← Nederland

ECLI:NL:RBLIM:2025:4352

RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 23/3543 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigden: mr. J.M. Walther en mr. M. Hermans), En de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. K. Bruin). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om verkrijging van het Nederlanderschap (naturalisatie). 1.
  2. Verweerder heeft het verzoek met het besluit van 25 april 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven. 1.
  3. De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van eiser en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank
  4. De rechtbank beoordeelt of verweerder het verzoek van eiser om verkrijging van het Nederlanderschap op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
  5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Waar gaat deze zaak over?
  6. Eiser stelt afkomstig te zijn uit Sierra Leone en te zijn geboren op [geboortedatum]
  7. Eiser is in 2000 naar Nederland gekomen en hem is met ingang van 21 maart 2007 een verblijfsvergunning verleend in het kader van de Regeling Afwikkeling Nalatenschap Oude Vreemdelingenwet (Ranov).
  8. Op 15 juni 2006 heeft Bureau Land en Taal (nu: Team Onderzoek en Expertise land en Taal, hierna: TOELT) een taalanalyse afgenomen. Op 26 juni 2006 is hiervan een rapport opgemaakt. Uit dit rapport volgt dat eiser eenduidig niet herleidbaar is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Sierra Leone. Het rapport geeft aan dat eiser een vorm van de taal Pular spreekt, wat is te herleiden tot Guinee. Er is geen contra-expertise uitgevoerd.
  9. Eiser heeft op 3 mei 2021 een verzoek om naturalisatie ingediend en heeft ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit een paspoort en geboorteakte van Sierra Leone overgelegd. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen omdat de identiteit en nationaliteit van eiser niet voldoende vaststaan om voor naturalisatie in aanmerking te komen. Er bestaat volgens verweerder gerede twijfel over eisers identiteit en nationaliteit. Deze twijfel is gebaseerd op de taalanalyse. Met de overgelegde geboorteakte en het paspoort heeft eiser de twijfel over zijn identiteit en nationaliteit volgens verweerder niet weggenomen. De beroepsgronden
  10. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij moet worden vrijgesteld van de documenteis omdat hij een Ranov-vergunning heeft. In de bezwaarprocedure heeft eiser een geboorteakte en paspoort van Sierra Leone overgelegd. Verweerder heeft ten onrechte gesteld dat deze documenten niet kunnen worden geaccepteerd in de onderhavige procedure. Verweerder had deze documenten moeten laten onderzoeken en doordat verweerder dit niet heeft gedaan is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid. 7.
  11. Eiser stelt verder dat de taalanalyse uit 2006 zeer gedateerd is. Hoewel er geen contra-expertise is ingebracht moet worden opgemerkt dat de taal en het dialect dat eiser spreekt in meerdere West-Afrikaanse landen wordt gesproken. Gelet hierop kan volgens eiser niet worden uitgesloten dat de bevindingen van de taalanalyse niet juist zijn. Eiser is van mening dat meer waarde moet worden gehecht aan de documenten die hij heeft overgelegd aangezien deze door de autoriteiten van Sierra Leone zijn afgegeven. Dat verweerder dit niet doet, klemt te meer nu deze documenten niet nader onderzocht zijn. 7.
  12. Ten slotte beroept eiser zich op het evenredigheidsbeginsel. Gelet op de individuele omstandigheden van eiser in deze zaak, is het onevenredig om vast te houden aan de documenteis. Eiser is in het bezit van een paspoort en geboorteakte, heeft altijd consistent verklaard over zijn naam, geboortedatum en land van herkomst en niet is vast komen te staan dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt. Zo heeft de gemeente de BRP-inschrijving van eiser niet veranderd na een melding van verweerder dat de gegevens onjuist zouden zijn. Verder is eiser al lange tijd in het bezit van een verblijfsvergunning met dezelfde identiteitsgegevens en is deze vergunning meerdere keren verlengd. Tot slot moet zwaarwegende betekenis worden toegekend aan het feit dat eiser al lange tijd rechtmatig in Nederland verblijft en hier in sterke mate ingeburgerd is. Wat is het relevante toetsingskader?
