De man stelt dat hij dat eenvoudig kan betalen en legt daartoe over een “beheerstoets” die gemaakt is door [naam bv] (hierna [naam bv] ). Daaruit volgt dat de man op basis van de door hem verstrekte gegevens voldoende inkomen en/of vermogen heeft om de lening voort te zetten en de vrouw uit te kopen. Aegon zou bereid zijn de woning voor de man te financieren, aldus de man. 4.
- De rechter dient bij de vaststelling van de (wijze van) verdeling rekening te houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. In deze zaak zal de rechtbank beslissen dat de woning moet worden verkocht aan een derde en motiveert die beslissing als volgt. 4.5.
- In artikel 12 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst hebben partijen afgesproken dat zij uiterlijk binnen drie maanden na het beëindigen van de relatie aan de ander te kennen geven of hij/zij toedeling van de woning wenst. Aangezien tussen partijen vast staat dat de man vanaf het begin heeft aangegeven dat hij de woning toebedeeld wil krijgen, moet de vrouw volgens artikel 12 lid 6 van de samenlevingsovereenkomst meewerken aan de toedeling van de woning aan de man tegen de waarde in onbewoonde staat (vast te stellen in onderling overleg en bij gebreke van overeenstemming door een of meer deskundigen te benoemen door de kantonrechter). Echter, tegenover die verplichting van de vrouw staat de verplichting van de man om de eventuele geldlening(en), aangegaan ter financiering van de woning, geheel voor eigen rekening te nemen en de vrouw te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en te vrijwaren voor iedere aansprakelijkheid daarvoor. Volgens artikel 12 lid 6 sub c moet eventuele overbedeling verrekend worden. De man dient bovendien, in geval van toedeling van de woning aan hem, de kosten van deze verdeling voor zijn rekening nemen (artikel 12 lid 6 sub d). 4.5.
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man niet aan zijn verplichting voldaan, reden waarom de vrouw ook niet langer verplicht is om mee te werken aan toedeling van de woning aan de man. Hoewel de man al sinds maart 2023 aangeeft de woning over te willen nemen, is hij na 2,5 jaar tijd niet verder gekomen dan het laten doen van een beheerstoets door [naam bv] . Dit is echter onvoldoende bewijs dat de man in staat is de woning over te nemen. Immers, de beheerstoets is niet verricht door een financierder die bereid is het geld aan de man te lenen. Daarnaast heeft [naam bv] slechts enkel door de man aangedragen gegevens (waarvan de juistheid door de vrouw gemotiveerd is betwist) ingevoerd in een softwareprogramma en daarbij bovendien aangegeven dat aan de uitkomst van de berekening geen rechten kunnen worden ontleend. Verder wordt in de beheerstoets uitgegaan van een waarde van de woning van € 295.000,00 (getaxeerde waarde per 14 oktober 2024), terwijl de woning mogelijk inmiddels meer waard is, zoals door beide partijen is gesteld. 4.5.
- De overgelegde beheerstoets is daarom naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om thans voldoende vertrouwen erin te hebben dat de man op korte termijn in staat is om aan zijn verplichting om de vrouw te (laten) ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening te voldoen. 4.5.
- Het belang van de man om de woning toebedeeld te krijgen dient vanwege zijn passieve houding in de afgelopen 2,5 jaar te wijken voor het belang van de vrouw om te worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening en haar belang om niet nog maandenlang in onzekerheid te verkeren over de wijze van verdelen. Hoewel geen van partijen het belang van de kinderen betrekt bij zijn of haar stellingen, heeft de rechter het belang van de twee bij de man wonende kinderen tijdens de mondelinge behandeling ter sprake gebracht. Echter, niet gesteld of gebleken is dat dit belang in het gedrang zal komen indien de woning zal worden verkocht aan een derde. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de woning moet worden verkocht aan een derde partij, zoals ook al eerder door de voorzieningenrechter in het vonnis van 10 juni 2025 is geoordeeld. 4.
