RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: C/03/342543 / HA ZA 25-254 Vonnis van 17 september 2025 in de zaak van [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] , te [woonplaats 1] , eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident, hierna te noemen: [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] , advocaat: mr. G.A.M.F. Spera en mr. N.A.M. Peters, tegen [gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] , te [woonplaats 2] , gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident, hierna te noemen: [gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] , advocaat: mr. M.C.G. Nijssen. 1Het verzoek tot aanvulling 1.
- Bij schrijven van 27 augustus 2025 (ontvangen op 27 augustus 2025) is namens [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] verzocht om aanvulling van het op 20 augustus 2025 in deze zaak gewezen vonnis in incident, in die zin dat, in het dictum een duidelijke termijn (bijvoorbeeld tien dagen) voor afgifte van de stukken wordt opgenomen. 1.
- Bij schrijven van de griffier van 28 augustus 2025 is [gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] in de gelegenheid gesteld om binnen 14 dagen te reageren op dit verzoek. 1.
- [gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] heeft zich bij schrijven van 8 september 2025 (ontvangen op 8 september 2025) uitgelaten. Volgens hem is het verzoek tot aanvulling van het vonnis in incident onnodig en voorbarig nu hij reeds aan de in dat vonnis opgenomen veroordeling heeft voldaan. Daarnaast is aanvulling volgens hem niet mogelijk, aangezien de vordering in de dagvaarding geen termijn voor afgifte bevat. 2De beoordeling 2.
- Op grond van artikel 32 Rv kan de rechter indien hij verzuimd heeft te beslissen over een onderdeel van het gevorderde, op verzoek van een partij zijn vonnis aanvullen. 2.
- [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] heeft in het incident gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] te bevelen inzage te verstrekken in de volledige financiële (grootboek)administratie van de voormalige, tussen partijen gedreven, vennootschap onder firma [naam VOF] , en II. [gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten. 2.
- In het dictum van het vonnis in incident van 20 augustus 2025 is deze vordering toegewezen, in die zin dat de rechtbank [gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] heeft bevolen inzage te verstrekken in de volledige financiële grootboekadministratie van de voormalige, tussen partijen gedreven, vennootschap onder firma [naam VOF] , onder veroordeling van [gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] in de proceskosten. 2.
- Gelet op het feit dat [eiser in de hoofdzaak, eiser in het incident] in haar vordering in incident geen termijn heeft gevorderd waarbinnen [gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in het incident] de gevraagde stukken dient af te geven, behoefde de rechtbank daarop niet te beslissen. Daarom is geen sprake van een omissie als bedoeld in artikel 32 Rv en is de rechtbank niet gehouden tot aanvulling van het (dictum van het) vonnis in incident van 20 augustus 2025 over te gaan. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. 3De beslissing De rechtbank 3.
- wijst het verzoek tot aanvulling van het (dictum van het) vonnis van 20 augustus 2025 af. Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken op 17 september
- RJ