  13. De voor het beroep relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
  14. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) is het aan verzoeker om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen en aan verweerder om te beoordelen of de identiteit en nationaliteit van die verzoeker met de door hem overgelegde stukken zijn komen vast te staan. De verlening van het Nederlanderschap is, vanwege de daaraan verbonden gevolgen, een zaak van groot gewicht. De identiteit en de nationaliteit van een verzoeker moeten daarom buiten twijfel zijn. Verweerder moet eerst vaststellen of de verzoeker de juiste documenten heeft overgelegd. Nadat verweerder dat heeft gedaan, moet hij nagaan of er aanleiding bestaat te twijfelen aan de door een verzoeker gestelde identiteit en nationaliteit. Deze twijfel kan bijvoorbeeld bestaan op grond van een taalanalyse door TOELT, een documentonderzoek door het Team onderzoek en Expertise Documenten (TOED), een leeftijdsonderzoek of een combinatie van deze onderzoeken. Verweerder mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat hij is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dit is de vergewisplicht die volgt uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De gerede twijfel kan ook ontstaan op grond van de overige inhoud van het vreemdelingenrechtelijk dossier van een verzoeker of op grond van andere bekende feiten en omstandigheden. Mocht verweerder twijfelen aan de identiteit en nationaliteit van eiser?
  15. Eiser is in het bezit van een zogenaamde Ranov-vergunning. Ranov-vergunninghouders zijn sinds 1 november 2021 vrijgesteld van de verplichting om hun naturalisatieverzoek te onderbouwen met een geldig buitenlands paspoort en een geboorteakte.Het uitgangspunt dat gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit een reden kan zijn voor afwijzing, geldt echter onverminderd. Eisers verzoek kan dus nog steeds worden afgewezen als er gerede twijfel bestaat over zijn identiteit of nationaliteit. Dit heeft verweerder ook gedaan.
  16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er gerede twijfel bestaat aan de door eiser gestelde identiteit en nationaliteit. Uit het rapport taalanalyse van 26 juni 2006 volgt dat eiser niet te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Sierra Leone. In plaats daarvan is eiser te herleiden tot de spraakgemeenschap binnen Guinee. Het rapport geeft dus aanleiding voor twijfel of eiser, zoals hij stelt, uit Sierra Leone komt.
  17. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het rapport niet heeft mogen betrekken bij zijn beoordeling. Het rapport van TOELT moet worden aangemerkt als een deskundigenadvies. Zoals eerder overwogen mag verweerder van dit advies uitgaan als hij voldaan heeft aan zijn vergewisplicht. De taalanalist heeft in het rapport van 26 juni 2006 geconcludeerd dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen Sierra Leone en wel tot de spraakgemeenschap binnen Guinee. De stelling van eiser dat deze taalanalyse verouderd is, maakt niet dat verweerder niet meer van de analyse mag en kan uitgaan. Dat de taalanalyse in het verleden is uitgevoerd, betekent namelijk niet dat de inhoud hiervan onjuist is. Bovendien heeft verweerder beoordeeld of de taalanalyse uit 2006 ook aan de huidige inzichten voldoet en TOELT gevraagd om een reactie. Dat heeft geleid tot een zogenoemd weerwoord van 5 oktober
  18. Uit dit rapport van 2023 volgt (ook) de conclusie dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen Sierra Leone, maar eenduidig herleidbaar is tot de spraakgemeenschap binnen Guinee. De conclusie van de deskundigen is gebaseerd op de vaststelling dat eiser de Guinese variant van Fuuta Jalon (het Pular) spreekt. Gebleken is dat eiser in zijn Fuuta Jalon enkel Franse leenwoorden, zoals gebruikelijk in Guinee, en geen leenwoorden uit het Krio of Engels gebruikt, wat gebruikelijk is in het Fuuta Jalon van Sierra Leone. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hieruit kunnen concluderen dat het rapport van 26 juni 2006 voldoet aan de huidige maatstaven en inzichten. Verweerder heeft hiermee voldaan aan zijn vergewisplicht en het rapport dan ook ten grondslag kunnen leggen aan het bestreden besluit. 12.