- Over de wijze waarop de woning zal moeten worden verkocht overweegt de rechtbank het volgende. De rechter die de wijze van verdeling gelast, geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en hij behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren. Om de verkoop van de woning aan een derde goed te laten verlopen schrijft de rechtbank daarom de procedure voor zoals in het dictum opgenomen. 4.
- Over de vraag- en laatprijs van de woning overweegt de rechtbank dat als uitgangspunt heeft te gelden dat het moment van verdelen moet worden aangehouden als peildatum voor het vaststellen van de waarde van de woning. Uit het taxatierapport van [naam makelaar] volgt dat de woning per 14 oktober 2024 € 295.000,00 waard was, maar partijen zijn het er ook over eens dat de woning per heden meer waard is. De prijsvaststelling zal de rechtbank dan ook overlaten aan de makelaar. De rechtbank ziet geen reden om daartoe apart een deskundige te benoemen, zoals de man lijkt te vorderen. Aangezien de man geen bezwaren heeft geuit tegen makelaar [naam makelaar] , zal de rechtbank deze makelaar aanwijzen, zoals door de vrouw gevorderd. 4.
- In het gegeven dat de man niet heeft voldaan aan de kort geding vonnissen van 18 juni 2024 en 10 juni 2025 ziet de rechtbank voldoende aanleiding om een financiële prikkel in de vorm van een dwangsom te verbinden aan de veroordeling om de makelaar, al dan niet met koopgegadigden toe te laten tot de woning, zoals door de vrouw gevorderd. Deze zal echter wel worden beperkt tot een maximumbedrag. De gezamenlijke bankrekening 4.
- Tot de gemeenschap behoort de bankrekening bij de Regiobank met nummer: [rekeningnummer] . De vrouw wil het saldo op die bankrekening bij helfte verdelen. De man heeft tegen deze verdeling niets ingebracht. 4.
- In artikel 8 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst is bepaald dat partijen, ongeacht de wijze van totstandkoming van het saldo, ieder voor de onverdeelde helft gerechtigd zijn tot het saldo. Een partij heeft ter zake slechts een vordering op de andere partij indien hij/zij kan aantonen dat dat is overeengekomen. Dat hierover iets zou zijn afgesproken is niet gesteld of gebleken. Dat betekent dat het huidige saldo tussen partijen bij helfte moet worden verdeeld. Zilver en goud 4.
- De man stelt dat de vrouw zich goud en zilver van partijen met een huidige waarde van € 50.000,00 heeft toegeëigend en vordert daarom met een beroep op artikel 2 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst veroordeling van de vrouw tot betaling van € 25.000,00 aan hem. 4.
- De vrouw heeft erkend dat partijen gedurende hun relatie bij wijze van investering gezamenlijk een hoeveelheid goud en zilver hebben gekocht. Zij weet niet precies hoeveel dit was. Het lag in de woning opgeborgen. De vrouw betwist dat zij het goud en zilver heeft weggenomen. Los daarvan betwist de vrouw ook de hoogte van de waarde van het goud en zilver. De vrouw heeft wel een theorie over het verdwijnen van het goud en zilver, maar dat is naar het oordeel van de rechtbank voor de beoordeling van de vordering van de man niet relevant. 4.
- Partijen staan op dit punt in ieder geval lijnrecht tegenover elkaar. Aangezien de man zich beroept op de rechtsgevolgen van zijn stelling dat de vrouw het goud en zilver heeft meegenomen, moet hij die stelling voldoende onderbouwen, aangezien de vrouw dat heeft betwist. Dat heeft hij niet gedaan. Nog los van de vraag hoeveel het door partijen aangekochte goud en zilver waard was, is de rechtbank daarom van oordeel dat de vordering van de man als onvoldoende onderbouwd moet worden afgewezen. De verhaalsvorderingen over en weer 4.
