RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummers : 03.246351.23, 03.313214.22, 03.335497.23, 03.029770.23, 03.069344.24 en 03.086667.24 (ttz.gev.) Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 9 december 2025 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998, gedetineerd in P.I. [PI 1] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. R.A.N.H. Theeuwen-Verkoeijen, advocaat kantoorhoudende te Venlo. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 19 augustus 2025 en 25 november 2025. De verdachte en haar raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De slachtoffers [slachtoffer 1] (parketnummer 03.313214.22), [slachtoffer 2] (parketnummer 03.069344.24), [slachtoffer 3] (parketnummer 03.335497.23), [slachtoffer 4] (parketnummer 03.246351.23) en [slachtoffer 5] (parketnummer 03.086667.24) hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partijen zijn niet op zitting verschenen. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 03.335497.23, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte: onder parketnummer 03.313214.22 Feit 1: op 6 september 2022 te Oostrum een deur, één of meerdere ruiten en/of een deurkozijn van [slachtoffer 1] heeft vernield en/of beschadigd; Feit 2: op 6 september 2022 te Oostrum [naam 1] heeft bedreigd; onder parketnummer 03.029770.23 Feit 1: op 16 januari 2023 in de gemeente Venray [naam 2] heeft bedreigd; Feit 2: op 16 januari 2023 in de gemeente Venray drie ruiten van Vincent van Gogh heeft vernield en/of beschadigd; onder parketnummer 03.069344.24 Feit 1: op 17 februari 2023 in de gemeente Venray een trui, een T-shirt en/of serviesgoed van [naam 2] , [naam 4] en/of Vincent van Gogh Instituut voor GGZ heeft vernield en/of beschadigd; Feit 2: op 17 februari 2023 in de gemeente Venray ambtenaren [naam 12] , [naam 2] en/of [naam 4] , werknemers van Vincent van Gogh Instituut voor GGZ, zijnde een zorgaanbieder als bedoeld in de Wvggz, heeft mishandeld; Feit 3: op 17 februari 2023 in de gemeente Venray [naam 2] en/of [naam 4] heeft beledigd; Feit 4: op 17 februari 2023 in de gemeente Venray [naam 4] heeft bedreigd; Feit 5: op 18 februari 2023 in de gemeente Venray [naam 4] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd; Feit 6: op 18 februari 2023 in de gemeente Venray ambtenaar [slachtoffer 2] , verpleegkundige bij Vincent van Gogh Instituut voor GGZ, zijnde een zorgaanbieder als bedoeld in de Wvggz, heeft mishandeld; Feit 7: op 18 februari 2023 in de gemeente Venray een tafel, een stoel en/of twee lampen van Vincent van Gogh Instituut voor GGZ heeft vernield en/of beschadigd; onder parketnummer 03.335497.23 op 12 september 2023 in de gemeente Venlo een of meerdere ruit(
- en)van [slachtoffer 3] heeft vernield en/of beschadigd; onder parketnummer 03.246351.23 Feit 1: op 25 september 2023 te Baarlo de inboedel van [naam 6] en/of [slachtoffer 4] heeft vernield en/of beschadigd; Feit 2: op 25 september 2023 te Baarlo [naam 7] heeft bedreigd; onder parketnummer 03.086667.24 op 6 januari 2024 te Oostrum ambtenaar [slachtoffer 5] , werknemer van de Rooyse Wissel, zijnde een zorgaanbieder als bedoeld in de Wvggz, heeft mishandeld. 3De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht alle feiten onder alle parketnummers wettig en overtuigend bewezen. 3.2 Het standpunt van de verdediging parketnummer 03.313214.22 De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. parketnummer 03.029770.23 De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van feit 1 vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. parketnummer 03.069344.24 De raadsvrouw heeft aangevoerd dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden met dien verstande dat de verdachte ten aanzien van feit 7 dient te worden vrijgesproken van de vernieling van de tafel en stoel, nu zich daarvoor te weinig in het dossier bevindt. parketnummer 03.335497.23 De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden met dien verstande dat de vernieling van twee ruiten bewezen kan worden verklaard. Voor meer ruiten is onvoldoende bewijs aanwezig. parketnummer 03.246351.23 De raadsvrouw heeft aangevoerd dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen kan worden. De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van feit 2, nu er geen bewijs voorhanden is dat de aangifte ondersteunt. parketnummer 03.086667.24 De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het feit wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. 3.3 Het oordeel van de rechtbank parketnummer 03.313214.22 Feit 1 en feit 2 Bewijsmiddelen Aangever [naam 8] deed mede namens [slachtoffer 1] aangifte en heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: Plaats delict: [adres 1] binnen de gemeente Venray. Op 6 september 2022 was ik werkzaam bij zorginstelling [slachtoffer 1] . Ik hoorde iemand op de gang schreeuwen. Ik hoorde dat het [verdachte] was; een uitbehandelde cliënt van ons. Ik hoorde dat [verdachte] mondeling aan het schelden was en dreigend overkwam op mijn collega. Ik zag dat [verdachte] een steen in haar hand had. [verdachte] kwam onze richting op gelopen en richtte zich op mijn collega. Ik hoorde dat [verdachte] dreigementen uitte, mijn collega aankeek en zei: “Ik maak jullie dood!” [verdachte] begon met de steen, die ze in haar hand had, de dichte deur van het kantoor te vernielen. Vervolgens liep ze richting het einde van de gang. Op de weg daar naartoe sloeg [verdachte] ook meerdere malen met de steen op een ruit. [verdachte] schold en uitte dreigementen. [verdachte] riep: “Wanneer jullie mij vastpakken, maak ik jullie allemaal dood.” [verdachte] sloeg vervolgens meerdere malen met de steen op de ruit. Op de ruit waren zichtbaar putjes te zien aan het glas. Ook het hout van de deurkozijn was beschadigd en was gebroken. Aangeefster [naam 1] deed aangifte en heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: Ik ben werkzaam als coördinator crisisdienst bij [slachtoffer 1] , gevestigd aan de [adres 1] , gemeente Venray. [verdachte] is een cliënt bij ons die momenteel op vrijwillige basis is opgenomen. Vandaag, 6 september 2022, zag ik dat zij boos door de gang van het kantoor liep. Zij is op enig moment via de voordeur naar buiten gegaan. Ze is daarna terug gekomen met een steen in haar hand. Zij dreigde met de steen in haar hand om deze tegen mij aan te gooien. Ze riep daarbij enkele scheldwoorden. Ik hoorde dat ze daarbij ook riep: “Blijf van mij af. Raak me niet aan. Ik maak jullie kapot.” Ik voelde mij op dat moment bedreigd. Ik was bang dat ze daadwerkelijk met de steen in haar hand tegen mij aan zou gooien en/of slaan. Op enig moment stond [verdachte] in de ruimte van de ingang naar het kantoor. De deur naar het kantoor was dicht, afgesloten. Deze deur is deels van glas. Ik zag dat ze met de steen in haar hand met kracht tegen de ruit van die deur sloeg. Ik zag dat hierdoor schade kwam aan het glas van de deur. Ik zag dat er in het glas putjes zaten. Vernield zijn: - het glas van de deur van ruimte 5.40; - de deur van ruimte 5.7; - het glas van de deur van ruimte 5.8; - de ruit van de deur van de ingang naar de kantoorruimten. Bij de aangifte is een proces-verbaal fotoblad als bijlage gevoegd waarin foto’s van de schade aan het glas van de deur van de ingang naar de kantoorruimte, de schade aan de deur van ruimte 5.7 en de schade aan het glas van de deur van ruimte 5.8 zijn weergegeven. De verdachte heeft ter terechtzitting op 19 augustus 2025 verklaard: U, voorzitter, houdt mij voor dat [naam 1] heeft verklaard dat ik heb geroepen ‘ik maak jullie kapot’. Dat zou best kunnen. (…) Ik kan dingen eruit floepen als ik boos ben dus het zou kunnen kloppen. Bewijsoverweging Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 6 september 2022 te Oostrum, gemeente Venray, een deur, meerdere ruiten en een deurkozijn heeft vernield dan wel beschadigd en [naam 1] heeft bedreigd. parketnummer 03.029770.23 Feit 1 Bewijsmiddelen Aangeefster [naam 2] deed aangifte en heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: Plaats delict: [adres 2] Venray. Ik doe aangifte van bedreiging gepleegd door [verdachte] , verblijvende op de afdeling [naam 15] van Vincent van Gogh voor GGZ. Vandaag 16 januari 2023 had ik late dienst op de afdeling. Ik ben werkzaam als verpleegkundige. Op de afdeling verblijft [verdachte] . Omstreeks 15.45 uur ging ik met [verdachte] in gesprek om afspraken te maken over een verlof dat in principe onder voorwaarden was goedgekeurd en waarover nog afstemming moest volgen en tevens over het verzoek van [verdachte] om weer te gaan wonen bij haar pleegouders. [verdachte] richtte zich op mij. Ik hoorde dat ze tegen mij riep: “Ik ga je kop helemaal verbouwen. Ik krijg jou nog wel te pakken. Ik neem jou nog wel te pakken.” Ik voelde mij door haar woorden bedreigd. Gelet op de persoon van [verdachte] vind ik de bedreiging met het verbouwen van mijn hoofd wel serieus. Ik acht haar in staat om mij op enig moment daadwerkelijk aan te vliegen en te trachten haar bedreiging uit te voeren. Getuige [naam 9] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: Rond half vier/kwart voor vier (de rechtbank begrijpt: op 16 januari 2023) was mijn collega [naam 2] op de gang met [verdachte] in gesprek. Ik zag dat [naam 2] in de deuropening stond en de discussie ging verder waarbij [verdachte] overging tot het verheffen van haar stem. Mijn collega benoemde nogmaals het belang dat iemand contact met ons moest opnemen wat overging tot nog meer stemverheffing vanuit [verdachte] en een woordenwisseling. [verdachte] bleef doorgaan en stopte niet. Wij besloten dat [verdachte] de afdeling moest verlaten. [verdachte] ging toen neus aan neus staan met mijn