  19. Eiser heeft ter zitting nog aangevoerd dat er verschillende talen en dialecten worden gesproken in Sierra Leone en dat de taalanalyses niet uitsluiten dat eiser niet uit Sierra Leone komt. Eiser heeft verwezen naar een rapport van Translaters without borders. Daarnaast is niet eenduidig gebruik gemaakt van de termen om de talen/dialecten te benoemen in de stukken. De rechtbank ziet in wat eiser (voor het eerst) ter zitting heeft aangevoerd, geen aanknopingspunten om aan de deskundigheid van de taalanalisten of aan de inhoud van de rapporten te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de rapporten eenduidig en consistent dat het Fula en Pular twee verschillende benamingen zijn voor dezelfde taal, waarbij de benaming Fula (Fuuta Jalon) gangbaar is in Sierra Leone en de benaming Pular (Fuuta Jalon) in Guinee. Dat in het rapport uit 2006 op één plek is aangegeven dat eiser Fula spreekt, terwijl het wellicht logischer was geweest om daar Pular te benomen, doet niet af aan de gemotiveerde conclusies uit de rapporten. Er is immers, zoals hiervoor ook al genoemd, onderbouwd op basis waarvan de taalanalist tot de conclusie komt dat eiser de Guineese variant van Fuuta Jalon spreekt en eenduidig tot de spraakgemeenschap binnen Guinee is te herleiden. Het had op de weg van eiser gelegen om de taalanalyses voor te leggen aan een door hem zelf ingeschakelde deskundigen indien hij het niet eens is met de inhoud hiervan. Dit heeft eiser niet gedaan. Dat eiser niet de financiële middelen heeft en daarom geen contra-expertise heeft kunnen aanwenden, maakt niet dat verweerder niet heeft kunnen uitgaan van de taalanalyses en biedt ook geen aanknopingspunt om aan de inhoud van de rapporten te twijfelen. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan de identiteit en nationaliteit van eiser Is de gerezen twijfel met de overgelegde documenten weggenomen?
  20. Het is vervolgens de vraag of eiser de gerezen twijfel met de door hem overgelegde documenten voldoende heeft weggenomen. Dat is afhankelijk van de bewijswaarde daarvan. Daarbij moet worden vooropgesteld dat in beginsel van de juistheid van een bevoegd afgegeven paspoort moet worden uitgegaan. Dat laat echter onverlet dat verweerder de juistheid wel mag beoordelen en daarbij mag betrekken of er een deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden.
  21. Eiser heeft een paspoort en een geboorteakte uit 2016 overgelegd. Eiser is naar eigen zeggen naar Sierra Leone afgereisd om deze documenten te verkrijgen. Hij heeft zijn eerste geboorteakte in 2014 gekregen. Over die geboorteakte beschikt eiser niet meer. Op basis van (een foto van) die geboorteakte heeft eiser een paspoort en de tweede geboorteakte uit 2016 verkregen. Eiser heeft aangegeven dat hij één vraag moest beantwoorden over de door hem gestelde geboorteplaats. Aan de hand daarvan zou hij de geboorteakte hebben gekregen. 14.
  22. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat niet is gebleken dat eisers geboorte voor zijn aanvraag van de geboorteakte in 2014 al in Sierra Leone geregistreerd stond. Verweerder heeft zich verder naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat een inhoudelijk juist brondocument gebaseerd op enige (juiste) geboorteregistratie ten grondslag heeft gelegen aan de afgifte van de geboorteakte en het paspoort. Eiser heeft de documenten verkregen uit Sierra Leone kennelijk op basis van een tardieve registratie op basis van enkel eigen verklaringen. Verweerder heeft zich gelet hierop op het standpunt kunnen stellen dat dit onvoldoende is om aan te nemen dat er een deugdelijk identificatieproces vooraf is gegaan aan het afgeven van de documenten. In zoverre kan dus niet worden geoordeeld dat uit de overgelegde documenten buiten twijfel volgt dat de daarin vermelde identiteit en nationaliteit juist zijn. Dat eiser met de door hem opgegeven gegevens enige tijd in het bezit is van een verblijfsvergunning, deze ook telkens is verlengd en de gegevens zoals eiser heeft aangedragen als zodanig in de BRP zijn opgenomen, doet daar volgens de rechtbank niet aan af. Verweerder is immers niet gebonden aan overwegingen en beslissingen in een vreemdelingenrechtelijke procedure met betrekking tot de identiteit en nationaliteit, maar heeft een eigen onderzoeksplicht. Naast het ontbreken van een deugdelijk identificatieproces heeft verweerder het in dat kader opmerkelijk kunnen vinden dat de geboorteplaats [geboorteplaats] op eisers geboorteakte staat terwijl uit openbare informatie blijkt dat dit een vrij groot gebied is en geen apart dorp of stad. Verweerder heeft bovendien van belang kunnen achten dat eiser bij binnenkomst in Nederland valse documenten, die volgens eiser uit Sierra Leone kwamen, heeft overgelegd waaronder een valse geboorteakte. 14.