- De rechtbank stelt voorop dat in artikel 2 van de samenlevingsovereenkomsten afspraken staan over vergoedingen die partijen over en weer aan elkaar verschuldigd zijn. Volgens lid 1 zijn partijen “voor zover zij niet anders overeenkomen, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene partij is onttrokken ten bate van het vermogen van de andere partij. Als onttrekking geldt ook de situatie, dat een partij een groter deel van de tegenprestatie voor een gezamenlijk goed voldoet dan waartoe hij verplicht is. De vergoeding is terstond opeisbaar, tenzij uit een regeling in deze akte iets anders voortvloeit of de redelijkheid en billijkheid zich tegen directe opeisbaarheid verzetten.” De vordering van de vrouw tot betaling van makelaarskosten 4.
- De vrouw vordert veroordeling van de man tot betaling van de helft (€ 420,00) van de door haar betaalde taxatiekosten (€ 840,00). Zij stelt daartoe dat partijen gezamenlijk opdracht hebben verstrekt aan [naam makelaar] en dat partijen hebben afgesproken at ieder de helft van de taxatie van 14 oktober 2024 zouden voldoen. Ondanks sommaties heeft de man het door de vrouw voorgeschoten bedrag van € 420,00 niet aan haar terugbetaald. De man heeft deze vordering van de vrouw en de hoogte daarvan niet betwist. De rechtbank ziet daarom voldoende grond om deze vordering van de vrouw toe te wijzen. De vordering van de man tot betaling van € 17.000,00 4.
- De man stelt dat de vrouw zonder zijn toestemming in totaal € 17.000,00 van zijn privé-betaalrekening naar haar eigen privé-betaalrekening heeft overgemaakt. Daartoe legt de man bankafschriften over die betrekking hebben op de periode 8 december 2015 tot en met 2 juli 2025 waaruit het betalingsverkeer blijkt tussen de privé rekeningen van partijen. 4.
- De vrouw stelt met een verwijzing naar de bankafschriften dat partijen tijdens de periode dat zij een affectieve relatie hadden over en weer gelden naar elkaars rekeningen overmaakten. De transacties waarop de man doelt betreffen kleine bedragen met ieder een duidelijke betalingsomschrijving (kosten zorgverzekering, boodschappen, online aankopen etc.). De vrouw betwist primair dat zij deze overboekingen vanuit de privé rekening van de man heeft gedaan, zij zou daartoe ook niet de mogelijkheden toe hebben gehad. Subsidiair beroept de vrouw zich op gedeeltelijke verjaring van de vordering. 4.
- De rechtbank begrijpt het verweer van de vrouw aldus dat zij stelt dat de betreffende bedragen door de man zelf aan haar zijn overgemaakt en dat daartoe, gezien de vermelde omschrijvingen bij de overboekingen, een rechtsgrond aanwezig was. Gezien dit verweer had het op de weg van de man gelegen - die immers stelt dat de gelden jarenlang zonder zijn instemming en zonder rechtsgrond door de vrouw zijn overgeboekt - zonder zijn instemming gelden van zijn rekening kon overmaken en dat hij daarover nooit vragen heeft gesteld. Nu hij dat heeft nagelaten en het op het eerste gezicht niet gaat om abnormale transacties die allemaal enkel ten goede van de vrouw zijn gekomen, heeft de man zijn vordering op dit punt onvoldoende onderbouwd. De vordering tot betaling van € 17.000,00 aan de man zal om die reden worden afgewezen. De vorderingen van partijen betreffende de houtkachel en de vloer 4.
- De man stelt dat hij vanuit zijn privévermogen € 22.000,00 in de gezamenlijke woning heeft geïnvesteerd. Het gaat om een houtkachel, nieuwe verwarmingsketel en een vloer, inclusief tegels. Daarom vordert hij veroordeling van de vrouw tot betaling van € 11.000,00 aan hem. Ter onderbouwing van deze vordering legt de man over een met de hand geschreven overzicht van bedragen, een (onleesbare) factuur van [naam bedrijf 1] ter hoogte van € 19.336,29, enkele rekeningafschriften en een factuur van Steengoedzo van € 2.450,00 op naam gesteld van de vrouw. 4.