collega [naam 2] en liep vervolgens boos en hevig geagiteerd de gang op. [verdachte] schold [naam 2] ook uit. Getuige [naam 10] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: Ik hoorde [verdachte] haar stem verheffen plus het uitschelden (de rechtbank begrijpt: op 16 januari 2023). De woorden/bedreigingen waren gericht op [naam 2] en op het gebouw. De verdachte heeft bij de politie – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: U vraagt mij wat ik tegen de begeleiding heb gezegd/geschreeuwd. Dat zal wel van alles zijn. Als ik boos ben, floept er van alles uit. U houdt mij voor dat er is verklaard dat ik meerdere bedreigingen hebt geuit, namelijk: ‘ik ga je kop helemaal verbouwen’, ‘ik krijg jou nog wel te pakken en ‘ik neem jou nog wel te pakken’. Dat kan wel kloppen. U vraagt mij tegen wie ik deze bedreigingen heb geuit. Dat zou best tegen [naam 2] , een verpleegkundige, kunnen zijn. De verdachte heeft ter terechtzitting op 19 augustus 2025 verklaard: Het zou best kunnen dat ik ‘ik ga je kop helemaal verbouwen’, ‘ik krijg jou nog wel te pakken’ en ‘ik neem jou nog wel te pakken’ heb gezegd. Bewijsoverweging Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 16 januari 2023 in de gemeente Venray [naam 2] heeft bedreigd. Feit 2 De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Nu de verdachte zulks ter terechtzitting heeft bekend en geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 19 augustus 2025; - de aangifte van [naam 2] mede namens Vincent van Gogh Voor Ggz d.d. 16 januari 2023. parketnummer 03.069344.24 Feiten 1, 2, 3 en 4 Bewijsmiddelen [naam 11] deed aangifte namens [naam 12] , [naam 2] , [naam 4] en Vincent van Gogh Instituut voor GGZ aangifte. Zij hebben – zakelijk weergegeven – het volgende aan haar verklaard: Plaats delict: [adres 3] Venray. Verklaring [naam 4] Ik ben werkzaam als verpleegkundige op de afdeling genaamd [naam 15] . Dat is een crisisafdeling van Vincent van Gogh voor geestelijke zorg (VvG). Ik was op 17 februari 2023 omstreeks 10:30 uur samen met [naam 2] en [naam 12] werkzaam op de [naam 15] . Ik ging samen met mijn collega [naam 2] in gesprek met [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] met haar eigen hoofd hard tegen haar deur bonkte. Ik zei toen: “Dat is niet handig, daar krijg je koppijn van.” Ik zag en voelde dat [verdachte] direct hierop volgend kennelijk opzettelijk en hard driemaal met haar hoofd een stoot gaf tegen mijn linkerschouder. Ik bleef overeind staan, maar dit waren harde stoten. Ik voelde daardoor direct een pijn in mijn linkerschouder. Ik hief mijn linkerarm op om de stoten van haar hoofd af te weren en ik wendde mij naar mijn rechterzijde om haar stoten af te weren. Direct daaropvolgend voelde ik dat [verdachte] mij driemaal kennelijk opzettelijk hard met haar rechterhand tegen mijn linkerflank sloeg. Dit deed zij met een gebalde vuist. Ik voelde namelijk een geconcentreerde en harde pijn. Dit voelde anders dan wanneer dit met een vlakke hand was gedaan. [verdachte] raakte mij tegen de linkerflank van mijn torso, even onder mijn arm. Ik bleef overeind staan ondanks het feit dat [verdachte] ontzettend hard sloeg. Ik voelde direct pijn op de plek waar [verdachte] mij met haar vuisten sloeg. Ik heb toen samen met [naam 2] [verdachte] vastgepakt en op bed gezet in de zogenaamde holdingpositie. Ik zat rechts naast [verdachte] in die holdingpositie. Op dat moment zag en voelde ik dat [verdachte] wederom met haar hoofd tegen mijn linkerschouder kennelijk opzettelijk hard stootte. Ik zag en voelde direct daaropvolgend dat [verdachte] mij beet in mijn T-shirt en mijn trui. Ik zag dat zij daarbij het stof van de trui tussen haar tanden had en snel en hard achteruit bewoog met haar hoofd. De trui en het shirt waren kapot; de trui is namelijk uitgerekt en in het shirt zat een scheur. Direct daarna zag en voelde ik dat [verdachte] spuugde in mijn gezicht, althans: ik draaide mijn hoofd weg en voelde natte spetters speeksel onder mijn kin en in mijn hals onder mijn oor. Ik zag dat [verdachte] in de deuropening van haar kamer ging staan. Ik zag en hoorde dat [verdachte] toen tegen mij zei: “Ik steek je een mes in de rug.” Ik weet dat zij dit tegen mij zei omdat zij daarbij mij aankeek. Ik was in de overtuiging dat zij deze bedreiging daadwerkelijk ten uitvoer zou leggen als zij daartoe de kans had gehad, omdat zij even daarvoor ook al geweld had gepleegd tegen mij. Vervolgens glipte [verdachte] langs [naam 2] en mij en zag ik [verdachte] naar de keuken van de afdeling rennen. Ik hoorde en zag dat zij een bak serviesgoed in de keuken op de grond trok. De bak zat vol servies. De gehele inhoud van die bak ging kapot. Ik en [naam 2] brachten [verdachte] naar de grond om haar te fixeren. Ik zag dat [verdachte] in haar hand een porseleinscherf had. Ik zag dat zij daarmee steekbewegingen maakte. Ik zag dat dat heel kleine bewegingen waren omdat ik haar pols fixeerde. Dit maakte dat ik haar eerdere bedreiging nog serieuzer nam, namelijk toen [verdachte] zei dat zij een mes in mijn rug wilde steken. Vervolgens hoorde ik geschreeuw en gegil van de kamer van [verdachte] waar [naam 12] en [naam 2] nog bij [verdachte] waren. Ik ging toen naar de kamer van [verdachte] en ik zag daar [verdachte] , [naam 12] en [naam 2] in een worsteling. Ik zag namelijk dat [verdachte] op haar rug op bed lag en dat zij [naam 12] vast had bij de haren van [naam 12] en dat [verdachte] aan die haren trok. Aan dit alles heb ik blauwe plekken en een flinke kras bij mijn rechterelleboog overgehouden. Die kras is gebeurd in de keuken, omdat wij in de keuken op de grond aan het worstelen waren en daar toen ook porseleinscherven op de grond lagen. Verklaring [naam 2] Ik ben werkzaam als verpleegkundige op de afdeling genaamd [naam 15] . Ik was op 17 februari 2023 werkzaam op de [naam 15] . Ik ging samen met [naam 4] in gesprek met [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] met haar hoofd hard tegen haar deur bonkte. Ik hoorde toen [naam 4] zeggen: “Dat is niet handig, daar krijg je koppijn van.” Ik zag dat [verdachte] direct hierop volgend kennelijk opzettelijk en hard driemaal met haar hoofd een stoot gaf tegen de schouder van [naam 4] . Ik zag dat [naam 4] pijn had. Ik zag namelijk dat hij zich direct afwendde van deze stoten en zijn arm ter verdediging hief. Ik zag direct daaropvolgend dat [verdachte] kennelijk opzettelijk hard met haar rechterhand tegen de linkerflank van [naam 4] sloeg. Dit deed zij met een gebalde vuist. Ik zag dat zij [naam 4] drie keer met gebalde vuist sloeg. Zij raakte [naam 4] tegen de linkerflank van zijn torso onder zijn rechterarm. Ik heb [verdachte] toen samen met [naam 4] vastgepakt en op haar eigen bed gezet in de zogenaamde holdingpositie. Op dat moment zag ik dat [verdachte] wederom met haar hoofd tegen de linkerschouder van [naam 4] kennelijk opzettelijk hard stootte. Ik zag en voelde direct daaropvolgend dat [verdachte] [naam 4] beet in zijn trui. Ik zag namelijk dat zij de trui tussen haar tanden had en haar hoofd achteruit rukte. Direct daarna zag ik dat [verdachte] spuugde richting het gezicht van [naam 4] . Ik zag dat [naam 4] zijn hoofd snel wegdraaide en dat het spuug van [verdachte] het gezicht van [naam 4] niet volledig raakte, maar wel de hals, en misschien ook een deel van het gezicht. Ik zag dat [verdachte] wel richtte op het gezicht van [naam 4] . Op die dag omstreeks 11:15 uur kwam [verdachte] in conflict met een mede-cliënt. Om de veiligheid van beiden te waarborgen ben ik samen met [naam 4] voor [verdachte] gaan staan met onze handen met vlakke hand geheven. Ik hoorde [verdachte] tegen [naam 4] zeggen: “Ik steek je een mes in de rug.” Ik was in de overtuiging dat [verdachte] deze bedreiging ten uitvoer zou brengen wanneer [verdachte] daartoe de mogelijkheid had, omdat ik haar eerder geweld zag plegen tegen [naam 4] . Ik kon die bedreiging duidelijk horen omdat wij op dat moment alle drie dicht bij elkaar stonden. Ik zag ook dat [verdachte] [naam 4] aankeek. Daarom weet ik dat deze bedreiging aan [naam 4] was gericht. Ik zag dat [verdachte] daarna snel langs ons glipte en in de richting van de keuken rende. Ik zag en hoorde dat [verdachte] een bak serviesgoed van het aanrecht trok en dat de gehele inhoud daarvan kapot viel op de grond. Ik raakte in een worsteling met [verdachte] . Ik draaide mij op een gegeven moment weg van [verdachte] om mijzelf voor [verdachte] te beschermen. Ik voelde dat [verdachte] mij toen twee of drie keer tussen mijn schouderbladen op mijn rug heeft geslagen. Ik weet dat het kennelijk opzettelijk en hard was omdat ik voelde dat het direct pijn deed. Vervolgens zag en voelde ik dat [verdachte] mij in mijn gezicht spuugde. Ik voelde natte spetters van het spuug van [verdachte] in mijn gezicht. Ik zag en voelde vervolgens dat [verdachte] mij bij mijn trui vastgreep, deze niet meer losliet en mijn trui verdraaide. Deze trui is dermate uitgetrokken dat deze nu kapot is. In onze worsteling wisten ik en [naam 12] [verdachte] in een liggende positie te krijgen. Ik zag dat [verdachte] met haar hand greep naar [naam 12] en dat zij aan het haar van [naam 12] trok. Aan deze worsteling heb ik blauwe plekken overgehouden aan mijn arm en pols. Het is tijdens een worsteling met [verdachte] gebeurd. Verklaring [naam 12] Ik ben werkzaam op de afdeling genaamd [naam 15] . Ik was op 17 februari 2023 omstreeks 10:30 uur werkzaam op de [naam 15] . Ik zag dat [verdachte] naar de keuken van de afdeling rende en daar porselein op de grond gooide, namelijk een hele bak. Ik zag dat de hele bak porselein kapot was. Ik begeleidde samen met [naam 2] vervolgens [verdachte] naar de kamer van [verdachte] en wij