← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2025:13218

RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/342108 / HA ZA 25-234 Vonnis van 1 oktober 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. B.C. van Hees, tegen [gedaagde] , voorheen h.o.d.n. [handelsnaam] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. S. Toekoen. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met de producties 1 tot en met 15, - de verleende akte niet-dienen. 1.
  2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Het geschil en de beoordeling 2.
  3. De stellingen van [eiser] kunnen het gevorderde dragen en zijn door [gedaagde] niet weersproken. Het gevorderde moet daarom worden toegewezen. 2.
  4. De gevorderde rente over het bedrag van € 793,52 kan slechts worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding. Er is namelijk niet toegelicht met ingang van welke datum [gedaagde] in verzuim is met de betaling van dit bedrag. 2.
  5. [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 1.559,86 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal eveneens worden toegewezen. 2.
  6. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 145,45 - griffierecht € 1.374,00 - salaris advocaat € 1.214,00 (1 punt × € 1.214,00) - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.911,45 2.
  7. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 3De beslissing De rechtbank 3.
  8. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 78.485,95, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 27 februari 2024, tot de dag van volledige betaling, 3.
  9. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 793,52, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 13 mei 2025, tot de dag van volledige betaling, 3.
  10. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.559,86 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 16 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling, 3.
  11. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.911,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.
  12. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 3.
  13. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.
  14. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J. Noelmans en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober
  15. AP

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.