- De vrouw betwist de vorderingen van de man en stelt dat uit de door de man overgelegde stukken niet blijkt dat hij deze privé-investeringen heeft gedaan. Sterker nog, zij stelt dat zij uit privé vermogen een houtkachel heeft gekocht voor in de woning. Zij legt daartoe over een op naam van de man gestelde factuur van [naam bedrijf 2] voor een bedrag van € 1.904,00 en een bewijs waaruit volgt dat zij dit bedrag uit haar vermogen heeft betaald. Daarnaast stelt de vrouw dat de factuur ad € 2.450,00 van Steengoedzo, die op haar naam is gesteld, door haar uit privé middelen is betaald. Zij legt daartoe over een betalingsbewijs. De vrouw vordert de helft van deze bedragen (namelijk een bedrag van € 952,00 respectievelijk € 1.225,00) terug van de man. 4.
- De rechtbank constateert dat als niet weersproken vast staat dat de vrouw de houtkachel van € 1.904,00 heeft betaald en de factuur van Steengoedzo in twee deelbetalingen van € 2.196,50 en € 253,
- Dat volgt ook uit het door haar overgelegde betalingsbewijzen, waaruit blijkt dat betreffende bedragen ter voldoening van de overgelegde facturen vanuit haar privérekening zijn betaald. Het betreffen daarom geen privé investeringen van de man, maar juist privé investeringen van de vrouw in de gezamenlijk woning. Die vorderingen van de vrouw van € 952,00 respectievelijk € 1.225,00 liggen gelet op het voorgaande voor toewijzing gereed. 4.
- De stelling van de man dat hij vanuit privé-middelen een houtkachel en tegels zou hebben betaald, klopt dus niet. Uit de andere door de man overgelegde stukken volgt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet dat hij andere privé-investeringen in de woning zou hebben betaald. Het had op de weg van de man gelegen om een en ander nader toe te lichten, hetgeen hij niet heeft gedaan. Ook de vordering van de man om de vrouw te veroordelen tot betaling van 22.000,00 dient daarom als ongegrond danwel onvoldoende onderbouwd te worden afgewezen. De vordering van de man betreffende de huurpenningen 4.
- De man stelt dat de vrouw € 35.000,00 aan huurpenningen heeft ontvangen ter zake van de aan de man toebehorende woning aan de [adres 2] te [woonplaats 2] . Hij vordert dit bedrag van de vrouw terug. Hij verwijst naar afschriften die niet bij zijn conclusie zijn gevoegd. 4.
- De vrouw betwist de verschuldigdheid van deze vordering. Zij voert aan dat de man de woning te [woonplaats 2] tot ongeveer eind 2021 had verhuurd aan een derde voor een bedrag van € 640,00 per maand. Zij stelt dat dit bedrag weliswaar werd ontvangen op de gezamenlijke rekening van partijen, maar dat van deze gezamenlijke rekening ook de lasten van € 559,04 per maand werden afgeschreven, welke lasten waren verbonden aan de hypothecaire geldlening die de man ter financiering van de woning te [woonplaats 2] had afgesloten. Het verschil van ongeveer € 80,00 per maand is door partijen consumptief verbruikt voor dagelijkse uitgaven. Partijen hebben deze feitelijke gang van zaken altijd gewoon zo geaccepteerd en dit kan nu niet aan de vrouw worden tegengeworpen. 4.
- Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man nog aangevoerd dat zijn hypothecaire lasten voor de woning te [woonplaats 2] lager waren, omdat het een aflossingsvrije hypotheek was. Vervolgens wees de vrouw op een screenshot van een betalingstransactie betreffende de hypothecaire lening van de man van 2 juli 2020 waarop te zien is dat er € 300,00 werd afgelost en € 259,04 aan rente werd betaald. Vervolgens gaf de man aan dat hij slechts tot 2020 wel eens iets vrijwillig afloste. 4.