gingen vervolgens in de holdinghouding zitten op het bed van [verdachte] . Ik en [naam 2] raakten in een worsteling met [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] toen twee of drie keer [naam 2] tussen haar schouderbladen op haar rug heeft geslagen. Vervolgens zag ik dat [verdachte] [naam 2] in haar gezicht spuugde. Ik zag vervolgens dat [verdachte] de trui van [naam 2] vastgreep, deze niet meer losliet en de trui verdraaide. Deze trui is dermate uitgetrokken dat deze nu kapot is. In onze worsteling wisten ik en [naam 2] [verdachte] in een liggende positie op het bed van [verdachte] te krijgen. Ik zag dat [verdachte] met haar hand greep naar mijn hals. Ik zag namelijk dat zij een grijpende beweging maakte naar mijn hals. Ik zag en voelde dat zij daarbij mijn hals en kin raakte. Ik heb hier krassen op mijn hals en kin aan over gehouden. Direct daarna zag en voelde ik dat [verdachte] mijn haar vastgreep. Zij trok hard aan mijn haar. Zij deed dit kennelijk opzettelijk, want zij trok heel hard aan mijn haar. Ik voelde ook een hevige pijn. Na dit voorval lagen er veel losse haren van mij op mijn kleding en om mij heen. Bij de verklaring van [naam 12] zijn foto’s toegevoegd waarop krassen op haar kin en hals zichtbaar zijn. De verdachte heeft ter terechtzitting op 19 augustus 2025 verklaard: U houdt mij voor dat [naam 4] heeft verklaard dat ik in zijn T-shirt en trui beet (…). Het zou best kunnen dat ik in zijn kleding heb gebeten. (…) Het klopt dat ik serviesgoed op de grond heb gegooid. Ik verbleef op deze afdeling met een zorgmachtiging. Bewijsoverweging De verdachte bleef in het kader van een zorgmachtiging bij Vincent van Gogh Instituut voor GGZ. De zorg van een persoon die op basis van een zorgmachtiging in een instelling verblijft, is een overheidstaak en de werknemers van de instelling die deze taak uitvoeren, zijn op het moment dat zij zich met deze specifieke zorgtaak bezighouden aan te merken als ambtenaren in de zin van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 17 februari 2023 in de gemeente Venray twee truien, een T-shirt en serviesgoed van [naam 2] , [naam 4] en Vincent van Gogh Instituut voor GGZ heeft vernield, ambtenaren [naam 12] , [naam 2] en [naam 4] , gedurende de uitoefening van hun bediening als werknemers van Vincent van Gogh Instituut voor GGZ heeft mishandeld, [naam 2] en [naam 4] heeft beledigd en [naam 4] heeft bedreigd. Feiten 5, 6 en 7 Bewijsmiddelen [naam 11] deed aangifte namens Vvgi (de rechtbank begrijpt: Vincent van Gogh Instituut voor GGZ), [naam 4] en [slachtoffer 2] . Zij hebben – zakelijk weergegeven – het volgende aan haar verklaard: Plaats delict: [adres 3] Venray. Verklaring [naam 4] Ik had tijdens de nacht van 17 februari 2023 op 18 februari 2023 de nachtdienst. Ik werkte op de [naam 15] tijdens die nachtdienst samen met een beveiliger. Ik zag en hoorde dat [verdachte] vanaf omstreeks 04:00 uur in conflict was met haar buurman op de afdeling. Ik zag en hoorde dat [verdachte] met spullen begon te gooien. Ik hoorde ook glas kapot vallen op haar kamer. Ik sprak haar toen aan op haar gedrag. Ik zag dat zij boos van haar kamer kwam gestormd. Daarna draaide zij weer om en ging zij haar kamer weer in. Ik zag en hoorde dat zij met meer spullen ging gooien. Ik ben naar het kantoor van de afdeling gegaan en ik heb gebeld met een naburige afdeling, namelijk de Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA), om even te overleggen wat ik het beste kon doen met betrekking tot [verdachte] . Ik sprak toen aan de telefoon met [naam 13] . Hij is verpleegkundige op de FPA. Ik zag en hoorde dat [naam 13] omstreeks 04:50 uur op de [naam 15] was. Ik probeerde om haar de-escalerend aan te spreken omdat ik haar weg wilde halen van haar kamer. Ik zag namelijk dat er veel glas op de grond van haar kamer lag. Daarnaast zorgde de cliënt voor veel onrust bij mede-cliënten. Het was voor ons duidelijk dat zij acuut weg moest van haar kamer, zodat wij haar medicatie konden geven en weer een veilige situatie konden creëren. Ik zag en hoorde aan de reactie van [verdachte] dat het de-escalerend aanspreken totaal niet werkte. Ik hoorde [verdachte] continu herrie maken en ik hoorde ook continu vallende spullen. Ik ben samen met de vijf nachtzorgmedewerkers, [naam 13] en [naam 14] naar de kamer van de cliënt gegaan. Ik en de voornoemde anderen bleven op de gang staan en wij probeerden met een bezem het glas zoveel mogelijk van haar kamer weg te vegen. Ik en deze anderen wilden een veilige werkruimte creëren om haar vervolgens te fixeren en te controleren. Ik hoorde [verdachte] zeggen: “kom hier, dan stomp ik je op je neus” en “ik steek je neer” en “ik ga alles affikken”. Ik was ervan overtuigd dat zij dit daadwerkelijk zou doen als zij hiertoe de mogelijkheid zou hebben. Zij had eerder die dag al geweld gepleegd. Bovendien had ik al gezien dat zij een aansteker in haar hand hield, dus zij kon daadwerkelijk alles ‘affikken’. Ik ging toen 112 bellen. Ik wist namelijk dat wij [verdachte] niet op een veilige manier uit de kamer konden krijgen zonder onszelf en/of haar te verwonden aan bijvoorbeeld al het glas in de kamer. Er waren op de kamer ook spullen van Vincent van Gogh voor GGZ vernield (te weten: een tafel en een stoel). Ik zag dat deze spullen voorafgaand aan de tirade van [verdachte] heel waren en dat zij daarna kapot waren. Ik zag toen dat [verdachte] wegstormde en twee lampen van de muur sloeg. Verklaring [naam 13] Ik werk als verpleegkundige op de afdeling Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA). Ik had tijdens de nacht van 17 februari 2023 op 18 februari 2023 de nachtdienst. Ik werd door [naam 4] gebeld omdat hij wilde overleggen over [verdachte] . Ik ben toen naar de [naam 15] gegaan. Ik hoorde op de [naam 15] direct iets zwaars vallen. Ik zag ook glas op de grond van de gang van de afdeling liggen. Ik zag namelijk allemaal glinsteringen op de vloer. Ik ben samen met [naam 4] , [naam 14] en vijf nachtzorgmedewerkers naar de kamer van [verdachte] gegaan. Ik zag dat er veel op de kamer kapot was waaronder veel glas en een tafel en een stoel die in bezit zijn van Vincent van Gogh . Ik hoorde [verdachte] zeggen: “kom hier, dan stomp ik je op je neus”, “ik steek je neer” en “ik ga alles affikken”. Ik was er van overtuigd dat zij haar bedreigingen daadwerkelijk zou uitvoeren als zij hiertoe de mogelijkheid zou hebben. Zij had eerder die dag al geweld gepleegd. Bovendien had ik al gezien dat zij een aansteker in haar hand hield, dus zij kon daadwerkelijk alles ‘affikken’. Na overleg ging [naam 4] 112 bellen. Ik heb samen met [naam 4] en de nachtzorgmedewerkers [verdachte] naar een andere kamer gebracht. Ik hoorde toen iemand zeggen: “ [naam 13] , pas op.” Ik zag toen dat [verdachte] mij flink aan het krabben was op mijn onderarm en pols. Ik heb later een foto gemaakt van dit letsel. Ik zag ook nog dat [verdachte] twee lampen vernielde. Zij werd boos over het feit dat zij haar telefoon niet had. Ik zag en hoorde dat [naam 4] onenigheid had met [verdachte] over of [verdachte] wel of niet naar de separatieruimte zou gaan. Ik zag toen dat [verdachte] twee lampen van de muur sloeg. Bij de verklaring van [naam 13] is een foto toegevoegd waarop krassen op zijn pols en onderarm zichtbaar zijn. De verdachte heeft ter terechtzitting op 19 augustus 2025 verklaard: Het klopt dat ik [naam 13] op zijn pols en onderarm heb gekrabd. Hij wilde mij een injectie geven en ik stribbelde tegen. Ik heb hem toen inderdaad op zijn pols gekrast en de foto daarvan heb ik bij de politie gezien. (…) Toen ik de foto zag, dacht ik dat dat gebeurd zou kunnen zijn. (…) U houdt mij voor dat ik ben weggerend en twee lampen van de muur heb geslagen. Ik kan mij wel herinneren dat ik tegen een lamp sloeg. U houdt mij voor dat ik bij de politie heb bekend dat ik de lampen van de muur heb geslagen. (Verdachte knikt). Bewijsoverwegingen Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 18 februari 2023 in de gemeente Venray [naam 4] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd, ambtenaar [slachtoffer 2] gedurende de uitoefening van zijn bediening als werknemer van Vincent van Gogh Instituut voor GGZ heeft mishandeld en twee lampen van Vincent van Gogh Instituut voor GGZ heeft vernield. Tevens acht de rechtbank – anders dan de verdediging – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte ook een tafel en een stoel van Vincent van Gogh Instituut voor GGZ heeft vernield en/of beschadigd, omdat twee getuigen daarover verklaren. parketnummer 03.335497.23 De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Nu de verdachte zulks ter terechtzitting heeft bekend en geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 19 augustus 2025; - de aangifte van [naam 16] namens [slachtoffer 3] d.d. 12 september 2023. parketnummer 03.246351.23 Feit 1 De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Nu de verdachte zulks ter terechtzitting heeft bekend en geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 19 augustus 2025; - de aangifte van [naam 6] mede namens [slachtoffer 4] d.d. 25 september 2023. Vrijspraak feit 2 De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat de aangifte van [naam 7] onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier waardoor de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 2. De verklaring van de verdachte dat het ‘misschien wel zou kunnen’ dat zij zoiets heeft gezegd en de vaststelling dat de verdachte daarna de inboedel heeft vernield, bieden deze steun naar het oordeel van de rechtbank niet. parketnummer 03.086667.24 Bewijsmiddelen Aangeefster [naam 17] deed namens [slachtoffer 5] aangifte en heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: Ik doe aangifte namens TBS-kliniek De Rooyse wissel in Oostrum, gemeente Venray, en tegen een patiënt van de instelling, [verdachte] . Op 6 januari 2024 werd geconstateerd dat [verdachte] zich in de Extra Beveiligde Separeer (EBS) achter haar matras aan het verstoppen was waardoor er geen toezicht meer was. Er werd haar gevraagd achter het matras vandaan te komen, wat ze weigerde. Aangezien doorlopend toezicht noodzakelijk was met het oog op zelfbeschadigend gedrag, werd besloten om het matras uit de ruimte te halen. Meerdere medewerkers betraden de ruimte. Twee daarvan namen [verdachte] in de holding. [verdachte] probeerde een van deze medewerkers te bijten waarop deze medewerker [verdachte] naar de grond wilde brengen ter bevordering van de controle. Hierop keek [verdachte] het slachtoffer, [slachtoffer 5] , aan en gaf hem een harde kopstoot. Het slachtoffer [slachtoffer 5] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: Op 6 januari 2024 had ik dienst en was ik samen met mijn collega bezig met een inzet, waarbij een matras uit de separeerruimte gehaald moest worden. Mijn rol was om de patiënt, verdachte, te fixeren. Dit deed ik samen met enkele collega’s. Ik zag dat zij haar hoofd naar mij toe draaide en mij in mijn rechteronderarm wilde bijten. Ik draaide mijn schouder verder naar haar lichaam toe om haar verder uit balans te halen. Zij keek mij op dat moment aan. Ik zag dat zij haar hoofd naar achteren haalde en met harde kracht naar voren bracht om met haar hoofd mijn hoofd te raken. Ik voelde dat zij met haar hoofd mijn hoofd raakte. Ik voelde een harde klap boven op mijn linker oogkas. Ik voelde een drukkende pijn. Ik ben de separeerruimte uitgelopen en ik meldde mijn leidinggevende dat ik een kopstoot had gekregen. Vanaf dat moment begon het voor mijn gevoel een beetje te draaien en ik voelde mij duizelig worden. Ik ben toen gaan zitten en voor mijn gevoel was ik er op dat moment niet meer helder bij. Ik voelde mij pas weer helder toen ik in de gaten kreeg dat ik in een andere ruimte zat met een koelpack op mijn hoofd. Ik voelde drukkende, maar vooral stekende pijn aan de linkerzijde van mijn voorhoofd. Ik ben de volgende dag naar het werk gegaan. Toen ik op het werk was, voelde ik mij op dat moment erg misselijk worden. Ik had braakneigingen en ik voelde mij zweterig worden. Ik ben toen door de verpleegkundige van dienst gecontroleerd. Hij heeft mij naar de huisartsenpost gestuurd. Ik ben daar nogmaals gecontroleerd door huisarts. Uit de controle kwam naar voren dat het zicht van mijn rechteroog niet volledig functioneerde. De huisarts concludeerde dat ik een verwarde spraak had en ik vertelde hem dat ik een stuk van het verhaal kwijt was. De huisarts heeft mij toen doorverwezen naar de spoedeisende hulp. In het ziekenhuis heb ik een CT-scan laten maken. Uit de scan kwam naar voren dat ik een hersenschudding had opgelopen. Na de uitslagen van het ziekenhuis ben ik naar huis gegaan en heb ik als gevolg van de kopstoot ongeveer 1,5 week thuis gezeten met klachten. Bij de aangifte van [naam 17] namens [slachtoffer 5] zijn de medische gegevens van het slachtoffer afkomstig van [slachtoffer 3] als bijlage toegevoegd. Hierin is – zakelijk weergegeven – het volgende vermeld: Hersenzenuwen: wazig zicht bij naar rechts kijken; Conclusie: commotio cerebri. Getuige [naam 18] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: Op het moment dat wij naar binnen gingen, zag ik dat de patiënt op de grond zat met haar rug naar ons toe. Wij maakten het eerste contact en pakten daarbij haar armen en legden onze andere hand op haar schouder. Ik voelde op dat moment dat de patiënt gespannen was. Wij wilden de patiënt naar voren richting de grond brengen waarbij zij op haar buik zou komen te liggen. Ik zag dat [slachtoffer 5] met zijn rechterhand de linkerschouder van de patiënt vast had. Ik zag dat de patiënt haar hoofd naar links draaide en een bijtende beweging naar de hand van [slachtoffer 5] maakte. Ik zag dat [slachtoffer 5] hierdoor zijn positie veranderde en wij duwden haar naar haar linkerzijde. Ik hoorde op dat moment een harde tik. Ik dacht dat de patiënt met haar hoofd de grond aantikte. Achteraf vertelde [slachtoffer 5] mij dat hij een kopstoot kreeg van de patiënt. Ik zag aan [slachtoffer 5] dat hij zich niet goed voelde. Hij keek mij verdwaasd/aangeslagen aan. Ik zag dat hij op de grond tegen de muur ging zitten. Ik zag dat hij bleek wegtrok en hoorde hem nogmaals benoemen dat het een harde kopstoot was. De verdachte heeft ter terechtzitting op 19 augustus 2025 verklaard: Ik verbleef in de Rooyse Wissel met een zorgmachtiging. Bewijsoverweging De verdachte bleef in het kader van een zorgmachtiging bij de Rooyse Wissel. [slachtoffer 5] hield zich op het moment van het tenlastegelegde feit bezig met de zorg van de verdachte. [slachtoffer 5] is daarom aan te merken als ambtenaar in de zin van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 6 januari 2024 te Oostrum in de gemeente Venray ambtenaar [slachtoffer 5] , gedurende de uitoefening van zijn bediening als werknemer van de Rooyse Wissel, heeft mishandeld. De raadsvrouw heeft betoogd dat de hersenschudding meerdere oorzaken kan hebben, zoals een val op de grond tijdens een schermutseling. De rechtbank is echter overtuigd door de concrete verklaring van de aangever. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte parketnummer 03.313214.22 1 op 6 september 2022 te Oostrum, gemeente Venray opzettelijk en wederrechtelijk een deur, meerdere ruiten en een deurkozijn, die aan [slachtoffer 1] toebehoorden heeft vernield en/of beschadigd; 2 op 6 september 2022 te Oostrum, gemeente Venray [naam 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [naam 1] dreigend de woorden toe te voegen “Ik maak jullie kapot”; parketnummer 03.029770.23 1op 16 januari 2023, in de gemeente Venray, [naam 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [naam 2] dreigend de woorden toe te voegen “Ik ga je kop helemaal verbouwen”, “Ik krijg jou nog wel te pakken” en “Ik neem jou nog wel te pakken”; 2op 16 januari 2023, in de gemeente Venray, opzettelijk en wederrechtelijk drie ruiten, die aan Vincent van Gogh toebehoorden heeft vernield; parketnummer 03.069344.24 1op 17 februari 2023, in de gemeente Venray, opzettelijk en wederrechtelijk twee truien, een T-shirt en serviesgoed, die aan [naam 2] , [naam 4] en/of Vincent van Gogh Instituut voor GGZ toebehoorden heeft vernield en/of beschadigd; 2op 17 februari 2023, in de gemeente Venray, ambtenaren [naam 12] , werknemer van Vincent van Gogh Instituut voor GGZ en [naam 2] en [naam 4] , beiden verpleegkundige van Vincent van Gogh Instituut voor GGZ, zijnde een zorgaanbieder als bedoeld in de Wvggz, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening heeft mishandeld door- die [naam 4] meermalen met haar hoofd een stoot tegen de linkerschouder te geven en met een gebalde vuist tegen de linkerflank van het lichaam van die [naam 4] te slaan;- die [naam 2] meermalen op haar rug te slaan en- die [naam 12] aan de hals en/of kin vast te pakken en/of te krassen/krabben en bij de haren vast te pakken en (vervolgens) (hard) aan die haren te trekken; 3op 17 februari 2023, in de gemeente Venray, opzettelijk [naam 2] en [naam 4] in hun tegenwoordigheid heeft beledigd door die [naam 2] en [naam 4] in het gezicht te spugen;4op 17 februari 2023, in de gemeente Venray, [naam 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [naam 4] dreigend de woorden toe te voegen “Ik steek je een mes in de rug”; 5op 18 februari 2023, in de gemeente Venray, [naam 4] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [naam 4] en [naam 13] dreigend de woorden toe te voegen “Kom hier, dan stomp ik je op je neus” en “Ik steek je neer” en “ik ga alles affikken”; 6op 18 februari 2023, in de gemeente Venray, een ambtenaar [slachtoffer 2] , verpleegkundige van Vincent van Gogh Instituut voor GGZ, zijnde een zorgaanbieder als bedoeld in de Wvggz, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [naam 13] aan zijn onderarm en pols te krabben; 7op 18 februari 2023, in de gemeente Venray, opzettelijk en wederrechtelijk een tafel, een stoel en twee lampen, die aan Vincent van Gogh Instituut voor GGZ toebehoorden heeft vernield en/of beschadigd; parketnummer 03.335497.23 op 12 september 2023, in de gemeente Venlo, opzettelijk en wederrechtelijk meerdere ruiten die aan [slachtoffer 3] toebehoorden heeft vernield; parketnummer 03.246351.23 1op 25 september 2023 te Baarlo, gemeente Peel en Maas, opzettelijk en wederrechtelijk inboedel (o.a. deuren, lampen, een scherm, de balie, een kast, een vitrinekast en plantenbak), die aan [naam 6] en/of [slachtoffer 4] toebehoorde heeft vernield en/of beschadigd; parketnummer 03.086667.24 op 6 januari 2024, te Oostrum, in de gemeente Venray, een ambtenaar, [slachtoffer 5] , medewerker van de Rooyse Wissel, zijnde een zorgaanbieder als bedoeld in de Wvggz, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [slachtoffer 5] een kopstoot te geven. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in haar belangen geschaad. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op: parketnummer 03.313214.22 feit 1: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en/of beschadigen, meermalen gepleegd; feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht; parketnummer 03.029770.23 feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, meermalen gepleegd; feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd; parketnummer 03.069344.24 feit 1: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en/of beschadigen, meermalen gepleegd; feit 2: mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd; feit 3: eenvoudige belediging, meermalen gepleegd; feit 4: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling; feit 5: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, meermalen gepleegd; feit 6: mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening; feit 7: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en/of beschadigen, meermalen gepleegd; parketnummer 03.335497.23 opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd parketnummer 03.246351.23 feit 1: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en/of beschadigen, meermalen gepleegd; parketnummer 03.086667.24 mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte Daar er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte volledig uitsluiten, is de verdachte strafbaar. 6De straf en/of de maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van de duur van het voorarrest van 464 dagen en de ongemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. De officier van justitie heeft bij het formuleren van haar strafeis rekening gehouden met het feit dat de verdachte wel nog enige verantwoordelijkheid ten aanzien van de gepleegde feiten toekomt, maar dat dit wel sterk verminderd is. Daarnaast heeft de officier van justitie rekening gehouden met de persoon van de verdachte en het feit dat zij dringend passende behandeling nodig heeft. In strafverzwarende zin weegt zij mee dat het gaat om geweld tegen zorgverleners. Voorts heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat een tbs-maatregel met voorwaarden niet mogelijk is, nu door verschillende deskundigen te kennen is gegeven dat de verdachte zich op lange termijn niet zal kunnen committeren aan de voorwaarden en de tbs-maatregel met voorwaarden de negatieve spiraal niet zal doorbreken. Tot slot is ook een zorgmachtiging geen geschikt kader, omdat dit wel stabilisatie maar geen risicobeperking biedt en wel een behandelmachtiging maar geen behandelverplichting geeft. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw sluit zich aan bij de officier van justitie met betrekking tot de geformuleerde strafeis van een gevangenisstraf van vijf maanden. Een langere gevangenisstraf zou ook geen doel dienen, nu behandeling is aangewezen. Met betrekking tot de gevorderde tbs-maatregel heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 37a, eerste lid, aanhef van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Gelet op alle feiten en omstandigheden kan op dit moment niet gezegd worden dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de tbs-maatregel eisen. Tbs is niet de maatregel die nu passend is voor de verdachte en er dient te worden gekeken naar een alternatieve maatregel in het kader waarvan ze behandeld kan worden. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de persoon van de verdachte, de relatief geringe ernst en de context van de tenlastegelegde misdrijven en de gebleken bereidheid tot behandeling, de tbs-maatregel met voorwaarden meer passend is dan de tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De strafbare feiten In een periode van een jaar en vier maanden heeft de verdachte zich aan meerdere strafbare feiten schuldig gemaakt, waarvan het merendeel is gepleegd tegen zorgverleners en in klinieken waar de verdachte op basis van zorgmachtigingen verbleef. In deze periode heeft zij verschillende goederen vernield dan wel beschadigd die toebehoorden aan een kliniek, een medisch centrum, een huisartsenpraktijk en/of zorgverleners. De verdachte heeft daarbij geen respect getoond voor andermans eigendom. Dit zijn ergerlijke misdrijven die schade toebrengen aan de gedupeerde en met name veel hinder veroorzaken. Daarnaast heeft zij verschillende zorgverleners beledigd, bedreigd en mishandeld. De strafbare handelingen die de verdachte heeft verricht waren gericht tegen personen die bezig waren met de uitoefening van hun werkzaamheden die juist zagen op het verlenen van (geestelijke) hulp aan de verdachte. Door het handelen van de verdachte heeft zij een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en het veiligheidsgevoel van de slachtoffers. De rechtbank ziet echter ook de andere kant. De verdachte is een 27-jarige vrouw die als kind zodanig is verwaarloosd, mishandeld, misbruikt en gepest, dat zij complexe chronische PTSS en een zeer ernstige borderlinestoornis heeft ontwikkeld. Ze gaat in de reguliere gezondheidszorg van crisis, naar delict, naar overplaatsing, naar crisis enzovoort. Het patroon is telkens identiek: de verdachte krijgt een tegenvaller, voelt zich afgewezen, raakt overspoeld door verdriet en boosheid, vernielt spullen en beledigt en bedreigt zorgverleners, wordt gefixeerd en geïsoleerd, herbeleeft trauma’s en mishandelt zorgverleners. Deze escalatie zit in haar persoon ingebakken. Door haar gedrag veroorzaakt zij haar eigen afwijzing en elke poging tot de-escalatie veroorzaakt juist escalatie. Het zorgpersoneel is machteloos en de verdachte is vooral ernstig psychiatrisch ziek. De rechtbank zal dan ook de standpunten beoordelen en haar beslissingen nemen tegen deze achtergrond. De straf De ernst van het bewezenverklaarde brengt mee dat in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in vergelijkbare gevallen zijn opgelegd. C. Klaassen, psychiater, en M.H. Bakkes, GZ-psycholoog, hebben over de geestvermogens van de verdachte op 2 juni 2025 gezamenlijk een rapport uitgebracht, na observatie en onderzoek van de verdachte in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) en (na terugplaatsing) in [PI 2] . In de rapportage komt – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren. Er is bij de verdachte sprake van een borderline persoonlijkheidsstoornis, een stoornis in het gebruik van alcohol, cannabis en amfetamine (in langdurige remissie in gereguleerde omgeving) en een chronische posttraumatische stressstoornis. Van deze stoornissen was eveneens sprake tijdens de tenlastegelegde feiten, al is niet geheel duidelijk in hoeverre de verdachte onder invloed was van middelen ten tijde van de haar tenlastegelegde feiten. De gediagnosticeerde stoornissen beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van alle tenlastegelegde feiten. Er is bij de verdachte sprake van een laag zelfbeeld, een beperkt mentaliserend vermogen, emotieregulatieproblemen en in het verlengde daarvan een gebrekkig vermogen om gevoelens van boosheid en agressie op adequate wijze te kanaliseren. Haar handelen en zelfbeeld zijn sterk afhankelijk van haar omgeving. Het wordt passend geacht te adviseren om de verdachte, die vooral een ernstig psychiatrisch zieke vrouw is, de haar tenlastegelegde feiten in een sterk verminderde mate toe te rekenen (op een vijfpuntsschaal). De deskundigen hebben inzichtelijk gemotiveerd op basis van welke bevindingen zij adviseren de verdachte de feiten in een sterk verminderde mate toe te rekenen. De rechtbank kan zich vinden in dit advies en de onderbouwing ervan. Zij zal de feiten die zij bewezen acht dus in sterk verminderde mate aan de verdachte toerekenen. Alles afwegende komt de rechtbank, conform de eis van de officier van justitie, tot het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van de 464 dagen die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De maatregel van terbeschikkingstelling Indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist, kan de rechtbank gelasten dat een verdachte ter beschikking wordt gesteld indien zij tot het oordeel komt dat bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en het door de verdachte begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld of een misdrijf dat als zodanig is aangewezen (artikel 37a Sr). Indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist, kan de rechtbank tevens verpleging van overheidswege gelasten (artikel 37b Sr). In de hiervoor al benoemde rapportage komt ten aanzien van het recidiverisico en de behandelmogelijkheden – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren. Op basis van het klinisch oordeel van onderzoekers is er sprake van een hoog risico op recidive bij de verdachte. Wanneer zij geen zorg krijgt, speelt dit al op de korte termijn, maar ook in zorg loopt de omgeving van meet af aan risico om slachtoffer te worden van de boosheid en agressie van de verdachte. Het geweld dat haar ten laste is gelegd hangt samen met haar borderline persoonlijkheidsstoornis en eerder opgelopen trauma’s, die doordat zij zo vaak in crisis raakte nog onvoldoende behandeld zijn. Zij zal zonder begeleiding niet kunnen functioneren. Het is vrijwel zeker dat herhaling van het geweld zich opnieuw voor zal gaan doen. Immers, in de interactie met begeleiding zullen zich structureel situaties blijven voordoen die haar boosheid activeren. In de afgelopen jaren is gezien dat de verdachte in toenemende mate in conflict komt, het acting out gedrag dat hierop volgt steeds heftiger wordt en de nevenschade steeds groter. Zonder passende interventie wordt verwacht dat deze lijn zich zal voortzetten en dat er escalatiegevaar is voor ernstiger geweld. Ter bevordering van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling en afwending van recidivegevaar heeft de verdachte intensieve behandeling nodig in een omgeving die om kan gaan met boosheid en agressie van de kant van de verdachte. Voor de behandeling van de verdachte is van belang dat zij niet voortdurend wordt overgeplaatst vanwege haar gedrag. Zij heeft behoefte aan een extreem voorspelbare setting met een hoog beveiligingsniveau, die kan omgaan met haar automutileren en die haar niet kan ‘wegdoen’ op het moment dat het moeilijk wordt. Dit moet bovendien een setting zijn waar een goede behandeling voor haar borderlinestoornis kan worden