  23. De beroepsgrond van eiser dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid omdat verweerder de documenten niet op echtheid heeft onderzocht, slaagt niet. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat een onderzoek naar de echtheid van de documenten immers niks zegt over de inhoudelijke juistheid hiervan of over de deugdelijkheid van het identificatieproces. Ook indien het paspoort en de geboorteakte echt zouden worden bevonden, is daarmee niet de gerezen twijfel weggenomen. Anders dan in de door eiser genoemde uitspraak heeft verweerder dat hier genoegzaam gemotiveerd en bestond er dus geen verplichting voor verweerder om de documenten op echtheid te laten onderzoeken. Er is voldoende grond voor het standpunt van verweerder dat niet buiten twijfel uit de overgelegde documenten volgt dat de daarin vermelde identiteit en nationaliteit juist zijn. Is het besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
  24. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de persoonlijke situatie van eiser geen grond kan vormen om het naturalisatieverzoek toe te wijzen. De eis dat de identiteit en nationaliteit moeten worden aangetoond volgt uit artikel 7 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) en artikel 31 van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BvvN). Hiervan kan niet met toepassing van artikel 4:84 van de Awb worden afgeweken. Het gaat hier immers om een wet en niet om beleid. Artikel 10 van de RWN biedt de mogelijkheid om in uitzonderlijke omstandigheden een naturalisatieverzoek toe te wijzen, ook al is niet aan alle wettelijke voorwaarden voldaan. Dit artikel somt limitatief op van welke artikelen kan worden afgeweken. Dit artikel biedt echter niet de mogelijkheid om af te wijken van de hier toepasselijk voorwaarden van artikel 7 van de RWN. Schrijnende persoonlijke omstandigheden kunnen zoals volgt uit de rechtspraak van de Afdeling dan ook geen grond vormen voor toekenning van een naturalisatieverzoek.
  25. Wat betreft de procedurele eisen die voortvloeien uit de Handleiding RWN, zoals het documentvereiste, geldt dat verweerder hiervan wel met toepassing van het evenredigheidsbeginsel of artikel 4:84 Awb kan afwijken. Verweerder heeft echter naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de omstandigheden van eiser niet zo bijzonder zijn, dat die een afwijking kunnen rechtvaardigen. Verweerder heeft hier bij kunnen betrekken dat er gerede twijfel bestaat over eisers identiteit en nationaliteit en het aan eiser is om die gerede twijfel weg te nemen. Eiser heeft dit niet gedaan. Dat er twijfel bestaat over eisers identiteit en nationaliteit is eerder kenbaar gemaakt in de vreemdelingenrechtelijke procedure voorafgaande aan de Ranov-vergunning. Eiser heeft in die ruim 20 jaar geen documenten of een contra-expertise overgelegd om de gerede twijfel weg te nemen. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat dit voor eisers eigen rekening en risico komt. Verder heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat het belang van de Koning om zeker te weten wie eiser is om het Nederlanderschap te verlenen, zwaarder weegt dan het belang van eiser om Nederlander te worden. Hierbij heeft verweerder ook kunnen betrekken dat het feit dat eiser al lang in Nederland woont niet betekent dat er minder gewicht toegekend moet worden aan de zekerheid over zijn identiteit en nationaliteit. Dat eiser al lang rechtmatig in Nederland verblijft maakt namelijk niet dat de twijfel over zijn identiteit en nationaliteit is weggenomen. Bovendien is het besluit niet dermate ingrijpend dat eiser nooit Nederlander kan worden. Eiser kan een nieuw naturalisatieverzoek indienen en Nederlander worden als hij aan alle voorwaarden voldoet. Conclusie en gevolgen
  26. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers verzoek tot naturalisatie in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, rechter, in aanwezigheid van mr.M.M.M.F. Roijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 mei
  27. . griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 7 mei
  28. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: relevante wet- en regelgeving Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) Artikel 7
  29. Met inachtneming van de bepalingen van dit Hoofdstuk verlenen Wij op voordracht van Onze Minister het Nederlanderschap aan vreemdelingen die daarom verzoeken.