- De rechtbank overweegt dat de man het gemotiveerde verweer van de vrouw onvoldoende heeft betwist. Gelet op het verweer van de vrouw had het op de weg van de man gelegen om nadere feiten te stellen waaruit volgt (indien die feiten zouden komen vast te staan) dat voor een bedrag van € 35.000,00 aan huurpenningen in het privé Om die reden zal ook deze vordering van de man worden afgewezen. Conclusie en proceskosten 4.
- Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen die de vrouw in conventie heeft ingesteld, worden toegewezen. Dat brengt onder meer mee dat de door de man in reconventie primair ingestelde vordering om de woning aan hem toe te delen, zal worden afgewezen. Ook de primair door de man in reconventie ingestelde geldvorderingen zullen allen worden afgewezen. Gezien de beslissingen in conventie en in reconventie heeft de man geen belang bij de door hem gevorderde benoeming van een deskundige die de waarde van de gemeenschappelijke goederen vaststelt. Ook die vordering zal om die reden worden afgewezen. Uit het voorgaande volgt dat ook het subsidiair in reconventie gevorderde zal worden afgewezen. 4.
- Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in conventie en in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5De beslissing De rechtbank in conventie en in reconventie 5.
- stelt de (wijze van) verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt vast: 5.1.
- bepaalt dat de gemeenschappelijke woning van partijen dient te worden verkocht aan een derde, een en ander op een wijze zoals hierna bepaald: a. bepaalt dat de verkoopopdracht wordt verleend aan [naam makelaar] te [woonplaats 2] ; b. veroordeelt de man zijn medewerking te verlenen aan het verlenen van de verkoopopdracht aan makelaar [naam makelaar] te [woonplaats 2] bij gebreke waarvan dit vonnis in de plaats zal treden van de benodigde handtekening van de man onder de verkoopopdracht; c. bepaalt dat de vraagprijs van de gezamenlijke woning wordt vastgesteld door de makelaar en dat de vraagprijs na drie maanden en vervolgens elke drie maanden daarna opnieuw zal worden geëvalueerd, en indien nodig, aangepast op advies van de makelaar; d. bepaalt dat het hoogst uitgebrachte bod dat gelijk is aan of hoger ligt dan de vastgestelde vraagprijs door partijen moet worden geaccepteerd, tenzij partijen gezamenlijk overeenkomen hiervan af te wijken; e. veroordeelt de man om de makelaar, al dan niet met koopgegadigden, op eerste verzoek toe te laten tot de gezamenlijke woning, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of deel van de dag, wanneer de man hieraan niet voldoet tot een maximum van € 25.000,00; f. veroordeelt de man zijn medewerking te verlenen aan de levering van de gezamenlijke woning aan derden, bij gebreke waarvan dit vonnis in de plaats zal treden van de benodigde handtekening van de man onder de (op basis van de gebruikelijke voorwaarden opgestelde) koopovereenkomst en onder de notariële leveringsakte g. bepaalt dat partijen (los van vorderingen en schulden) ieder voor de helft gerechtigd zijn op de verkoopopbrengst, verminderd met de makelaarskosten, notariskosten (partijen zijn dus ieder voor de helft draagplichtig voor wat betreft de kosten) en de op het moment van levering resterende hypothecaire geldlening, 5.1.
- bepaalt dat het aanwezige saldo op de gezamenlijke bankrekening van partijen bij de Regiobank, met bankrekeningnummer [rekeningnummer] bij helfte dient te worden gedeeld, 5.
- veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van € 420,00 aan taxatiekosten binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, 5.
- veroordeelt de man tot betaling van de vrouw van € 1.225 (zijnde de helft van de kosten van de vloer) en vermeerderd met € 952,00 (zijnde de helft van de kosten van de houtkachel, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 4 augustus 2025 tot aan de dag van volledige betaling 5.
- bepaalt dat partijen elk gehouden zijn om de helft van de kosten, verbonden aan de uitvoering van deze verdeling, waaronder de kosten van de makelaar en de notaris, te voldoen, 5.
- compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde door partijen af. Dit vonnis is gewezen door mr. dr. J.J. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken door mr. B.R.M. de Bruijn op 12 november
- SS