gerealiseerd en die niet alleen gericht is op beheersing van de crisis. Hoewel er voor de borderlinepersoonlijkheidsstoornis en PTSS goede behandelprotocollen zijn, zal het in het geval van de verdachte een langdurig en intensief traject betreffen. Ondertussen is in de afgelopen jaren gebleken dat het gedrag van de verdachte binnen de reguliere GGZ niet te hanteren is. Behandeling in het kader van een zorgmachtiging lijkt daarmee niet haalbaar, ook al omdat de duur daarvan op voorhand niet kan worden gegarandeerd. Haar instabiliteit, impulsiviteit en de complexe meervoudige psychopathologie maken dat een gerichte behandeling in een voorwaardelijk kader weinig kans van slagen lijkt te hebben. Daarvoor is de problematiek te complex en over de volle linie te breed. De rapporteurs adviseren dan ook om de verdachte te behandelen in het kader van een tbs met bevel tot verpleging van overheidswege. Ter terechtzitting van 19 augustus 2025 heeft de psychiater – zakelijk weergegeven – naar voren gebracht dat de klachten van de verdachte dusdanig zijn dat men in de reguliere GGZ niet weet wat men met de verdachte moet. Zodra de verdachte zich ergens thuis voelt, gaat zij onbewust haar best doen om afgewezen te worden. Dat is onderdeel van haar stoornissen. Het is een extreme psychiatrische aandoening om te behandelen en elke instelling struggelt met deze stoornis. Er is een team nodig dat enorm is gespecialiseerd. Een tbs-instelling is de enige plek waar de verdachte een goede behandeling kan krijgen. Het gegeven dat zij in het PPC iets beter functioneert dan in de GGZ, bewijst dat een tbs met dwangverpleging de enige juiste maatregel is. Het beveiligingsniveau van een PPC en een FPC is namelijk vergelijkbaar. Ter terechtzitting van 25 november 2025 heeft de psychiater – zakelijk weergegeven – naar voren gebracht dat de deskundigen geen mogelijkheden zien voor een tbs-maatregel met voorwaarden. Vanwege de borderlinestoornis is de verdachte wisselend in haar overtuigingen, waardoor er niet vanuit kan worden gegaan dat zij zich aan de voorwaarden zal kunnen houden. De psycholoog heeft – zakelijk weergegeven – naar voren gebracht dat behandeling van borderline persoonlijkheidsstoornissen langdurige trajecten betreffen. Indien de behandeling van start zal gaan, zal de spanning dusdanig oplopen dat zij het niet kan volhouden. Dat is niet bewust, maar onderdeel van haar problematiek. Er is geen alternatief en de mogelijkheden bij andere instellingen binnen de GGZ zijn uitgeput. Uit het reclasseringsrapport van 5 november 2025 komt – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren. Door de complexe meervoudige problematiek in combinatie met de persoonlijkheidsstructuur van de verdachte is een behandeling in een voorwaardelijk kader niet haalbaar. Binnen een tbs-maatregel met voorwaarden is onvoldoende ruimte voor de verdachte om, zonder behandeldruk, de kans te krijgen om met vallen en opstaan haar leven op te kunnen bouwen. Daarnaast heeft de verdachte door de jaren heen laten zien dat zij niet in staat is zich te conformeren aan voorwaarden. Er is sprake van een hoge onmacht en daardoor kan de reclassering niet spreken van een betrouwbare bereidheid. Het NIFP/ifz, verantwoordelijk voor de indicatiestelling, conformeert zich aan de adviezen en bevindingen van het Pieter Baan Centrum. Dit maakt dat de reclassering van mening is dat het aanvragen van een indicatie, gelet op het advies van het Pieter Baan Centrum, geen meerwaarde heeft. Het risico op recidive, letsel en onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog en de reclassering ziet geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering adviseert daarom negatief over tbs met voorwaarden. Uit het reclasseringsrapport van 19 november 2025 komt – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren. Op 18 november 2025 heeft het PPC te [plaatsnaam 1] contact opgenomen met Tactus Reclassering. Zij geven aan dat zij de vraag of zij mogelijkheden zien ten aanzien van tbs met voorwaarden in het multidisciplinaire overleg hebben besproken. Tijdens dit overleg hebben zowel de psychiater als de psycholoog en de behandelcoördinator aangegeven dat zij een tbs met voorwaarden onuitvoerbaar achten. Zij geven aan dat de verdachte niet om kan gaan met afwijzing en dat impulsdoorbraken onvermijdelijk zijn. Binnen een tbs met voorwaarden zal het niet mogelijk zijn, aldus het PPC te [plaatsnaam 1] , om de negatieve spiraal waarin de verdachte keer op keer terecht komt effectief te doorbreken. Vanuit het PPC te [plaatsnaam 1] wordt aangegeven dat de verdachte een plek nodig heeft waar zij mag zijn en blijven, ook als de verdachte (tijdelijk) niet in staat is om haar emoties te controleren. Ter terechtzitting van 25 november 2025 heeft de reclasseringswerkster – zakelijk weergegeven – naar voren gebracht dat er niet wordt getwijfeld aan de wens van de verdachte om mee te werken en de oprechtheid daarvan, maar gelet op de problematiek is de verwachting dat zij zich niet zal kunnen houden aan de voorwaarden. Gelet op het bewezenverklaarde en hetgeen hiervoor met betrekking tot de bevindingen, conclusies en adviezen van de deskundigen is opgenomen, wordt voldaan aan de formele vereisten om een tbs-maatregel op te leggen. De rechtbank is van oordeel dat het onverantwoord is om de verdachte zonder enige vorm van behandeling weer deel te laten nemen aan de samenleving. Er bestaat immers een groot risico dat de verdachte opnieuw een delict zal plegen waarbij de veiligheid van personen en goederen ernstig gevaar zal lopen als de verdachte onbehandeld blijft. Mede gelet op de problematiek van de verdachte is een verplicht zorgkader aangewezen. Uit het advies van de deskundigen blijkt dat een zorgmachtiging en een tbs met voorwaarden niet tot de mogelijkheden behoren, omdat de afgelopen jaren is gebleken dat het gedrag van de verdachte binnen de reguliere GGZ niet te hanteren is en omdat de verdachte – ondanks dat de wil er duidelijk is – niet in staat is zich aan voorwaarden te houden. De rechtbank concludeert, mede op grond van bovenstaande adviezen, dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel van tbs noodzakelijk maken. De rechtbank heeft oog voor het gegeven dat de verdachte bereid en gemotiveerd is aan haar problematiek te werken, maar zij ziet, gelet op het voorgaande, geen mogelijkheden binnen de reguliere GGZ of een tbs-maatregel met voorwaarden. De rechtbank zal derhalve gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevelen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 03.313214.22, feit 1 onder parketnummer 03.029770.23, feiten 2, 4, 5 en 6 onder parketnummer 03.069344.24 en het feit onder parketnummer 03.086667.24. Duur van de maatregel Op grond van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht mag de totale duur van de tbs maatregel met overheidsverpleging een periode van vier jaren niet te boven gaan, tenzij de maatregel is opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Tot de misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam behoren onder meer geweldsmisdrijven zoals de bewezenverklaarde mishandelingen, maar ook bedreigingen kunnen daaronder worden begrepen indien zij worden voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag ten opzichte van de bedreigde of als aannemelijk is dat de bedreiging zou worden uitgevoerd. Gelet op de omstandigheid dat alle bewezenverklaarde bedreigingen werden voorafgegaan, vergezeld en/of gevold door gewelddadig gedrag en een aantal van de bedreigden hebben verklaard dat zij ervan overtuigd waren dat de verdachte de bedreigingen ook zou uitvoeren als zij daartoe de kans kreeg, is de rechtbank van oordeel dat ook de bewezenverklaarde bedreigingen gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Omdat de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege mede wordt opgelegd voor misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, kan de totale duur van de maatregel een periode van vier jaar te boven gaan en zal de maatregel niet worden gemaximaliseerd. 7De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel 7.1 De vordering van de benadeelde partij Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] (parketnummer 03.313214.22 feit 1) Namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] is met betrekking tot feit 1 onder parketnummer 03.313214.22 een schadevergoeding gevorderd van € 1.697,69 ter zake van materiële schade. Tevens is namens [slachtoffer 1] verzocht het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2] (parketnummer 03.069344.24 feit 6) De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in de zaak met parketnummer 03.069344.24 een schadevergoeding gevorderd van € 1.385,- ter zake van materiële schade en € 1.000,- ter zake van immateriële schade. Tevens heeft [naam 13] verzocht het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 3] (parketnummer 03.335497.23) Namens de benadeelde partij [slachtoffer 3] is met betrekking tot het feit onder parketnummer 03.335497.23 aangegeven dat [slachtoffer 3] € 3.868,37 materiële schade heeft geleden, maar dat die schade reeds is vergoed door de verzekeraar. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 4] (parketnummer 03.246351.23 feit 1) Namens de benadeelde partij [slachtoffer 4] is met betrekking tot het feit 1 onder parketnummer 03.246351.23 aangegeven dat [slachtoffer 4] materiële schade heeft geleden. Er zijn stukken overgelegd, maar er is geen bedrag op het schadeformulier ingevuld. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 5] (parketnummer 03.086667.24) De benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft met betrekking tot het feit onder parketnummer 03.086667.24 een schadevergoeding gevorderd van € 475,- ter zake van materiële schade en € 250,- ter zake van immateriële schade. Tevens heeft [slachtoffer 5] verzocht het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.2 Het standpunt van de officier van justitie Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] (parketnummer 03.313214.22 feit 1) De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering en verzocht het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2] (parketnummer 03.069344.24 feit 6) De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering met betrekking tot de materiële schade, nu de kosten niet zijn onderbouwd en de schade geen verband lijkt te houden met het tenlastegelegde feit. Met betrekking tot de immateriële schade heeft de officier van justitie geconcludeerd tot gedeeltelijk toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 250,-. De vordering is niet onderbouwd, maar de aantasting in persoon op andere wijze kan uit het dossier worden afgeleid. Tot slot heeft de officier van justitie verzocht het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 3] (parketnummer 03.335497.23) De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, nu het schadebedrag reeds door de verzekering is vergoed. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 4] (parketnummer 03.246351.23 feit 1) De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, nu een aantal posten onvoldoende is onderbouwd en het onduidelijk is of de schade door de verzekering is vergoed. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 5] (parketnummer 03.086667.24) De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering met betrekking tot de posten ‘eigen risico’ en ‘onregelmatigheidstoeslag’, nu deze posten onvoldoende zijn onderbouwd. De officier van justitie acht de vordering met betrekking tot de post ‘ibuprofen’, gelet op het letsel, wel toewijsbaar. Met betrekking tot de immateriële schade heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van de vordering à € 250,-, nu de schade uit het dossier kan worden afgeleid en het bedrag redelijk is. Tot slot heeft de officier van justitie verzocht het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 7.3 Het standpunt van de verdediging Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] (parketnummer 03.313214.22 feit 1) De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. Het is aan het Openbaar Ministerie navraag te doen en duidelijkheid te verschaffen of de schade is vergoed door de verzekering. Indien de verzekering de schade heeft vergoed, hetgeen voor de hand ligt, is er geen schade meer en geen reden om dit nog ten laste van de verdachte te brengen. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat enkel de optelsom van de factuurbedragen, zijnde in totaal € 1.688,69, kan worden toegewezen. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2] (parketnummer 03.069344.24 feit 6) De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, nu de vordering geen verband houdt met het strafbare feit. Overigens is de vordering in het geheel niet met bewijsstukken onderbouwd. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 3] (parketnummer 03.335497.23) De raadsvrouw heeft hieromtrent geen verweer gevoerd. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 4] (parketnummer 03.246351.23 feit 1) De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, nu [naam 6] heeft verklaard dat de praktijk verzekerd is en, indien de schade reeds is vergoed, er geen schade meer is. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd. Er is geen bewijs bijgevoegd van de schade en er worden geen bedragen genoemd. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 5] (parketnummer 03.086667.24) De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat de materiële schade niet is onderbouwd en heeft zij zich met betrekking tot de gevorderde immateriële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 7.4 Het oordeel van de rechtbank Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] (parketnummer 03.313214.22 feit 1) De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare feit schade heeft geleden. Als algemene ervaringsregel kan echter worden aangenomen dat een rechtspersoon zoals [slachtoffer 1] beschikt over een opstalverzekering. Na navraag door het Openbaar Ministerie is geen reactie ontvangen van de benadeelde partij of de schade reeds is vergoed door de verzekering. Nu onvoldoende is onderbouwd of deze schade bestaat en een nadere onderbouwing van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2] (parketnummer 03.069344.24 feit 6) Uit de onderbouwing blijkt dat de vordering ziet op een ander feit dan het bewezenverklaarde feit. Nu de schade aldus niet is toegebracht door het bewezenverklaarde feit, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 3] (parketnummer 03.335497.23) De rechtbank constateert dat de schade reeds is vergoed en dat de benadeelde partij dus geen vergoeding meer vordert. Daarom beschouwt de rechtbank het ingediende formulier niet als een vordering tot schadevergoeding waarover zij een beslissing dient te nemen. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 4] (parketnummer 03.246351.23 feit 1) De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare feit schade heeft geleden. Namens de benadeelde partij zijn stukken overgelegd, maar niet is toegelicht welke schade is geleden en eventueel is vergoed door de verzekering, terwijl namens de benadeelde partij is verklaard dat sprake is van een verzekering. Nu een nadere onderbouwing van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 5] (parketnummer 03.086667.24) De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde strafbare feit schade heeft geleden. Met betrekking tot de posten ten aanzien van het eigen risico en ibuprofen oordeelt de rechtbank dat deze schade rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit en voldoende is onderbouwd. Met betrekking tot de post ten aanzien van het eigen risico overweegt de rechtbank voorts dat de benadeelde partij op 7 januari 2024, een datum net na de jaarwisseling, vanwege het bewezenverklaarde feit naar de huisartsenpost en de spoedeisende hulp is geweest, waardoor het voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit het eigen risico heeft moeten betalen. Nu de vordering de rechtbank op die onderdelen ook anderszins niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, komt de vordering voor wat betreft die posten voor toewijzing in aanmerking. Voorts overweegt de rechtbank dat de post ‘onregelmatigheidstoeslag’ onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij heeft zijn werkrooster voor de maand januari 2024 als bijlage bij het verzoek tot schadevergoeding gevoegd, maar de rechtbank kan daaruit niet afleiden dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit een toeslag heeft misgelopen. Bovendien heeft een zieke werknemer in beginsel recht op doorbetaling van de toeslagen. Omdat een nadere onderbouwing van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, wordt de benadeelde partij ten aanzien van die post niet-ontvankelijk verklaard. Artikel 6:106, sub b, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Uit het dossier blijkt dat hiervan sprake is. De benadeelde partij kan daarom aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade. De benadeelde partij heeft door het handelen van de verdachte onder meer een hersenschudding opgelopen. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 250,00 redelijk en voldoende onderbouwd. De rechtbank zal het schadebedrag vaststellen op een totaalbedrag van € 650,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 6 januari 2024. De rechtbank zal over dit bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De rechtbank veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, tot heden begroot op nihil. 8De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 266, 285, 300, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde. 9De beslissing De rechtbank: Vrijspraak - spreekt de verdachte vrij van het onder parketnummer 03.246351.23 onder 2 tenlastegelegde feit; Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte voor feit 1 en feit 2 onder parketnummer 03.313214.22, feit 1 en feit 2 onder parketnummer 03.029770.23, feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 onder parketnummer 03.069344.24, het feit onder parketnummer 03.335497.23, feit 1 onder parketnummer 03.246351.23 en het feit onder parketnummer 03.086667.24 tot een gevangenisstraf van 5 maanden; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; Maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege gelast dat de verdachte ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 03.313214.22, feit 1 onder parketnummer 03.029770.23, feiten 2, 4, 5 en 6 onder parketnummer 03.069344.24 en het feit onder parketnummer 03.086667.24 ter beschikking wordt gesteld; beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd; Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] (parketnummer 03.313214.22 feit 1) niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil; verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] (parketnummer 03.069344.24 feit 6) niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil; verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] (parketnummer 03.246351.23 feit 1) niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil; wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] (parketnummer 03.086667.24) gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van betaling ten behoeve van voornoemde benadeelde partij te betalen een bedrag van € 650,00, bestaande uit € 400,00 materiële schade en € 250,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 6 januari 2024 tot de dag der algehele voldoening; bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging daaronder begrepen, tot heden begroot op nihil; legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 5], van € 650,00, bestaande uit € 400,00 materiële schade en € 250,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 6 januari 2024 tot aan de dag van de volledige voldoening; bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 13 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op; bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.M. Menting, voorzitter, mr. L. Bastiaans en mr. N.P.J. van de Pasch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Taranto, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 december 2025. BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 03.335497.23, ten laste gelegd dat parketnummer 03.313214.22 1 zij op of omstreeks 6 september 2022 te Oostrum, gemeente Venray opzettelijk en wederrechtelijk een deur, één of meerdere ruiten en/of een deurkozijn, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