  30. Ten aanzien van hen die hun hoofdverblijf hebben in Aruba, Curaçao of Sint Maarten, adviseert Onze Minister van Justitie van Aruba, van Curaçao, onderscheidenlijk van Sint Maarten, omtrent het verzoek. Artikel 10 Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, en de termijn genoemd in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid. Artikel 23
  31. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van deze Rijkswet. (…) Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BvvN) Artikel 31
  32. Bij de indiening van een naturalisatieverzoek verstrekt de verzoeker betreffende zichzelf, voorzoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot: a. geslachtsnaam en voornaam of voornamen, onderscheidenlijk naam of namen; b. geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland; (…) e. nationaliteit of nationaliteiten; (…)
  33. De autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook Onze Minister, kan verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten. Hij kan tevens verlangen dat die aanvullende gegevens worden verstrekt indien dit naar zijn oordeel nodig is voor de beoordeling van het geval. Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 Artikel 7 Paragraaf 3.
  34. Over te leggen documenten Paragraaf 3.5.
  35. Algemeen (…) Zorgvuldige voorbereiding te nemen naturalisatiebesluit Naast het zo goed mogelijk toepassen van de nationaliteitsbepalingen vloeit uit artikel 3:2 Awb voort dat het naturalisatiebesluit zo zorgvuldig mogelijk is voorbereid en genomen. Er bestaat bovendien een rechtsbelang bij het zoveel mogelijk zorgen dat naturalisatie tot Nederlander plaatsvindt op juiste persoonsgegevens en juiste nationaliteit. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het aan verzoeker of optant om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen en aan de Staatssecretaris om te beoordelen of de identiteit en nationaliteit van de desbetreffende verzoeker of optant met de door hem overgelegde stukken zijn aangetoond. Ook als een verzoeker is vrijgesteld van het documentenvereiste (zie paragraaf 3.5.
  36. bij artikel 7 RWN), kan gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit daarom een reden vormen voor afwijzing. Gerede twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit kan bijvoorbeeld bestaan op grond van een taalanalyse door Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT), documentonderzoek door Team onderzoek en Expertise Documenten (TOED), een leeftijdsonderzoek of een combinatie van meerdere van voornoemde onderzoeken. Ook kan er gerede twijfel ontstaan op grond van de (overige) inhoud van het (vreemdelingrechtelijke) dossier van de verzoeker, dan wel op grond van andere bekende feiten en omstandigheden. De eerder genoemde onderzoeken worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan de Staatssecretaris ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden. In beginsel mag op het advies van een deskundige worden afgegaan, nadat is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. In uitzondering op vorenstaande wordt een naturalisatieverzoek niet afgewezen vanwege gerede twijfel aan de identiteit of nationaliteit van de verzoeker als de twijfel aan de gestelde identiteit of nationaliteit enkel is ontstaan als gevolg van onjuiste verklaringen van zijn of haar ouders. In dat geval wordt aangenomen dat de bij vergunningverlening veelal minderjarige logischerwijs uitgaat van de gegevens die volgen uit de gegevens zoals opgegeven door de ouder(s) en dat hij/zij de waarheidsverklaring als bedoeld in artikel 31, vierde lid, BvvN naar waarheid invult en ondertekent. (…) Verzoeker die in 2007 of 2008 een Ranov-vergunning heeft gekregen Geboorteakte en paspoort Met ingang van 1 november 2021 is de verzoeker, die in 2007 of 2008 een Ranov-verblijfsvergunning heeft gekregen en meerderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht vrijgesteld van: • het overleggen van een geldig buitenlands paspoort (of anderszins een bewijs van het actuele bezit van een vreemde nationaliteit); en • het overleggen van een (buitenlands) geboorteakte/geboorteregistratiebewijs. Om hiervoor in aanmerking te komen, moet de verzoeker sinds de Ranov-vergunning hoofdverblijf in Nederland hebben gehad. Dit omdat het huidige verblijfsrecht rechtstreeks moet kunnen worden herleid tot de eerder verstrekte Ranov-vergunning. De verzoeker die in 2007 of 2008 een Ranov-vergunning heeft gekregen en minderjarig was op de ingangsdatum van zijn Ranov-verblijfsrecht kwam sinds 1 juni 2021 in aanmerking voor de genoemde vrijstellingen. (…) Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (Afdeling) van 29 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:
  37. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
  38. Zie Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (de Handleiding), par. 3.5.
  39. Artikel 7, paragraaf 3.5.1 van de Handleiding RWM. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:
  40. Uitspraak van de Afdeling van 29 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:
  41. Uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
  42. Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
  43. Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:490 Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4642.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.