- n)heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt 2zij op of omstreeks 6 september 2022 te Oostrum, gemeente Venray [naam 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [naam 1] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak jullie kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; parketnummer 03.029770.23 1zij op of omstreeks 16 januari 2023, in de gemeente Venray, [naam 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [naam 2] dreigend de woorden toe te voegen "“Ik ga je kop helemaal verbouwen”, “Ik krijg jou nog wel te pakken” en/of “Ik neem jou nog wel te pakken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; 2zij op of omstreeks 16 januari 2023, in de gemeeente Venray, opzettelijk en wederrechtelijk drie ruiten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Vincent van Gogh , in elk geval aan een ander toebehoorde(
- n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt parketnummer 03.069344.24 1zij op of omstreeks 17 februari 2023, in de gemeente Venray, opzettelijk en wederrechtelijk een trui, een t-shirt, een trui en/of serviesgoed, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 2] , [naam 4] en/of Vincent van Gogh Instituut voor GGZ in elk geval aan een ander toebehoorde(
- n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt 2zij op of omstreeks 17 februari 2023, in de gemeente Venray, een (
- de)ambtena(a)r(
- en)[naam 12] , werknemer van Vincent van Gogh Instituut voor GGZ en/of [naam 2] en/of [naam 4] , (beiden) verpleegkundige van Vincent van Gogh Instituut voor GGZ, zijnde een zorgaanbieder als bedoeld in de Wvggz, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening heeft mishandeld door- die [naam 4] meermalen, althans eenmaal met haar hoofd een stoot tegen delinkerschouder te geven en/of met een gebalde vuist tegen de linkerflank van het lichaam van die [naam 4] te slaan;- die [naam 2] meermalen, althans eenmaal op haar rug te slaan en/of- die [naam 12] aan de hals en/of kin vast te pakken en/of te krassen/krabben en/of bij de haren vast te pakken en (vervolgens) (hard) aan die haren te trekken. 3zij op of omstreeks 17 februari 2023, in de gemeente Venray, opzettelijk [naam 2] en/of [naam 4] in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, heeft beledigd door die [naam 2] en/of [naam 4] in het gezicht te spugen. 4zij op of omstreeks 17 februari 2023, in de gemeente Venray, [naam 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [naam 4] dreigend de woorden toe te voegen "Ik steek je een mes in de rug", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; 5zij op of omstreeks 18 februari 2023, in de gemeente Venray, [naam 4] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [naam 4] en/of [naam 13] dreigend de woorden toe te voegen "Kom hier, dan stomp ik je op je neus" en/of “Ik steek je neer” en/of “ik ga alles affikken”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; 6zij op of omstreeks 18 februari 2023, in de gemeente Venray, een ambtenaar [slachtoffer 2] , verpleegkundige van Vincent van Gogh Instituut voor GGZ, zijnde een zorgaanbieder als bedoeld in de Wvggz, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening heeft mishandeld door die [naam 13] aan zijn onderarm en pols te krabben. 7zij op of omstreeks 18 februari 2023, in de gemeente Venray, opzettelijk en wederrechtelijk een tafel, een stoel en/of twee lampen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Vincent van Gogh Instituut voor GGZ in elk geval aan een ander toebehoorde(
- n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt parketnummer 03.335497.23 zij op of omstreeks 12 september 2023, in de gemeente Venlo, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ruit(en), die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
- n)heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt parketnummer 03.246351.23 1zij op of omstreeks 25 september 2023 te Baarlo, gemeente Peel en Maas, opzettelijk en wederrechtelijk inboedel (o.a. deuren, lampen, deuren, een scherm, de balie, een kast, een tafel een vitrinekast en/of plantenbak) , in elk geval enige goederen, die geheel of ten dele aan [naam 6] en/of [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
- n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt 2zij op of omstreeks 25 september 2023, te Baarlo, gemeente Peel en Maas, [naam 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die Litjens dreigend telefonisch de woorden toe te voegen "steek ik jullie neer.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; parketnummer 03.086667.24 zij op of omstreeks 6 januari 2024, te Oostrum, in de gemeente Venray, een ambtenaar, [slachtoffer 5] , medewerker van de Rooyse Wissel, zijnde een zorgaanbieder als bedoeld in de Wvggz, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door die [slachtoffer 5] een kopstoot te geven. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2022140392, gesloten d.d. 9 september 2022, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 32. Proces-verbaal van aangifte van [naam 8] mede namens [slachtoffer 1] d.d. 6 september 2022, pagina 4-5. Proces-verbaal van aangifte van [naam 1] d.d. 6 september 2022, pagina 12-13. Bijlagen bij het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] d.d. 6 september 2022, pagina 15-16. Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 19 augustus 2025, pagina 3. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2023008462, gesloten d.d. 25 januari 2023, digitaal doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 30. Proces-verbaal van aangifte van [naam 2] d.d. 16 januari 2023, pagina 4-5. Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 9] d.d. 16 januari 2023, pagina 10-11. Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 10] d.d. 16 januari 2023, pagina 12. Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 januari 2023, pagina 25. Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 19 augustus 2025, pagina 4. Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 19 augustus 2025, pagina 4. Proces-verbaal van aangifte van [naam 2] mede namens Vincent van Gogh Voor Ggz d.d. 16 januari 2023, pagina 4-5. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2023065997, gesloten d.d. 27 september 2023, digitaal doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 55. Proces-verbaal van aangifte van [naam 11] namens [naam 12] , [naam 2] , [naam 4] en Vincent van Gogh Instituut voor GGZ d.d. 21 maart 2023, pagina 4-13. Uit het proces-verbaal van verhoor slachtoffer op pagina 26 blijkt dat het gaat om [naam 12] . Proces-verbaal van aangifte van [naam 11] namens [naam 12] , [naam 2] , [naam 4] en Vincent van Gogh Instituut voor GGZ d.d. 21 maart 2023, pagina 13. Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 19 augustus 2025, pagina 5-7. Proces-verbaal van aangifte van [naam 11] namens Vvgi, [naam 4] en [slachtoffer 2] d.d. 12 april 2023, pagina 17 en 20-24. Proces-verbaal van aangifte van [naam 11] namens Vvgi, [naam 4] en [slachtoffer 2] d.d. 12 april 2023, pagina 24. Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 19 augustus 2025, pagina 6-7. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300- 2023144892, gesloten d.d. 23 december 2023, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 25. Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 19 augustus 2025, pagina 7. Proces-verbaal van aangifte van [naam 16] namens [slachtoffer 3] d.d. 12 september 2023, pagina 8. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300- 2023152402, gesloten d.d. 26 september 2023, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 53. Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 19 augustus 2025, pagina 8. Proces-verbaal van aangifte van [naam 6] mede namens [slachtoffer 4] d.d. 25 september 2023, pagina 7-8. Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300- 2024005547, gesloten d.d. 29 februari 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 28. Proces-verbaal van aangifte van [naam 17] namens [slachtoffer 5] d.d. 11 januari 2024, pagina 6. Proces-verbaal van verhoor slachtoffer [slachtoffer 5] d.d. 6 februari 2024, pagina 12-13. Bijlage bij het proces-verbaal van aangifte van [naam 17] namens [slachtoffer 5] d.d. 11 januari 2024, te weten een schriftelijk bescheid van [slachtoffer 3] omtrent [slachtoffer 5] d.d. 7 januari 2024. Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 18] d.d. 5 februari 2024, pagina 18. Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 19 augustus 2025, pagina 9.